Het hopeloze verlangen terug te keren naar een verdwenen vaderland

Over:..

Er vielen zwaar beladen woorden de afgelopen week in de bloedige confrontatie tussen Israël en Hamas. De Israëlische onderminister van Defensie, Matan Vilnai, dreigde de Palestijnen in Gaza met een ‘shoah’; een uitgelezen kans voor Hamas-leider Meshaal en PLO-president Abbas om de aanvallen van het Israëlische leger in Gaza – waarbij naar schatting 120 doden, de helft burgers, vielen – gelijk te stellen aan de holocaust. Net dit weekend opende het Tropenmuseum in Amsterdam een expositie over wat sommige Palestijnse politici ‘de Palestijnse holocaust’ noemen, de nakba, de ‘catastrofe’ van de verdrijving in 1948.

Op die tentoonstelling – foto’s en gefilmde interviews met oude Palestijnen die zestig jaar geleden zijn verdreven – is te zien en horen hoe het drama van de afgelopen week ook al weer is begonnen. Het zijn de persoonlijke drama’s van gewone burgers vermorzeld door de wereldgeschiedenis, van onbegrepen verlies en een verlangen naar een terugkeer in tijd en plaats in het besef dat het onmogelijk is. Die ‘herinneringen aan een verdwenen vaderland’ (de titel van de expositie) zijn de afgelopen jaren geregistreerd door het nakba Archive, een historisch project gevestigd in Beiroet, waaraan de universiteiten van Oxford en Harvard meewerken (nakba-archive.org).

Maar alles is omstreden in het Israëlisch-Palestijnse conflict. Elk verhaal wordt gewantrouwd. De geschiedenis staat bol van verzwijgen, overdrijven, insinueren, over en weer beschuldigen. De propagandaoorlog heeft de geschiedschrijving overstemd. Op de tentoonstelling moet je voor de controverse naar de computer op de gang, waar een dossier valt te raadplegen met de zeer uiteenlopende visies op de vraag: waarom zijn honderdduizenden Palestijnen in 1948, bij de stichting van de staat Israël, weggevlucht?

Maar eerst de verhalen.

Zelfs de persoonlijke herinneringen van oude mensen ontkomen niet aan lichte argwaan: ook op deze tentoonstelling waar hun verhalen met opzet alle aandacht krijgen, is de tekst voorzichtig: ‘Kamleh Daher vertelt een massa-executie te hebben aanschouwd.’

Tekenend is de tekst bij de foto van de bejaarde Fawzi Muhammad Tanji. Die beweert dat hij getuige is geweest van hoe Joodse soldaten honderd Palestijnse mannen afslachtten in al-Tantura, een kustplaats in het noorden van Israël. Maar het bijschrift meldt dat een student, die deze zaak in een scriptie had beschreven, in 1998 was aangeklaagd door betrokken ex-soldaten en dat de rechter oordeelde dat er geen bewijs was voor de misdaad.

Deze foto zit in een serie van de Amerikaan Alan Gignoux. Hij portretteerde vluchtelingen en plaatste er een foto bij van de plek waarvan ze zijn verdreven, zoals die er nu bij ligt. Al-Tantura is nu een vakantieoord en archeologisch museum. Dat maakt het verdriet en ook de hopeloosheid ervan heel zichtbaar. Gignoux baseerde zich bij zijn zoektocht op de studie van de Israëlische historicus Benny Morris. Want die deed baanbrekend onderzoek naar het geweld door de Joodse milities en soldaten bij de verdrijving van de Palestijnen uit Israël.

Morris bracht een verdrongen, gewelddadige kant van de Israëlische geschiedenis naar boven; hij brak met het heroïsche beeld van een jonge natie die van de Verenigde Naties een gebied hebben toegewezen gekregen maar dat meteen moest bevechten op een gigantische overmacht aan Arabische buurlanden.

