'Het is prettig emoties van je af te zingen'

Jaap de Hoop Scheffer (49) is de derde CDA-leider in drie jaar tijd. De ex-diplomaat spreekt zich in zijn eerste persoonlijke interview uit over de hardheid van de politiek, zijn crisis in Ghana, het hiernamaals en huwelijkstrouw....

JAN HOEDEMAN

HET WAS EEN van die mooie tropische nachten met een overweldigend heldere sterrenhemel. Biertje erbij, zittend op de veranda vroeg ik me af: is dit het nu? Ik was ambassadesecretaris in Ghana en vroeg me af of ik zo door wilde gaan.

Je moet ertegen kunnen, iedere vier jaar verkassen met Jeannine en onze twee dochters. Net als je wortel hebt geschoten word je weer weggetrokken uit de grond. Je moet je vrienden verlaten en elders nieuwe maken. Als ik in Ghana naar de Wereldomroep luisterde wat er in Nederland gebeurde, voelde ik me op grote afstand. Ontheemd.

Ghana was in de jaren zeventig een militaire dictatuur waaraan politiek weinig eer viel te behalen. Ik heb er de huidige leider Jerry Rawlings leren kennen. Hij was destijds luitenant bij de luchtmacht. We hebben samen gesport.

Ik heb aan ons verblijf daar een enorme liefde voor Afrika aan overgehouden. The African itch, zoals de Engelsen dat noemen. Af en toe kan ik wel huilen, zoals dat continent in het nieuws komt met de massamoorden en hongersnoden. De tomeloze ellende die ik heb gezien heeft veel met me gedaan.

Met de Ghanezen heb ik een voedselhulpprogramma opgezet, trok er het land in om de distributie te regelen. De mensen hadden het zwaar, maar ze stierven niet zoals in omringende landen van honger langs de weg. Alles werd in natura aan de mensen betaald.

Het had ook leuke kanten. Een keer per jaar een nachtje doorzakken met de missionarissen. Dan namen ze op Koninginnedag op de ambassade een paar jenevertjes te veel. We woonden in een prachtig huis met een tennisbaan erbij, waar een groot deel van de Ghanese gemeenschap kwam. En dan moet je eerlijk zijn, dat is niet het meest representatieve deel van de bevolking.

Mijn tweejarig verblijf in Ghana was een cultuurschok voor een jongetje dat beschermd was opgevoed in de Randstad. De bescherming die ik altijd had genoten, viel weg en het heeft wel even geduurd voordat ik daar over heen was.

Enkele eeuwen geleden was er een weesjongen, die werd aangenomen door meneer De Hoop. Dat jongetje heette Scheffer. De Hoop bepaalde dat het adoptieve kind zijn naam mocht dragen: zo ontstond de familienaam De Hoop Scheffer. We hebben allerlei geloofstakken in de familie: protestanten, remonstranten en katholieken. Mijn overgrootvader was hoogleraar in Leiden, hij schreef de kerkgeschiedenis sinds de reformatie.

De ene grootvader was directeur van de Nationale Hypotheekbank, de ander was directeur van een exportbedrijf in zuivel. Mijn vader werkte als algemeen secretaris van de Vereniging voor de Effectenhandel.

Mijn moeder was katholiek, ze vertolkte meer de emotionele kant. Mijn vader was protestant, een integere en tolerante man. Toen mijn ouders trouwden, werd vader ook katholiek. Dat merk je wel in de opvoeding, er zaten geen scherpe kantjes aan. Zo tennisten mijn broer en ik bij een club die niet katholiek was. Ik hockeyde op het Ignatiuscollege. Zowel binnen als buiten de zuil had ik sociale contacten. Dat was toen niet zo gewoon.

Ik ben opgegroeid in het Amsterdam-Zuid van de jaren vijftig en zestig. Die periode associeer ik met een strofe uit een mooi liedje van Kees van Kooten:

Buiten waait de wind om het huis,

binnen staat de kachel op vier,

de kolenkit paraat.

Soms loop ik nog weleens door die buurt. Vroeger leek alles veel groter. Het was leuk spelen aan het water van de kade waaraan we woonden. We voetbalden intensief op straat. Vanuit de ouderlijke woning keek ik uit op het plein van de katholieke lagere school waar ik heen ging.

Van de Jezuïeten kreeg ik een buitengewoon goede middelbare schoolopleiding, leerde er debatteren en zong in het koor. Op bruiloften en partijen wilde ik nog weleens in een band zingen. Daar heb ik mijn cabaret-kant ontwikkeld. Je toont dan emotie, het is prettig dingen van je af te zingen. Je kunt over mensen zeggen wat je op je lever hebt, dat mag ook best eens scherp zijn, zonder dat het grof wordt.

