Het heden als de toekomst

Zodra aan de fundamentele levensbehoeften is voldaan, tracht de mens over de horizon van de tijd heen te kijken. Maar daarbij ontkomt hij niet aan de waan van de eigen dag....

Zelfs knappe mensen ontkomen daar niet aan. Neem Jaap van den Herik, hoogleraar informatica aan de Universiteit Maastricht. Hij heeft vastgesteld dat de capaciteit van onze computers elke achttien maanden verdubbelt. Vooralsnog duidt niets erop dat het in de toekomst anders zal zijn. Ergo: de mens is veroordeeld tot een figurantenrol in het technologisch spektakelstuk van de nabije toekomst.

Straks zullen juridisch onderlegde robots een onverbiddelijke rechtsgelijkheid opleggen, zullen zij 's lands bestuur van een ongekende consisentie voorzien, en zullen zij elk voetbalelftal van de mat spelen. En alsof dat nog niet vreesaanjagend genoeg is: de computer is niet ongevoelig voor schoonheid en liefde. Hij zal alleen geen relatie met God kunnen onderhouden. 'Die bevindelijkheid valt niet te programmeren', denkt Van den Herik.

Maar waarom zouden ze ook? De mens - de bekroning van Gods schepping - is immers onttroond. En hij zal het lot delen van al die 'lagere soorten' waarover hij zelf heeft geheerst. In het beste geval is er voor hem de status van huisdier weggelegd. 'Ik vind het jammer voor mijn (achter)kleinkinderen, en ik ben blij dat het mij niet overkomt', geeft Van den Herik toe. 'Maar we moeten er ook weer niet al te dramatisch over doen.'

Van den Herik poneerde deze stelligheden als gast van de televisieserie Een Geweldige Tijd! Hierin gaven vertegenwoordigers van diverse wetenschappelijke disciplines ongeremd bespiegelingen ten beste over de verwachte ontwikkelingen van hun vakgebied. Ze werden hierbij niet weersproken door moraalridders of realisten, en schuwden de groteske uitvergrotingen van de Spitzentechnologie dan ook niet. Het resultaat sprak zodanig tot de verbeelding, dat programmamaker Paul Witteman en wetenschapsjournalist Maarten Evenblij er een bundel van hebben samengesteld.

Onder hun gesprekspartners overheerst het vertrouwen in wetenschap en techniek. Zo voorziet Ton Logtenberg, hoogleraar immuno-biotechnologie aan de Universiteit Utrecht, dat de mens straks een gemiddelde leeftijd van 'honderd, honderdtwintig jaar' zal bereiken. 'Dan ga je met je zestigste met de vut en dan heb je nog zestig jaar om leuke dingen te doen.'

Verder uitstel van de dood zit er niet in. Zelfs niet als de biotechnologie zich in het tempo van deze geweldige tijd blijft ontwikkelen. Met stamceltherapieën kan weliswaar het hoofd worden geboden aan tal van uitvalsverschijnselen, een volledige regeneratie van het menselijk lichaam zal nooit tot de mogelijkheden behoren. Uiteindelijk zullen wij ons niet kunnen wapenen tegen de afname van het aantal celdelingen, slijtageverschijnselen en de ophoping van afvalstoffen.

Volgens Christine van Broeckhoven, moleculair geneticus aan de Universiteit van Antwerpen, staat alleen het oorlogsverleden de ontplooiing van de eugenetica nog in de weg. Maar deze scrupules kan de wetenschap zich niet meer veroorloven. Van de biologische processen die zich in de hersenen voltrekken, is immers pas 10 procent in kaart gebracht. Met een volledige regeneratie van het brein houdt ook zij overigens geen rekening. Wel met het Robocop-scenario: een revitalisering van lammen en doven door het implanteren van chips.

Of toekomstige generaties wetenschappers daarbij gebruik kunnen maken van de ervaringsvoorsprong van buitenaardse collega's, is volgens Vincent Icke - hoogleraar astrofysica aan de Universiteit Leiden - erg onwaarschijnlijk. Dat elders in het onmetelijke heelal intelligenter leven kan worden aangetroffen, lijkt hem evident. Het is echter twijfelachtig of wij blij moeten zijn met bezoek van buiten. 'Voor een beschaving die zo intelligent is dat ze de problemen om hierheen te komen, kan oplossen, zijn wij niet veel meer dan een uitbreiding van de slijmlaag van de aarde. Als ze hier komen, denken ze vast: daar heb je er weer zo'n slak.'

Maar niettemin: ook Icke meent in een fantastische tijd met onbegrensde technische mogelijkheden te leven. Bij die notie plaatsen alleen de strafrechtdeskundige Eugene Sutorius en de hoogleraar wijsbegeerte Hans Achterhuis fundamentele kanttekeningen. De eerste vreest dat de wetenschap verder in de ban raakt van het economisch denken, en de menselijke perfectie in de etalage zet.

Daarmee zou ze, aldus Sutorius ontkennen dat 'tegenspoed, tegenslag, weerstand, lijden, gewoon deel uitmaken van het leven. (. . .) Ik ben niet voor het lijden, maar tegen de ontkenning daarvan.'

Wat Achterhuis betreft, is het geschetste scenario al actueel. De modale onderzoeker lijkt zich hoegenaamd niet door morele overwegingen te laten leiden: wat technisch mogelijk is, houdt die per definitie voor wenselijk.

Maar over één kwaliteit beschikt de mens hoegenaamd niet, meent Icke. Namelijk: fantasie. 'Het valt me op dat mensen die beweren dat ze door een ruimteschip zijn opgepikt en terugkomen met verhalen hoe die ruimtewezens eruit zien, altijd komen met twee benen, twee armen, een koppie en grote ogen. Je kunt het zo gek niet bedenken, maar ze zullen absoluut niet op ons lijken.'

Dat manco speelt ook de gasten van Paul Witteman parten: zij redeneren nog te veel vanuit de werkelijkheid. Maar dat is ook het enige wat je op het informatieve boekje zou kunnen aanmerken.

Meer over