HET GROTE HUIS IN MEDAN

De Medan Muziek School bestond vijftig jaar, wat een reünie van familieleden en oude vrienden tot gevolg had. 'Sui Lin....

door Pay-Uun Hiu

'O, Kian Pin! En je was nog zó verliefd op d'r!'

Maxi's stem schiet van puur plezier regelrecht door het plafond van de Indonesische toko in Plaza Deli. Maxi is niet wat je het prototype van een onopvallende, volgzame Aziatische vrouw noemt. Dat was ze vroeger al niet, zegt m'n vader. Een tomboy, altijd rennen door de muziekschool van haar moeder.

'Nou, herken je haar echt niet?'

Mijn vader kijkt verlegen naar de foto die Maxi hem gaf.

'Ach', zegt hij met een afwezige glimlach. 'Sui Lin. Ze is mooi geworden.'

'Je vader', zegt Maxi tegen mij, 'studeerde viool in Amsterdam en Sui Lin was één van de eerste pianoleerlingen van mijn moeder hier in Medan. Zij ging naar het conservatorium in Brussel. Je vader en zij waren natuurlijk allebei hartstikke eenzaam daar.'

Dit is duidelijk een vóór-mijn-tijd verhaal. Dus vóór 1960, toen ik geboren werd, en na 1955 toen mijn vader - zeventien jaar oud - naar Nederland kwam. Na vier dagen Medan duizelt het me van namen, familieleden en gebeurtenissen. Ik probeer ze allemaal te plaatsen, maar data en jaartallen zijn hier gewoonlijk flexibel. Rubberen tijd, noemen ze dat.

'Je bent zo Europees', zegt m'n vader. 'Je wil altijd alles precies weten.'

Maxi is, net als ik, half-Europees. Alleen groeide zij wel op in Medan. Haar vader Max Lemye was Belgisch consul in Indonesië. Haar moeder, die afwisselend in Brussel en Medan woont, is de dochter van Tjong A Fie, de beroemdste, machtigste en rijkste Chinees van Medan aan het begin van de twintigste eeuw. Hij liet aan de drukke winkelstraat, de Kesawan, het Grote Huis bouwen, waar hij met zijn hele familie woonde en mevrouw Lemye in 1948 de Medan Muziek School begon. Daar gaf mijn vader als jongen van vijftien zijn eerste vioollessen en had mijn oom Kian Sin pianolessen van mevrouw Lemye. Ondertussen huppelde Maxi door het huis, 's nacht bang voor de spoken bij het huisaltaar. En ook nog net te jong om met mijn vader en de muziekschoolstudenten op te trekken.

Ze hebben elkaar weer ontmoet, mijn vader en Maxi, jaren later. Toen zij allang in Brussel woonde en een aankondiging zag van een concert dat mijn vader dirigeerde. En nu is ze, net in dezelfde week als wij op familiebezoek zijn, in Medan voor het vijftigjarig jubileum van de Medan Muziek School.

Mijn vader en ik moeten het Grote Huis zien, heeft Maxi bedacht. Maar eerst moeten we eten. Volgens haar is dat het enige wat je in Medan kunt doen: eten en winkelen. 'Het is hier wat properder geworden', zei ze al in de auto, 'maar Medan blijft Medan. Half duister. Niemand weet wie op welke manier hier rijk wordt.' Maxi woont ook al jaren in Brussel.

Dus verplaatsen we ons van het ene restaurant naar het andere warenhuis, waar natuurlijk wederom restaurantjes zijn. En we verplaatsen ons voornamelijk per auto. In Medan wordt nauwelijks gewandeld. Het mediterrane slenteren, volta-volta rond de kerk en dan een pastis of ouzo op het terras, is hier volkomen vreemd.

Je gaat naar een restaurant om te eten en wanneer het eten op is, ga je weg. Blijven zitten met een glaasje cognac, en nog één, en nog één, is ondenkbaar. Je gaat een winkel in om te kopen en als je niks wilt kopen, heb je er niks te zoeken. Ik heb nooit Chinees geleerd, maar misschien is het waar wat Amy Tan in De vrouw van de Keukengod schrijft: dat Chinezen geen woord hebben voor 'hobby'. Geen woord voor deze typisch westerse vorm van geld- en tijdverspilling.