Het normen- en waardenpatroon waarin ik ben grootgebracht is klassiek met een hoge mate van respect voor anderen. Het mijn en dijn is ons zeer sterk ingeprent. De maatschappelijke onrust in de jaren zestig en zeventig heb ik niet actief beleefd. De barricaden zijn aan mij voorbijgegaan. Ik heb geen aandrang gevoeld er aan deel te nemen.

Jeannine heb ik leren kennen op een feestje in Leiden waar ik rechten studeerde en zij Frans. Het was bijna liefde op het eerste gezicht. We zijn getrouwd toen ik had gediend bij de luchtmacht. Onze relatie is zeer hecht. Tot nu toe is het altijd buitengewoon evenwichtig en harmonieus verlopen. Ik prijs me daar zeer gelukkig mee.

Vier ministers van Buitenlandse Zaken mocht ik dienen als persoonlijk secretaris. Chris van der Klaauw leerde me te relativeren, bij Max van der Stoel zag ik de enorme drive. Via Dries van Agt, die het ministerschap van Buitenlandse Zaken en het premierschap korte tijd combineerde, kreeg ik een prachtig kijkje in de keuken van de minister-president. Hans van den Broek stond voor vechtlust, ongeacht de tegenwind.

Het is plezierig geruisloos te functioneren in de corridors van de macht. Wat me opviel was dat de besluitvorming zo doodgewoon en soms knullig verloopt. Het is fascinerend om erbij te zijn. Het is zeer de moeite waard een gesprek van anderhalf uur met de Sovjet-minister van Buitenlandse Zaken Gromyko te notuleren op je bloknootje. Dat vond ik een heel boeiende wereld. Zonder dergelijke inkijkjes zou ik de overstap naar de politiek niet hebben gemaakt.

In het ambtelijk apparaat heb je als persoonlijk secretaris een stevige positie. Op één voorwaarde: je moet je niet gaan gedragen als minister. Als je die macht op je laat afstralen, gaat het verkeerd.

Van der Stoel en ik kwamen begin jaren tachtig na een zeer emotievolle vergadering in Angola aan in het Guest House. Daar stond de wastafels en de baden klaar, gevuld met water. Ineens hoor ik dat de stoppen eruit werden getrokken en verdween het water waar we twee dagen mee moesten doen.

Van der Stoel wilde de volgende dag zwemmen. Hij brak zijn arm, die ook nog eens uit de kom ging. Het werd niet goed behandeld en hij kon niets. Hij heeft kamervoorzitter Dolman gevraagd of het in orde was dat ik hem bijstond met de tassen en de stukken. Ik denk dat ik de enige ambtenaar ben geweest die ooit achter de regeringstafel heeft gezeten. Prachtig vond ik dat.

Norbert Schmelzer en Van den Broek benaderden me in 1985 of ik wilde solliciteren op de vacature van kamerlid voor het CDA. Een kamerlidmaatschap is de totale vrijheid. Anders zou ik derde of vierde man op een grote ambassade zijn geworden. Drie jaar eerder had ik bedankt voor het lidmaatschap van D66. Ik heb me verkeken op het vernis van die partij. Onder dat laagje van interessante intellectuele discussies zat geen ideologisch fundament. Dat heb ik bij het CDA wel gevonden.

De bijbel staat thuis in de boekenkast naast de eettafel. God is voor mij vertrouwen. Ik ben ervan overtuigd dat er een hiernamaals is, ik weet niet hoe het eruit ziet, maar ik associeer het met harmonie. Of er een hel is, ik kan het me nauwelijks voorstellen. Ik ben er niet bang voor eens te sterven. Als het maar niet onverwacht is en je gezin opeens alleen staat.

Ik heb niet gemerkt dat politieke macht erotiseert. Mijn relatie met Jeannine is heel erg hecht. Voor een christen-democraat vind ik huwelijkstrouw belangrijk. Ik kan alleen maar voor mezelf spreken. Partijgenoten die er een loopje mee nemen, zul je mij niet snel horen veroordelen. Je weet immers niet wat er in al die huiskamers gebeurt.

Het katholiek geloof is een vrolijk geloof, dat spreekt mij aan. Ik hoor weleens dat er mensen zijn die sceptisch aankijken tegen mijn religieuze beleving en activiteiten in de parochie. Het steekt me niet, in genen dele. Dat oordeel laat ik aan die mensen over. Ik beleef het zoals ik het beleef. Punt.