Maar Benny Morris is ook controversieel, en om meer dan een reden. Zijn boek uit 1988 brak met twee dogmatische visies: de Israëlische dat de Palestijnen zelf waren vertrokken op aanraden van de Arabische landen die dachten de jonge Joodse staat te zullen verpletteren, waarna de Palestijnen konden terugkeren; en de theorie die in de Arabische wereld dominant was geworden dat de zionistische politici en hun knokploegen een vooropgezet plan hadden om alle Palestijnen met terreur te verdrijven en de oorlog van 1948 aangrepen om die etnische zuivering te volvoeren. Morris stelde dat er geen plan was, maar dat door de omstandigheden van de burgeroorlog plaatselijk etnische zuiveringen en terreur tegen de bevolking aan de orde van de dag waren. Hij kreeg van beide zijden felle kritiek.

In 2004 raakte hij opnieuw in opspraak door een opzienbarend interview in het liberale dagblad Haaretz. Hij had zijn boek bijgewerkt met nieuwe gegevens en er waren meer slachtingen, meerverdrijvingen, meer verkrachtingen en bewijzen dat sommige Joodse commandanten opdracht tot etnische zuivering hadden gegeven. Maar, zei Morris er nu bij, die harde campagne tegen de Palestijnse bevolking was nodig, gruwelijk, maar het kon niet anders, een Joodse staat was er zonder die geweldscampagne van 1948 niet gekomen. Soms moet je oorlogsmisdaden plegen om een ideaal te verwezenlijken, zei hij tegen een diep geschokte interviewer. Bij de moordpartijen vielen in totaal 800 doden, ‘vergeleken bij Bosnië, peanuts’. Sindsdien is hij ook bij de Israëlische vredesbeweging uit de gratie.

Hoe gigantisch de onenigheid over de nakba is, blijkt bij een uitstapje naar Wikipedia. De vrije encyclopedie op internet blijkt midden in een ingewikkelde discussieprocedure over de lemma’s rond de nakba, bijvoorbeeld de kwestie ‘wat waren de oorzaken van de exodus van de Palestijnen’. Zestig pagina’s beslaat het onderwerp al, en alle visies komen allereerst aan de orde en alle debatten en controversen. Maar toch staat er het waarschuwingsblokje boven: ‘De neutraliteit van deze teksten wordt betwist.’

De nakba ligt ook gevoelig in de Arabische wereld. Zo vertelt een ooggetuige op de tentoonstelling verontwaardigd hoe de Arabische legereenheden in zijn dorp de gewapende Palestijnse mannen sommeerden hun wapens in te leveren. Dat zou de opdracht zijn van de Jordaanse koning Abdullah. De oude man spreekt de naam van de koning nog altijd met misprijzen uit. Toen de Joodse soldaten kwamen, werd het dorp gewoon aan hen overgeleverd.

Al Jazeera (english.aljazeera.net) bouwt de afgelopen weken aan een dossier met stukken over de traumatische nederlaag van de Arabische landen in 1948, de grote misrekening, het verraad volgens sommigen. De Arabieren verwierpen immers het VN-plan voor een tweedeling van Palestina, waarna de Joden een nog groter deel van het land veroverden en Israël stichtten op 14 mei 1948. In het dossier wordt ook beschreven hoe de Joden uit de Arabische landen werden verjaagd. Kwesties waarop een taboe rust.

Zit er dus eindelijk beweging in de discussie over de pijnlijke geschiedenis? Een half jaar geleden veroorzaakte de Israëlische minister van Onderwijs Yuli Tamir opschudding door in geschiedenisboeken voor Palestijnse kinderen in Israël de nakba op te laten nemen. Rechtse parlementariërs vonden het ‘politiek masochisme’, Arabische vonden dat ook Joodse leerlingen over de nakba moeten horen.

Op een website waar verzoenende artikelen worden verzameld, commongroundnews.org, doen Dan Bar-On en Saliba Sarsar een moedig voorstel: de Arabieren verdiepen zich in de holocaust en de Israëli’s in de nakba. Maar zonder die te vergelijken, gelijk te stellen of tegen elkaar af te wegen. Israëli’s vinden dat moeilijk omdat ze vrezen dat de Palestijnen aan erkenning van de nakba het recht op terugkeer ontlenen; Arabieren zien de holocaust als voorwendsel voor hun verdrijving. Begrijpelijk vinden de auteurs, en toch kan een doorbraak alleen beginnen met dialoog over deze, de zwaarste, onderwerpen.

Wim Bossema

Meer over