Het Groene Hart als verzinsel

Het is de Maand van het Groene Hart. Het ‘open’ gebied tussen de vier grote steden, ‘de binnentuin van de Randstad’, moet een Nationaal Landschap worden....

Een zilverreiger strekt zijn lijf alsof hij iets wil zeggen. Het wit van zijn sierlijke hals glinstert in het grauwe groen van het boerenland, dat als een tapijt tot aan de horizon is uitgerold. Wat zou hij zien? De bebouwing van Wilnis, een meter of vierhonderd naar links? Die twee of drie boerderijen? Die voortboemelende tractor op de provinciale weg naar Woerdense Verlaat?

De zilverreiger heeft waarschijnlijk wel wat anders te doen. Maar waar hij staat, is veel te zien. Landbouw. Wegen. Bedrijven. Natuurschoon. Huizen. Het is alsof het Groene Hart hier op kleine schaal is samengepakt. Al is het niet helemaal duidelijk wat het Groene Hart zou moeten zijn. Een coherent geheel valt er moeilijk in te ontdekken. Op een satellietfoto oogt het als een verzameling groene plekken – natuurgebied, landbouwgronden – die door bebouwing en wegen van elkaar zijn gescheiden.

Wat zou het Groene Hart meer kunnen zijn dan een ruimtelijk verzinsel?

Op de website van de provincie Zuid-Holland wordt het gebied tussen Amsterdam, Utrecht, Rotterdam en Den Haag in ronkende zinnen geïntroduceerd: ‘De plek waar Holland echt Holland is. Laaggelegen veenweiden met grazende koeien, uitgestrekte polders onder fraaie luchten, plassengebieden en oude waterlopen. Maar ook bijzonder cultuurhistorisch erfgoed in stadjes met een karakteristieke oude binnenstad, dorpen met monumentale boerderijen, oude vestingwerken en maakindustrie langs de rivieren. Het Groene Hart is de binnentuin van de Randstad. Geen groene vlek om de stad, maar een open ruimte omringd door de grote steden’

Kan een gefragmenteerd, geürbaniseerd gebied een open ruimte zijn? Dat was wel altijd de bedoeling. Eind jaren vijftig van de vorige eeuw werd het Groene Hart als planologische constructie bedacht om het veenweidegebied te vrijwaren van oprukkende bebouwing, snelwegen en industrie. Dat bleek al snel een utopie. Het Groene Hart slonk onder druk van de randstedelijke groei. Wonen, werken en snelle verbindingen kregen voorrang boven landbouw en natuurbehoud. In 1993 werden voor het eerst de precieze grenzen vastgesteld. De oprukkende bebouwing waaierde er bijna geruisloos overheen.

Het dorp Alphen aan den Rijn schrokte kilometers groen naar binnen om nieuwe wijken te kunnen bouwen en bedrijfsterreinen aan te leggen nabij de Oude Rijn. In 2000 werd Rijksweg 11 met vier rijstroken dwars door het weidegebied getrokken, van de A4 bij Leiden langs Alphen aan den Rijn tot de A12 ter hoogte van Bodegraven. Natuur- en milieuclubs, economisch belanghebbenden en bestuurders hadden elkaar tientallen jaren lang de koppen ingeslagen om de aanleg tegen te houden of te bevorderen.

Waar het Groene Hart voorheen vaak inzet was van een separatistische belangenstrijd, is het behoud ervan nu een gemeenschappelijk doel van uiteenlopende partijen – van de provincies Zuid-Holland, Noord-Holland en Utrecht tot de ANWB, de Zuid-Hollandse Milieufederatie, de Vereniging Natuurmonumenten, Kamers van Koophandel, projectontwikkelaars, toeristische recreatieclubs, landbouwverenigingen en gemeenten.

Het Groene Hart moet een Nationaal Landschap worden, met aandacht voor de natuur, de landbouw, wonen en werken. Of zoals de drie betrokken provincies het formuleren in hun Uitvoeringsprogramma 2007-2013: ‘...een landschappelijk mooi, ecologisch waardevol en economisch vitaal Groene Hart, waar het als Nationaal Landschap voor inwoners en recreanten goed toeven is.’

Woningbouw en bedrijventerreinen moeten meer in evenwicht worden gebracht met agrarische activiteiten, toeristische mogelijkheden en landschappelijk schoon. Minder van het een, meer van het ander. De provincies hebben tien zogeheten iconen aangewezen om dat doel per deelgebied te bereiken, zoals De Venen, ‘Venster Bodegraven-Woerden’ en de Krimpenerwaard.

Nieuwe natuurgebieden moeten er komen, het waterbeheer moet extra aandacht krijgen, de onverharde wandelpaden en vrijliggende fietspaden – samen zo’n 1.700 km lang – moeten zo veel mogelijk een samenhangend netwerk gaan vormen en ‘alle recreatief aantrekkelijke landschappen’ ontsluiten.

Het is een ambitieus plan, dat een paar centen kost. Tot 2013 vergt het Uitvoeringsprogramma een investering van 1,76 miljard euro, te betalen door het Rijk, de provincies, waterschappen en gemeenten.

Zou het lukken?

Op de fiets langs Aarlanderveen, Nieuwkoop en Noorden, met de glinstering van de Nieuwkoopse Plassen in de spaken en dat weidse landschap om je heen, valt de eerste twijfel van je af. Bij Woerdense Verlaat (gem. Nieuwkoop), op de Hollandse Kade, langs het waterrijke verlandingsgebied, laat je alle scepsis varen. Daar zie je rusteloze kuifeenden in de sloot, krijsende kokmeeuwen boven de velden, tureluurs die zingend landen in het gras, en een zacht voortkabbelende zwaan achter de bosschages van het keurig onderhouden moerasbos De Haeck, waar de fungi fier uit de boomstammen steken.

Via de Hollandse Kade kun je naar het fraaie gebied van De Meije. Tot aan Bodegraven, waar je vervolgens langs een troosteloze bebouwing en Rijksweg 11 het dorp Reeuwijk kunt bereiken om op de weggetjes met knotwilgen langs het water het genot van de natuur te hervinden.

Bij de onderdoorgang van de A12 (Den Haag-Utrecht) houdt de lol dan weer op. De cesuur tussen stilte en drukte keert terug in de buurt van Woerden, waar het plezier over het landschap van Kockengen, Teckop en Kamerik rigoureus de kop wordt ingedrukt bij de eerste bedrijfsgebouwen van de stad.

Hier is de ruimte niet meer open. Wat zou die zilverreiger bij Wilnis daar nou van vinden?

Meer over