'Het is eigenlijk heel' goed gegaan'

Belastingadviseur Paul (64) adopteerde 25 jaar geleden twee Colombiaanse straatjochies. 'We waren ons ervan bewust dat het niet altijd goed afloopt.'..

'Waar begin je aan? Je weet niet wat je in huis haalt', hoorden mijn vrouw en ik vaak toen we besloten hadden twee kinderen uit Colombia te adopteren. Het is waar, we wisten helemaal niets van ze. Alleen dat het broertjes waren van vier en zes jaar en dat ze 'negro' waren. Eigenlijk was het net als bij een bevalling, dan moet je ook maar afwachten wat je krijgt. Maar voor mij was er een belangrijk verschil: toen onze eigen kinderen werden geboren, mocht ik er pas op het laatste moment bij, en bij de komst van deze kinderen was ik van begin tot eind betrokken.

Mijn vrouw Joke en ik komen beiden uit een groot gezin. Toen Monique en Paul de luiers ontgroeid waren, bedachten we dat we misschien toch nog wel meer kinderen wilden. Langzamerhand kregen we het idee een kind te adopteren. Er zijn genoeg ouderloze kinderen op deze wereld en bovendien waren de bevallingen van Joke nogal zwaar geweest. Omdat we al flink in de dertig waren en het leeftijdsverschil met onze eigen kinderen niet al te groot mocht zijn, dachten we niet aan een baby maar aan een wat ouder kind. Na lang wikken en wegen leek het ons beter twee kinderen te adopteren, omdat naar ons idee de overgang naar een vreemd land dan minder groot zou zijn. Met z'n tweeën zouden ze zich sneller thuisvoelen. Monique en Paul waren dertien en elf toen we voor vijf weken naar Colombia gingen om kennis te maken met de twee jongetjes die ze ons hadden toegewezen.

Ernesto en Javier waren als vijf- en drie jarigen door hun moeder achtergelaten in een winkelcentrum. Ze kwamen eerst in een pleeggezin in Bogot terecht, maar daar zijn ze weggevlucht. Hun pleegouders hadden hen alleen in huis genomen vanwege de finan ciële vergoeding. Ze werden soms 's avonds laat uit bed gehaald om water te halen. Ook werden ze geslagen. Javier heeft nog steeds een litteken in zijn zij van een klap met een plank met een spijker. Voordat ze door de politie naar het kindertehuis werden gebracht, hebben ze een paar maanden op straat gezworven.

Met Ernesto, die al aan het wisselen was, moesten we onmiddellijk naar de tandarts omdat zijn gebit dreigde uit te vallen. Dat kwam waarschijnlijk door ondervoeding. Ook zaten ze onder de luizen. Daar waren we op voorbereid: we hadden stofkammen bij ons en we hebben ze ontluisd zoals mijn moeder dat met mij deed in de oorlog, met melk. Ze kregen pillen tegen de wormen maar later in Nederland, toen de huisarts hun voor de zekerheid een extra kuur had gegeven, kwam er nog een ongelofelijke hoeveelheid smerige troep uit hun opgezwollen buikjes.

Hoewel ik wat Spaans had geleerd, kon ik niet met de jongens praten omdat ze een onverstaanbaar dialect spraken. Hoe oud ze precies waren, was onduidelijk. De opgegeven geboortedata lagen zo dicht bij elkaar dat ze onmogelijk konden kloppen. We hebben die data meteen laten veranderen.

In Bogot huurden we een etage bij een Ne derlandse Shell-employé en zijn Colombiaanse vrouw. Ze waren een soort bemiddelaars tussen adoptieouders, kindertehuis, advocaat en de officiële instanties. De jongens zagen onze gastvrouw, 'tante Emilia', als hun nieuwe moeder. Zij kon immers met ze praten en, nog belangrijker, zij kookte mees tal het eten. Vooral bij Ernesto ging de liefde door de maag. Dat was wel moeilijk voor Joke, mijn vrouw. Ze accepteerden mij wel als vader omdat ik groot en fors ben, en daardoor sterk was in hun ogen.

Aan het eind van de kennismakingsperiode mochten ze van de raad voor de kinderbescherming zelf beslissen of ze met ons mee wilden. Alleen al dat we met het vliegtuig zouden gaan, was voor hen genoeg om volmondig 'si' te zeggen. Toen Ernesto een vriendje gedag zei, haalde hij als afscheidscadeautje een stuk kauwgom uit zijn mond dat hij van ons had gekregen. Zijn vriendje kauwde er zielsblij op verder. Tegen Emilia zei hij: 'Ik ga in Nederland geld verdienen en dan laat ik jou overkomen.' Een jaar later, tijdens een adoptiebijeenkomst in Nederland, herkende hij haar echter nauwelijks meer.

De garage van onze drive-in woning in Amstelveen hadden we verbouwd tot slaapkamer. Daar sliepen mijn vrouw en ik. De jongens kregen onze kamer. De laden onder het bed gebruikten ze soms, als ze geen zin hadden om naar de wc te gaan, om in te poepen. Het was heel moeilijk ze dat af te leren. Pas toen mijn vrouw hen er een keer link aan liet ruiken, hielden ze ermee op.

