Het is bepaald niet druk op weg naar de hel

Klein Zwitserland in Luxemburg bestaat niet uitsluitend uit bomen en woeste rotsen. De streek is rijk aan paden en wandelaars stuiten vaak op overblijfselen uit oeroude tijden....

JOS KLAASSEN

Achter Vaals begint - ergens richting Monschau - de Himmelsleiter, de ladder naar de hemel. Maar waar ga je naar de hel? Sommigen menen: in het Luxemburgse 'Klein Zwitserland'. Om precies te zijn: in de buurt van het plaatsje Berdorf. Want daar ligt de ingang van l'Enfer, wat Frans is voor hel.

Het begint al te schemeren, als ik - op zoek naar de hel - het voorgeborchte inklim, de Binzeltschlëff. Het is een grillig rotsblok op wandelroute S2 van Müllerthal naar Berdorf. Het pad voert dwars door de doorkliefde Binzeltschlëff. Het is eind januari bepaald niet druk op de weg naar de hel. Geen mens, geen hond in de wijde omtrek.

l'Enfer moet op een punt liggen waar drie wandelroutes tezamen komen, bij een rotsmassief dat Raiberhiel heet, het Rovershol. Het Luxemburgse ministerie van Toerisme is bij het uitstippelen van de wandelwegen in Klein Zwitserland pijnlijk nauwkeurig te werk gegaan. Maar de entree van de hel is niet te vinden.

Het zal wel aan het katholicisme liggen dat er weliswaar met de hel wordt gedreigd, maar dat de weg erheen verborgen is. Uiteindelijk valt mijn oog op een paar houten treetjes - de opgang naar een spleet in de rotswand: l'Enfer, een kronkelende, duistere gang die minstens zestig meter diep in de rots dringt. Van arriverende zondaars geen spoor in deze spleet; wel van fladderende gevederde vrienden.

'Oer', noemt een jonge Nederlandse toeriste in Hotel des Cascades du Müllerthal de wilde natuur van Klein Zwitserland. Zij is diep onder de indruk van de enorme 'rotsen', die in werkelijkheid veelal uit zandsteen bestaan. De rotswanden geven de voor het overige nogal lieflijke Luxemburgse heuvels een wat dreigend aanzien.

Vooral als de ondergaande zon de grillige mergelformaties tussen de bomen bespeelt, wordt het Luxemburgse Klein Zwitserland fabeltjesland. De rotsen lijken prehistorische monsters, reuzen en spoken. Daar is dit stukje Luxemburg beroemd om.

De Luxemburgers cultiveren het fabeltjeskarakter van hun Klein Zwitserland bewust. Zo werd het Heringerslot, een ruïne op een acht meter hoge rots in de buurt van Müllerthal, speciaal blootgelegd, omdat er een jonkvrouwe Griselinde gewoond zou hebben, die haar vrijers in rotsblokken placht te veranderen. Anderen jokken dat de Tempeliers het slot bewoond hebben. Geen drinkebroers waren het geweest, maar roofridders, die de hoefijzers verkeerd onder de hoeven van hun paarden nagelden.

De naam Klein Zwitserland zou niet van de Luxemburgers zelf stammen. Nederlandse toeristen, voor wie Luxemburg in de 'romantische' negentiende eeuw een van de belangrijkste trekpleisters was, doopten dit schitterende natuurgebied zo.

Dat zij het heuvelachtige hart van Luxemburg als een Zwitserland in het klein beschouwden, was trouwens een beetje de geest des tijds. In de negentiende eeuw was het bij rijke Engelsen mode om hun vakanties in het grote Zwitserland door te brengen. Voor Nederlanders was dat te hoog gegrepen.

Waar de Britten de massieve Jungfrau en Mönch bewonderden, dwongen de Luxemburgse rotsblokken Predigtstuhl en Raiberhiel al respect af bij de Nederlanders. Overigens was Luxemburg indertijd niet het enige land met een Klein Zwitserland; ook het Duitse Saksen en Franken lokten met dat keurmerk toeristen naar hun heuvels.

Volgens de mevrouw van de VVV in Echternach trekt het Luxemburgse Klein Zwitserland jaarlijks ruim 70 duizend toeristen uit Nederland. 'Er komen tegenwoordig meer Hollanders dan Flamands', gelooft ze. Niet voor niets is er zelfs een wandelroute Hollande-Méditerranée.

Met een rondrit van ongeveer 35 autokilometers - Echternach, Berdorf, Beaufort, Müllerthal en Consdorf vice versa - heeft men de streek 'gedaan'. Maar wie zo het Luxemburgse Klein Zwitserland bezoekt, ontgaat het meeste. Dit heuvelland is een van de mooiste wandelgebieden op nog geen dagreis van Nederland. Elk stadje of dorpje van La Petite Suisse Luxembourgeoise is de uitvalsbasis voor langere en kortere wandelingen.

Zij kunnen naar believen worden verlengd, omdat elke route op tal van punten aan andere aanknoopt. Er zijn ook zogenoemde auto-wandelroutes, dat wil zeggen: de parkeerplaats waar men zijn wandeling begint is tevens het eindpunt ervan. Terwijl de gewone wandelroutes met letters worden aangeduid, zijn de auto-wandelroutes met cijfers aangegeven.

