'Het ging ons niet om het verslaan van Taliban'

Zondag draagt Nederland het gezag over in Uruzgan. Generaal Peter van Uhm: 'Het is unfair om de missie enkel af te rekenen aan het aantal slachtoffers.'

Aan het einde van de militaire missie in Uruzgan is de vraag: is het glas halfvol of halfleeg? Of, zoals Commandant der Strijdkrachten Peter van Uhm (55) het formuleert: ‘Is de weg tussen Tarin Kowt en Chora half geasfalteerd of half onverhard?’

Feit is dat de route tussen de twee belangrijke bevolkingscentra in de Afghaanse provincie nu wordt aangepakt. Dat maakt de verbinding niet alleen sneller en comfortabeler, ook kunnen de Taliban er lastiger bermbommen plaatsen. ‘Ik was enorm trots toen ik bij mijn laatste bezoek de vorderingen zag.’

Maar, voegt de viersterrengeneraal eraan toe: ‘Ikzelf en mijn voorganger Dick Berlijn hebben de situatie in Uruzgan nooit mooier voorgespiegeld dan ze is. Anders zouden onze mensen me er absoluut op hebben aangesproken – gelukkig kan dat in de Nederlandse verhoudingen: hé baas, wat maak je de mensen in Nederland allemaal wijs?’

Zondag dragen de Nederlandse militairen na vier jaar het gezag over aan Amerikaanse en Australische troepen. Van Uhm vindt de missie ‘een unieke ervaring in onze vaderlandse geschiedenis’. Dat heeft te maken met het aantal manschappen (opgeteld 20 duizend Nederlandse militairen), met het feit dat Nederland de verantwoordelijkheid droeg voor een hele provincie en een internationale troepenmacht, en dat alle onderdelen van de krijgsmacht een bijdrage leverden.

Is het ook de meest geslaagde missie in de vaderlandse geschiedenis?

‘Ik vind het moeilijk missies met elkaar te vergelijken. Elke omstandigheid, elk optreden is anders. Afghanistan is een arm land en Uruzgan is weer een arme en achtergestelde provincie in dat arme land. Het meest sprekende voorbeeld vind ik dat de voormalige minister van Onderwijs in Uruzgan zelf niet kon lezen of schrijven.’

Het cynische oordeel is: de Nederlanders hebben gestreden tegen bermbommen die er niet hadden gelegen als wij er niet waren geweest.

‘De Taliban hebben in het begin geprobeerd ons met rechtstreekse gevechten dwars te zitten, maar ze merkten snel dat onze militairen hun vak goed verstaan. Toen volgden de indirecte middelen, zoals bermbommen en 107 mm-raketten. Het is een beeld dat we kenden uit Irak. Het drama is dat de Taliban vooral slachtoffers maken onder hun eigen landgenoten. Die worden immers niet beschermd door pantservoertuigen. Het bewijst dat de Taliban zich aan God noch gebod houden.

‘Toen we in Uruzgan kwamen, konden de tegenstanders in bijna de hele provincie hun gang gaan. Dat is sterk verminderd. Maar het ging ons natuurlijk niet om het verslaan van de Taliban. De echte strijd ging om de gunst van de bevolking.’

We wilden toch van de Taliban af?

‘Natuurlijk! Maar als je dat probeert door alleen de Taliban uit te schakelen, dan ben je helemaal verkeerd bezig. Het gaat om de bevolking. Als je die voor je weet te winnen, dan verdampt de lucht voor de Taliban.

‘Het gaat om de Afghaan die een normaal leven wil leiden, die een toekomst wil voor zijn kinderen. Daar hebben wij aan bijgedragen. Dat is best lastig. We kunnen een westers oordeel vellen over een vader die ’s avonds een Talibanstrijder aan de deur te eten geeft. Als die meneer een kalasjnikov onder je neus douwt, heb je weinig te kiezen. De tegenstander terroriseert de bevolking. Als de mensen een vrije keus hadden, dan zou die duidelijk zijn.

‘Daarom kozen we voor wat anderen de Dutch approach zijn gaan noemen: militaire middelen gecombineerd met diplomatie en ontwikkelingssamenwerking. Je moet niet voortdurend gevechten opzoeken. Dat is nergens voor nodig. Het gaat erom de bevolking op de hand van de Afghaanse autoriteiten te krijgen.

‘We hebben de politie vele slagen verder gebracht. We hebben cursussen gegeven aan bestuurders. In 2006 waren er amper 160 geschoolde soldaten, nu drieduizend. We hebben ze niet alleen geleerd te vechten, maar ook om hun spullen goed te onderhouden. Wisten jullie dat het woord ‘onderhoud’ niet bestaat in het Pashtun?’

Door burgerslachtoffers, zoals in 2007 bij de slag om Chora, dreigde Nederland toch krediet te verspelen?

‘Over die burgerslachtoffers zal wel nooit helemaal duidelijk worden wie ze heeft veroorzaakt. Pas op, ik loop niet weg voor verantwoordelijkheid. Maar de tegenstanders gebruikten als eersten mortieren. Zij lokten ons in die gevechten. Zij hebben politieposten en dorpen aangevallen. Daarna schoten wij de Afghaanse politie en het Afghaanse leger te hulp.

‘Ik denk dat de mensen in Chora dat zo hebben ervaren. Daarom werd het een positief kantelpunt. Voor een groot deel van de bevolking werd helder dat wij er voor hén zijn en dat de Taliban de agressors waren.’

Maar burgerslachtoffers liggen altijd gevoelig.

