Het gevecht om het leven

DE AMERIKAANSE arts Jerome Groopman is hoogleraar immunologie aan de medische faculteit van Harvard, hoofd experimentele geneeskunde van het Beth Israel ziekenhuis en gezaghebbend onderzoeker op het gebied van kanker en aids....

Naar eigen zeggen hebben zijn Oost-Europese joodse afkomst, de oorlogservaringen van zijn familie en het sterfbed van zijn vader hem voorgoed op het spoor van betrokkenheid bij zijn patiënten gezet. In het besef dat het medisch-technisch beste niet goed genoeg is zolang betrokkenheid ontbreekt, acht hij persoonlijke aandacht een wezenlijk onderdeel van professionele contacten. Ernstige ziekte - en daarmee heeft hij steeds te maken - is in zijn ogen eerst en vooral een persoonlijk drama.

Acht verhalen heeft hij vastgelegd in de bundel Leven voor de dood. Het zijn acht gevechten, waarvan sommige al beslist waren voor ze zich aandienden. De flaptekst vermeldt dat Groopman met zijn boek in de traditie van onder anderen Elisabeth Kübler-Ross staat. Hoewel dat vooralsnog te veel is gezegd, is zijn boek zeker de moeite waard. Gemeten naar Amerikaanse maatstaven poneert hij zichzelf niet op een overdreven wijze en stapt hij ook niet in de valkuil van successtory's.

In het eerste verhaal dreigt dat even. De 54-jarige Kirk heeft nierkanker in een vergevorderd stadium. Hij wil en krijgt een zeer agressieve behandeling. Een ogenschijnlijk zinloze onderneming. Ook Groopman heeft ernstige twijfels. 'Het was zijn gok', schrijft hij. Aanvankelijk pakt die goed uit, maar helaas moet de euforie plaatsmaken voor diepe wanhoop: het gesuggereerde happy end verandert in een wrede dood en hoewel Groopman aanvankelijk moeite heeft bescheiden te blijven, is dat op de laatste bladzijden van dit hoofdstuk wel anders.

Een belangrijke kracht van dit verhaal is dat het vragen oproept. Hoe reëel is het op de mogelijkheid van zo'n ingrijpende behandeling te wijzen, als kanker al zo ver is gevorderd? Hoeveel kans biedt zo'n behandeling nog? En wat zegt in zulke situaties een statistische kans?

Dit is ook de kracht van de zeven andere verhalen. Groopman schetst steeds hoe mensen ontdekken dat ze ernstig ziek zijn, hoe ze daarop reageren, welke keuzen ze maken en hoe hij zich bij dit alles opstelt, wat hij zelf denkt, voelt en doet. Elk van deze elementen roept vragen op. Groopman maakt die niet los van de situatie, maar denkt er wel over door, al of niet in gesprek met zijn patiënt.

Enkele voorbeelden. Kirk is al bij veel artsen geweest, Groopman heeft dan moeite de situatie van zijn patiënt nog objectief te beoordelen.

Zijn medewerker Dan blijkt aids te hebben, als gevolg van een bloedtransfusie jaren terug. In een petrischaaltje ziet hij wat in zijn lichaam plaatsvindt. Groopman denkt na over de vraag hoe Dan dit werk kan blijven doen en vervolgens, meer algemeen, wat iemand overeind kan houden als een verwoestend kwaad toeslaat. Hij komt dan uit bij de schrijvers Elie Wiesel en Primo Levi, die het concentratiekamp overleefden.

Cindy heeft ook aids en legt Groopman voor dat zij vóór haar dood nog graag een kind wil. De arts reageert aanvankelijk onbeholpen, weegt vervolgens voor en tegen tegen elkaar af, maar komt tot de conclusie dat zijn gedachten er uiteindelijk niet toedoen.

Matthew blijkt als kind via bloedtransfusie met het aidsvirus te zijn besmet. In het contact met hem mijmert Groopman over het relatieve van de als groots aangeprezen geneeskunde. Hij stelt vast dat 'zelfs de juiste therapieën en beste zorg niet met honderd procent zekerheid de patiënt zullen redden'. In alle genezing, schrijft hij, schuilt een element van mysterie. Daarom genezen mensen soms tegen alle verwachtingen in en wordt anderen, ondanks het ene medische succes na het andere, het leven toch nog uit handen gegrist.

Debbie is een vrouw met ernstige kanker. Ze weigert lang behandeling, omdat ze rotsvast gelooft dat een alternatieve aanpak haar kanker zal bedwingen. Groopman zoekt voortdurend naar een opstelling waarbij hij het contact kan vasthouden en vooral openingen kan blijven geven om op weigeringen terug te komen. Dit laatste gebeurt uiteindelijk. De ziekte komt tijdelijk tot stilstand, maar slaat daarna opnieuw toe.

Alex herinnert bij de eerste verschijnselen van aids Groopman aan hun eerder gemaakte afspraak dat de arts hem zou helpen sterven. Groopman voelt zich ongemakkelijk, want zo had hij zich de gang van zaken niet voorgesteld. Hij is opgelucht als zijn patiënt met uitstel accoord gaat, wat uiteindelijk tot afstel leidt.

Elisabeth is een kritische en cynische vrouw. Met haar houding heeft Groopman grote moeite, zeker als tot overmaat van ramp een bloeding in de rug de vrouw verlamt en een operatie tot niets leidt.

Het zijn stuk voor stuk kwesties die direct te maken hebben met hoe mensen hun dodelijke aandoening ervaren en hoe hulpverleners daarop reageren. Nergens maakt Groopman vragen en dilemma's los van persoonlijke situaties. Zijn gelijk is dat voor alle vragen de antwoorden moeten worden gezocht in onderling gesprek en dat mensen kansen moeten krijgen persoonlijke afwegingen en keuzen te maken.

Tegelijkertijd ligt hier een groot gevaar. Een eenzijdige nadruk op eigen keuzen kan leiden tot behandelingen waarvan tevoren al duidelijk is dat die iemand meer kwaad dan goed doen. Goede geneeskunde kan eruit bestaan mensen keuzen te besparen. Zo kunnen mensen de kans krijgen tot hun dood te léven. Onbedoeld geeft Groopman een aanzet tot dit nog ongeschreven hoofdstuk.

Hans van Dam

Jerome Groopman: Leven voor de dood.

Ambo/Kritak; 288 pagina's; * 45,-.

ISBN 90 263 1533 3.

Meer over