De M-wandelroute wordt beschreven als 'een van de mooiste'. De tocht, negen kilometer lang, begint bij de Schiessentümpel, Luxemburgs grootste en meest gefotografeerde waterval bij Müllerthal. Negen enorme rotsen liggen op dit traject.

Het is geen gemakkelijke piste. De meeste wandelingen in Luxemburgs Klein Zwitserland zijn trouwens ruiger dan bijvoorbeeld de tochten over de aangeharkte paden van het Duitse Zevengebergte. De paden in het Luxemburgse natuurgebied zijn smal. Vaak gaat het trapjes op, trapjes af. Soms gaat het avontuurlijke pad door de smalle kloof van een rots, zoals de 35 meter hoge Goldfralay.

Indrukwekkender is de S1-wandeling van Müllerthal naar de 'hel' van Berdorf. Terwijl de M-route langs de verharde verkeersweg loopt, is de S1-route 'puur natuur'. Op het gehakketak van de spechten na heerst er een stilte, die pas bij de Raiberhiel doorbroken wordt door een beekje, dat geweldloos in de richting van de rivier Ernz Noire spoelt.

De wandelaar in het Klein Zwitserland van Luxemburg hoeft niet uitsluitend tussen bomen en woeste rotsen te wandelen. In sommige dorpjes langs de route zijn overblijfselen te zien van de zeer oude geschiedenis van de streek. In de kerk van Berdorf staat bijvoorbeeld een vierkante steen, daterend uit de Romeinse tijd. Op de steen, die als altaar wordt gebruikt, zijn de portretten afgebeeld van de Romeinse goden Apollo, Hercules, Minerva en Juno.

Ten zuiden van Müllerthal, in de buurt van Blumenthal, werden in 1935 de stoffelijke resten gevonden van 'de oudste inwoner' van Luxemburg - een man uit het Stenen Tijdperk, die er ooit tezamen met zijn oeros omgekomen moet zijn. Bij de rots 'Löschbur' in de buurt van Heffingen zijn prehistorische rotstekens te zien, die menselijke figuren zouden voorstellen.

Als er niets prehistorisch te bezichtigen is, is er altijd wel ergens een middeleeuwse burcht in de buurt. En in het dorpje Hersberg staat 'de dikste eik' van Luxemburg. In Christnach tenslotte liggen de restanten van een Romeins landhuis.

Het rare is dat bijna alle dorpjes, gehuchten en stadjes in Klein Zwitserland pretenderen het hart van de streek te zijn - zelfs Echternach, dat eerder aan de rand ligt. Vanuit Echternach werd het noorden van Europa gekerstend. Sint Willibrordus, de man die daarvoor verantwoordelijk is, ligt in de basiliek van de oude abdij begraven. De basiliek en grote delen van Echternach werd tijdens het Ardennenoffensief van Von Rundstedt grotendeels verwoest. Wat er nu te zien is, is een restauratie van de vroegere pracht en praal.

Willibrordus was eigenlijk een beeldenstormer avant la lettre. In zijn christelijke ijver liet hij alles vernietigen dat aan heidense cultuur kon herinneren. In plaats daarvan ontstond een Willibrordus-cultus. Talrijke bronnen in Luxemburg zijn naar hem vernoemd, en er schijnen zelfs nog lindebomen te bestaan die de sint persoonlijk zou hebben geplant.

Echternach heeft ook faam verworven met zijn springprocessie op Pinksterdinsdag, die volgens de geleerden van heidense oorsprong is. De gedanste processie van de Echternachers voor de god van Willibrordus zou niets anders wezen dan de vroegere heksendans.

Marcel Simon, de kroniekschrijver van Echternach, herinnert zich dat er vijftig jaar geleden nog een 'heksenhuisje' in de bossen bij zijn vaderstad stond. Simon: 'De verhalen van onze stad zijn doorspekt met heksen en spoken.' Spelende kinderen hebben het huisje van de heks gesloopt, vertelt hij.

Ook de ontdekking van het graf van een holenmens werd een fiasco. De arbeiders die aan de mini-spoorweg Charly werkten, hadden de historische vondst al kort en klein geslagen voordat de plaatselijke archeoloog de boel had kunnen onderzoeken. En, klaagt Marcel Simon, nooit is de Romeinse nederzetting, die Echternach ooit geweest moet zijn, serieus onderzocht.

Restaurant Le Petite Poète op het Marktplein maakt opmerkzaam op zijn Kuddeleflék, ossemaag - een van de specialiteiten van Luxemburg en een 'broertje' van de Duitse Saumagen, het lievelingsgerecht van Helmut Kohl.

De plaatselijke boekhandelaar, praatgraag na een koppige pinot blanc, gelooft niet in heksen, kobolds en monsters. Hij vertelt wel over een Echternachse burger, die beweerd zou hebben ooit de duivel te hebben ontmoet - niet in l'Enfer bij Berdorf, maar in New York. Die Echternacher heette korporaal Johann Dell alias Asich.

Volgens de boekhandelaar had Asich gediend in het Nederlandse leger op Java. Asich keerde naar Echternach terug met allerlei verhalen waarin hij de held speelde. Zo had hij een slang die een heel Javaans dorp in paniek zou hebben gebracht, eigenhandig de keel doorgesneden. Echternach herinnert zich ook zijn verhaal, dat hij een haai met een bijl op de vlucht had gejaagd. Want Asich was voor de duivel niet bang.

Meer over