‘Ik kan het niet vaak genoeg zeggen: elk slachtoffer is er één te veel. Ik was in Afghanistan toen onze F-16-vlieger helaas enkele burgerslachtoffers maakte. Ik heb met hem gepraat. Hij heeft alles goed gedaan, maar toch ging het fout. Ik heb de tape teruggezien. Hij heeft de checks gedaan, hij heeft eerst nog een rondje gedraaid toen hij iemand uit het huis zag komen zonder wapen. Dan ben je dus een burger. Vanuit het huis werd geschoten op de Engelsen.

‘Onze vlieger was al bezig met zijn run, maar checkte nóg een keer. Later bleek dat er vier vreemde heren gedood waren en ook enkele burgers. Ja, als de Taliban die burgers in dat huis vasthouden en vanuit dat huis schieten. De vlieger moet de rest van zijn leven verder in het besef dat hij toch onschuldige slachtoffers heeft gemaakt.’

Kan iedere militair na de loodzware missie rekenen op nazorg?

‘Daar durf ik volmondig ja op te zeggen. We hebben door schade en schande geleerd. Toen ik als jonge officier uit Libanon terugkwam met een compagnie vrijwilligers, bleef het bij een korte ceremonie. Daarna werd iedereen naar huis gestuurd. Het leek op het verhaal van mijn schoonvader toen hij na vier jaar uit Indië kwam.

‘Inmiddels proberen we onze mensen al mentaal zo sterk mogelijk neer te zetten vóór ze uitgezonden worden. Wie tijdens een missie indringende dingen meemaakt, kan een beroep doen op een psycholoog of een aalmoezenier. Na de missie proberen we de mensen te volgen, maar dat is niet zo eenvoudig. Sommigen verlaten de dienst, anderen – knullen en meiden van 20, 30 jaar – geven niet snel toe dat ze slecht in hun vel zitten. Maar voor wie wil, stellen we al onze expertise ter beschikking. Nazorg is er ook voor het thuisfront. Het wordt nog te vaak vergeten: militairen doen een uitzending, maar de achterblijvers ook. Ook zij kunnen bij ons aankloppen.’

Er zullen mensen zijn die u vragen: 24 Nederlandse doden, 140 gewonden, tientallen burgerslachtoffers: was dat het waard?

Van Uhm, wiens zoon Dennis sneuvelde tijdens de missie: ‘Ik praat erover met nabestaanden. Natúúrlijk stellen sommigen die vraag. Ik kan alleen maar zeggen, als vader en als Commandant der Strijdkrachten, dat we een goede, zinvolle missie uitvoerden. Mijn zoon is met vertrouwen en geloof daarin naar Afghanistan gegaan.

‘Het is unfair de missie enkel af te meten aan het aantal slachtoffers. Je moet terug naar de vraag: waarom zijn we eraan begonnen? Zijn we vergeten wat er gebeurde op nine eleven, de bomaanslagen in Madrid, in Londen? Wij hebben als een van de weinige landen ter wereld in de Grondwet staan dat we willen bijdragen aan de internationale rechtsorde.

‘De BV Nederland heeft een bijdrage willen leveren aan een veiliger Afghanistan, dat niet meer fungeert als vrijplaats voor terroristen. En vergeet niet dat Afghanistan een van ’s werelds grootste drugsleveranciers is. Die drugs komen hier terecht. Als wij een steentje bijdragen om van Afghanistan een beter land te maken, wordt ook de wereld, inclusief Nederland, er beter van.’

Kunt u dat concreet maken?

‘Het is geen wiskunde, je kunt niet zeggen: één plus één is twee. Soms zijn successen duidelijker. Voor de kust van Somalië, waar we tellen hoeveel koopvaardijschepen we door de corridor helpen zonder dat ze worden geënterd door piraten.

‘Doordat Afghanistan geen vrijplaats is geworden voor Al Qaida, de Taliban, terrorisme, kunnen we hooguit inschatten dat de wereld veiliger is geworden. Maar je kunt niet bewijzen wat niet gebeurd is.’

Is de krijgsmacht toe aan rust?

‘Het moet een tandje minder. We hadden een hoog operationeel tempo, er zijn zeer veel mensen uitgezonden, het materieel is aan onderhoud toe. We moeten allerlei technieken weer gaan trainen, nadat jaren de nadruk op deze missie heeft gelegen. Dan praat je over een, twee jaar.

‘Vergeet niet wat we in Nederland doen. F-16’s staan klaar om het luchtruim te beveiligen, we hebben helikopters die patiënten van de Wadden halen, we bergen bommen en mijnen, de Nationale Reserve steunt de politie bij evenementen. In De West zijn we verantwoordelijk voor de kustwacht en drugsbestrijding.’

Met permissie: dat is toch niet vergelijkbaar met Uruzgan? In tijden van bezuinigingen wil de belastingbetaler weten wat defensie voor 8 miljard per jaar levert.

‘We zitten krap in ons budget. Dat noopt tot een tijdelijke versobering. Ik heb het personeel gemeld dat het aantal vaardagen en vlieguren volgend jaar wordt beperkt, en dat we minder of dichter bij huis moeten oefenen. We hebben één ding absoluut buiten haken gezet: op de missies en de voorbereidingen op missies doen we geen concessies.

‘De krijgsmacht gaat niet over de inzet. De politiek bepaalt waar, wanneer en hoe lang militairen worden ingezet. Onze rol is: zorgen dat we er klaar voor zijn. Zo hoort het ook. Als je het daar als militair niet eens mee bent, moet je politicus worden.’

Peter van Uhm (Martijn Beekman / de Volkskrant) Beeld
Peter van Uhm (Martijn Beekman / de Volkskrant)
Meer over