Bedplassen deden ze ook. Ze waren niet gewend aan stromend water en we konden ze niet aan hun verstand brengen dat het water echt niet op zou raken. Met als gevolg dat ze liters en liters water dronken, 'zolang het nog kon'. Elke ochtend waren ze nat tot aan hun nek. We hebben van alles geprobeerd, belletjes, plaswekkers, maar pas na jaren waren ze helemaal zindelijk.

Verder is het eigenlijk allemaal wonderbaarlijk goed gegaan. Onze twee oudste kinderen trokken veel met ze op, leerden ze steppen en fietsen. En hoewel vooral onze zoon Paul er soms wel moeite mee had dat hij iets minder aandacht kreeg, is er van grote jaloezie nooit sprake geweest. Ernesto en Javier voelden zich thuis bij ons. Ze hadden na tuurlijk ook veel steun aan elkaar. Na een paar maanden spraken ze Nederlands. Heel grappig, letterlijk van de ene dag op de andere gingen ze over van Spaans op Neder lands, ook onderling.

Adoptieouders neigen er nogal eens toe om een kind te overladen met aandacht, zeker als ze jarenlang ongewild kinderloos zijn geweest. Omdat wij onze liefde en zorg over vier kinderen moesten verdelen, was daar bij ons geen sprake van. De jongens werden gewoon opgenomen in ons gezin en we lieten ze zoveel mogelijk hun eigen gang gaan. Ik denk dat ze zich daardoor gemakkelijker konden aanpassen. We waren ons ervan bewust dat het niet altijd goed afloopt; het Colombiaanse adoptiekind van kennissen van ons heeft uit innerlijke onvrede (zijn moeder kreeg alsnog een baby) het huis in brand gestoken.

Het enige waar ik echt moeite mee heb gehad, was het voortdurende liegen en bedriegen. Het was normaal, het waren straatkinderen geweest en het hoorde bij hun overlevingsstrategie. Maar ik had wel de pest in als ze me weer eens belazerd hadden. Meestal ging het om kleine dingen. Werd ik meegetroond naar de ouders van een kind uit de buurt dat hen geslagen zou hebben, wat dan niet waar bleek te zijn.

Joke had haar baan opgezegd om er, zeker de eerste tijd, volledig voor de kinderen te kunnen zijn. Het was een volkomen nieuwe wereld voor ze. De kleuterschool was maar twee minuten lopen, maar ze hadden er vaak een kwartier voor nodig. Uitgebreid staan zwaaien naar de oudjes in het bejaardentehuis, stilstaan bij iedere nieuwigheid. Het verschil tussen het mijn en dijn moest ook geleerd worden. Ze kwamen met de gekste dingen thuis, gekregen dan wel meegenomen. We brachten alles terug naar de plek waar het vandaan kwam.

'Eigen' kinderen geven natuurlijk ook zorgen genoeg. Om onze dochter, die een behoorlijk wilde meid was vroeger, hebben we aardig wat angsten uitgestaan. Maar als je kinderen adopteert, weet je nooit of ze op een of andere manier erfelijk belast zijn. Ze kunnen een bepaalde geestesziekte hebben die pas op latere leeftijd tot uiting komt, of een neiging tot verslaving. Uit dankbaarheid dat we tot nog toe van die sores verschoond zijn gebleven, doneer ik elk jaar een bedrag aan een stichting die drugsvoorlichting geeft op scholen. Ernesto heeft een korte periode sigarettenpeuken gerookt die hij van straat raapte. Hij verbaasde zich over de grootte van de peuken en vond het zonde ze te laten liggen. Maar roken doet hij al lang niet meer, en hij drinkt zelfs geen alcohol.

Toen onze drive-in wat te klein werd, verhuisden we naar Mijdrecht. Daar merkte je soms wel iets van discriminatie. Werd er kattenkwaad op straat uitgehaald, dan kregen de jongens al gauw de schuld. Ernesto had op zijn verjaardag een cake meegenomen naar school om te trakteren. Hij was vergeten een mes mee te nemen en brak toen maar stukken van de cake af en deelde die uit. Dat was voor de juffrouw, die niet wist dat hij jarig was, reden om te denken dat hij die cake gestolen had.

Javier en Ernesto zijn (op papier) nu 29 en 31. Het gaat prima met ze en ik heb geen enkele aanwijzing dat ze blijvende schade hebben overgehouden van hun moeilijke eerste levensjaren, al weet je natuurlijk nooit wat er nog naar boven kan komen.

Ze hebben allebei werk dat ze leuk vinden. Javier is kok, dat wilde hij al worden vanaf zijn zesde, en Ernesto werkt op een wervings- en selectiebureau voor it-ers. Ernesto is getrouwd met een meisje uit Indonesië, dat ook geadopteerd is. Ze hebben een zoontje van een jaar. Javier heeft zijn Amsterdamse Britt, die eveneens in de horeca werkzaam is.

De jongens zijn alweer een tijdje het huis uit maar er is een hechte familieband, ook tussen de kinderen onderling. Ze hebben nooit behoefte gehad hun biologische ouders op te sporen.

Meer over