Maar het is niet alleen die hang naar doelmatigheid. Wanneer we in de auto zitten, gaan meteen alle deuren op slot. De huizen zijn van onder tot boven betralied. Achter elk slot zit een ander slot. Minibusjes, gemotoriseerde riksja's en zelfs taxi's zijn voor ons taboe. De vrouw van mijn vaders oudste broer Kian Jin, bij wie we logeren, maakt er een hele horrorshow van. We mogen ab-so-luut niet met de taxi, zegt ze tegen mijn vader in het Chinees, want we worden beslist beroofd, vermoord en verkracht. En 's avonds, voor ze gaan slapen, rijden ze (bij gebrek aan garage) de grijze vierdeurs-Honda de keuken in.

We lópen niet naar het geboortehuis van mijn vader, we rijden erlangs. Wel dertig keer in acht dagen. Elke keer wanneer we door de Kesawan rijden, wijst mijn oom Kian Jin weer naar de foeilelijke rode gevel waarop met zwarte letters 'Iseya Chicken Buffet' staat. 'Kijk, hier was onze apotheek, hier is je vader geboren.'

Autorijden in Medan zou in een vakantie-brochure waarschijnlijk worden aangeprezen als een 'sportieve outdoor-ervaring' - iets wat voor de meeste Aziatische steden geldt. Maar mijn oom Kian Jin en zijn Honda maken er werkelijk iets bijzonders van. De kilometerteller is kapot en dat geeft helemaal niets want mijn oom verstaat de kunst héél langzaam te rijden. 'Dan is het ook nooit erg als je een ongeluk krijgt', vindt hij. Doof voor het getoeter om hem heen perst hij zich traag, maar doortastend naar links of naar rechts door de verkeersstroom. Bovendien rijdt iedereen hier links (ik verwachtte dat niet in een voormalige Nederlandse kolonie), wat de gedachte aan een absurdistisch wonderland alleen maar versterkt.

Toegewijd blijft mijn oom wijzen en noemt daarbij steeds de oude straatnamen: de Hakkastraat, waar later de apotheek en de drogist van mijn grootvader waren; de Kerkstraat met Restauran Ria, voorheen bioscoop Rex; de Wilhelminastraat; de Oranje Nassaustraat en de Sportlaan (nu Jalan Tanjung Pura). Daar woonden ze vroeger met de hele familie. En niets in die drukke straat met vieze markttentjes en haveloze huizenblokken herinnert eraan dat hier ooit een chique laan was met veel groen en royale, smetteloos witte bungalows. Waar de apotheek was, is nu een vestiging van Yamaha-motoren. Aan de gevel, waarop een halve eeuw geleden met trotse letters en karakters 'Hiu Ngi Fen's Trading Co.' stond, hangt nu een schreeuwende sigarettenreclame.

Medan is een hedendaagse stad waar ik nooit eerder ben geweest. Ik leer de stad kennen zoals die nu is: veel verkeer, lawaaiige brommerriksja's, volle busjes, hoge nieuwbouw, McDonald's en Burger King. Tegelijkertijd reis ik door een virtueel Medan, het Medan van meer dan een halve eeuw geleden, waar mijn vader en zijn broers kind zijn geweest, de stad waar mijn grootvader in 1913 naartoe ging en 64 jaar later werd begraven.

Er zijn sporen gewist en er zijn littekens gebleven. Medan heeft een verleden waaraan het niet herinnerd wil worden. Althans, aan het gedeelte dat samenhangt met de Nederlandse overheersing. Toch zijn de tastbare overblijfselen van die periode nog steeds gezichtsbepalend voor de stad en representatief voor de toenmalige koloniale architectuur. Los van de politieke context zou je zelfs kunnen zeggen dat Medan, dat niet voor niets het 'Parijs van Sumatra' werd genoemd, een groot deel van zijn charme dankt aan het werk van Nederlandse architecten als Han Groenewegen en Ed. Cuypers. Bovendien zijn het vaak deze (merendeels openbare) gebouwen waar collectieve en individuele herinneringen elkaar raken.