Bij de val van het CDA in 1994 was ik acht jaar een van de woordvoerders voor Buitenlandse Zaken. Het is nieuw voor mij dat Brinkman mij als fractievoorzitter wilde als hij minister-president was geworden. Hoe dan ook, ik heb me na zijn gedwongen vertrek in 1994 gekandideerd tegenover Ennëus Heerma. Ik wist dat ik het niet zou halen, maar er waren mensen die vonden dat het goed zou zijn als ik het toch deed. Bovendien is het goed als kamerleden iets te kiezen hebben.

In het persoonlijke vlak heb ik als vice-fractievoorzitter geen spanningen gekend met Heerma. In het weekend belden we elkaar van tijd tot tijd, ook nu nog. Het is waar dat ik verschillende keren niet op de hoogte was van wat hij op een partijraad ging zeggen of op een fractieweekend. Is dat zo erg? Ik ben niet iemand die zich daar geweldig over opwindt.

Ik verheel niet dat het een bepaalde periode tussen ons spannend is geweest. De commissie van vier was op zoek naar een lijsttrekker en ik was een van de betrokkenen. Dat wisten we van elkaar. Ennëus voelde zich er niet vrij om daarover te rapporteren.

De politiek is soms keihard. Brinkman en Heerma heb ik van nabij zien sneuvelen, dat zijn de tragische momenten. Ik ga er niet vanuit, maar houd er rekening mee dat het mij ook kan gebeuren. De politiek is niet veranderd sinds ik fractievoorzitter ben. Het is een kwestie van met zijn allen je uiterste best doen.

Ik geloof niet dat de christen-democratie sinds de jaren zestig afbrokkelt, een proces dat even is gestopt door het leiderschap van Lubbers en nu weer doorzet. Ik heb geloof en vertrouwen in de vitaliteit van het CDA-verhaal. Als er óóit een periode is geweest waarin er plaats is voor principiële politiek, dan is het nu. Je kunt deze tijd vergelijken met het vorige fin de siècle, toen vierde het consumentisme eveneens hoogtij.

Mijn ouders volgen intensief wat ik doe. Ik krijg ook adviezen van ze na een televisie-optreden. Ze attenderen me op bepaalde gewoonten, die ze herkennen uit mijn jeugd. Mijn vader trekt tijdens een gesprek ook aan zijn neus. Het zit in mijn genen. Soms lichten mijn ogen op tijdens een interview en glijdt er een glimlach over mijn gezicht. Natuurlijk dwaalt je aandacht weleens af; ik probeer hoe dan ook mezelf te blijven.

Ik blijf gewoon joggen, als ik dat niet doe gaat het niet goed met me. Mijn hond, een zwarte Labrador gaat soms mee. Olly is nu vijf jaar, maar speels als een hond van anderhalf. Daar houd ik wel van. Als ik iets van mijn hond gedaan wil krijgen, dan moet ik er een heel gesprek mee voeren.

Mijn Labrador als metafoor voor het CDA? Niet lang meer. Ik zal hard genoeg zijn om leiding te geven aan het CDA. In deze fase blazen we als oppositiepartij het stof af van de idealen die onder het zand zijn geraakt.

De discussie over het verkiezingsprogramma in mijn partij zal ik leiden. Maar als het straks is vastgesteld, dan moeten alle neuzen in dezelfde richting staan. Dan is het schouder aan schouder. Ik zal dan ook niet schromen tegen schouders en neuzen aan te duwen.

Als de partij straks heeft besloten, zo gaan we het doen, dan moet het debat afgelopen zijn. Ik denk dat ik daarin hard genoeg ben. Die hardheid zal ik niet in toon en houding uitstralen, maar ik zal het zijn. Mensen die buiten de boot vallen met andere standpunten en solo-acties wensen te ondernemen krijgen met mij te maken. Ze zullen ervaren dat eenheid en helderheid geboden is.

Het CDA is sociaal en rechtvaardig. Dat wil ik uitstralen tussen de andere lijsttrekkers. Het beste kunnen we dat waarmaken in de regering. Mocht het zo lopen dat we in de oppositie blijven, dan zul je me dat met verve zien doen. Ik ga voor een goed verkiezingsresultaat, maar ik noem geen getal. Wat de consequentie daarvan is weet ik inmiddels.

Ik ben iemand die haast nog meer gemotiveerd raakt als het slecht gaat. Zoals het het CDA jaren is vergaan, de machtigste en grootste partij zijn, de premier leveren, dat is niet zo moeilijk. Ik wandel in principe beter de berg op dan eraf. Nu loop ik berg opwaarts.

Meer over