Dat is ook de toeristenbranche niet ontgaan. Het kleine reisbureautje Tri Jaya van de Nederlandse historicus Dirk Buiskool en zijn Chinees-Indonesische vrouw Diana, organiseert tochten langs de oude gebouwen in Medan en omgeving. Het principe is eenvoudig: op aanvraag staan een chauffeur en auto gereed, in een klein handzaam boekje staan vier routes met korte historische beschrijvingen van de gebouwen. Van die geschiedenis weet de chauffeur niet veel, maar dat is in de meeste gevallen ook niet nodig. Oud-Indië-gangers hebben genoeg aan hun eigen herinneringen en mijn vader en ik hebben oom Kian Jin.

'Hier is de Esplanade', zegt oom Kian Jin ten overvloede, want we zijn er al vaak genoeg langs gereden. Zo vaak, dat ik de huidige officiële naam (Lapangang Merdeka) maar vergeet. 'Ik heb Soekarno hier nog gehoord', vertelt m'n vader. 'Hij begon heel zachtjes, maar dan werd hij steeds heftiger en sneller en aan het eind riep hij Merdeka tetap! Als een mitrailleur.'

Hotel de Boer, knikt mijn oom bij het huidige hotel Dharmi Deli. 'Op Koninginnedag sprongen de planters in de fontein.' Oom Kian Jin blijft goedkeurend knikken, bij elk koloniaal gebouw. 'Echt oud gebouw. Zie je. Heel sterk. Echt heel degelijk.' Deli Spoorweg Maatschappij: 'Dit moet wel honderd jaar zijn. Moet je zien, zo sterk.'

Bioscoop Rex, nu Restauran Ria, met nog steeds de aan de Amsterdamse School verwante, strakke lijnen. Daar ging mijn vader stiekem met zijn broer Kian Sin cowboyfilms kijken. Altijd de goedkoopste kaartjes op de voorste rij, 'klasse gambing', de geitenklasse. Daar speelde in het voorprogramma Boris Marieff, de vioolleraar van mijn vader. En wanneer hij het langzame deel van Mendelssohns Vioolconcert speelde, was dat het aller-, allermooiste van de hele wereld.

Ik loop met m'n vader een stukje op de oude hangbrug over het spoor. 'Goh, hier ben ik nou nog nooit op geweest', zegt hij. 'Dat is niet waar!', zeg ik stomverbaasd. 'Hoe kan dat nou, je broer vertelde me nog dat hij er altijd keihard vanaf fietste met jou achterop.' Mijn vader trekt z'n sfinxengezicht en kijkt me aan. 'Hmm. Ja. Nu je het zegt.'

Er is veel wat mijn vader niet meer wil weten en zijn geheugen is een bereidwillige medeplichtige in het verduisteren van ongewenst materiaal. Maar daarvan is geen sprake in het Grote Huis van Tjong A Fie.

'Kian Pin, weet je dit nog?', roept Maxi. Ze staat bij een deur met een hoge drempel. 'Dit is tegen de spoken', legt ze me uit, 'die kunnen hier niet overheen stappen.' Mijn vader weet het nog allemaal. Hij loopt door het huis, kijkt naar de muren, de deuren, de trappen en de vierkante binnenplaats waaromheen de vier zijden van het huis zijn gebouwd. De straatgeluiden worden door het verleden gefilterd en lijken heel ver weg.

'Dit was de grote hal', zegt hij in een hoge kale ruimte met plechtstatige zwartomrande half-ovalen ramen en een nog altijd glanzende authentieke tegelvloer. Onder een enkele kroonluchter staat een eenvoudige houten piano, de deksel op slot. 'Hier stond de vleugel, en werden de concerten gegeven. Hier heb ik nog gespeeld.' Er wordt niet meer gespeeld. Het huis is van zijn luister ontdaan. Verf bladdert af, de originele wandschilderingen zijn verbleekt, de Chinese antieke meubels verkocht. In het dak nestelen vogels. 'Geluksvogels', zegt Maxi. 'Ons huis is het enige waar deze vogels uit zichzelf gekomen zijn en dat brengt geluk. Zeggen ze.'

Tussen de tuin en de straat staat nog de oude poort; de versieringen op de nokbalk weliswaar beschadigd, maar nog intact. Het kleine deurtje in de poort staat open. En over de hoge drempel sijpelt de tijd.

Meer over