Het gerucht van Abbeville

Het vocht moet ze in de Franse Sommevallei naar het hoofd zijn gestegen. Al snel na de overstroming van de rivier begon een kwaadsappig gerucht te gonzen: de Parijzenaars hebben hun eigen overtollige regenwater via een geheime kraan laten wegstromen naar de vallei....

NORMALITER kabbelt de Somme bescheiden door de Noord-Franse klei richting Kanaalkust. Desondanks heeft het riviertje een sinistere naam. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vielen bij de maandenlange Bataille de la Somme honderdduizenden doden. Als gevolg daarvan heeft zowel Amiens als Abbeville het soort onhistorische betonnen stadscentrum waar het altijd tocht.

Sinds een maand staan Amiens, Abbeville alsook de ruime omgeving onder water. De Somme is buiten haar oevers getreden en op televisie gaat geen dag voorbij zonder verdronken koelkasten en canapés, stoere brandweerlieden en klagende burgemeesters. Vrijdag werd de noodtoestand uitgeroepen door de linkse regering, dezelfde dag ontving president Chirac vier plaatselijke burgemeesters op het Elysée.

Een overstroming nu en dan is niet bijzonder. In een groot land als Frankrijk biedt het journaal altijd wel een natuurramp. Maar ditmaal wil de ramp niet ophouden. Vanwege de aanhoudende regen loopt het water niet meer weg. Le Monde berekende dat de brave Somme er op eigen kracht negen maanden over zou doen om de 15 miljard kubieke meter water af te voeren die het afgelopen halfjaar in de streek gevallen zijn.

Het vocht moet ze in de Sommevallei naar het hoofd gestegen zijn. Want al snel begon een authentiek kwaadsappig gerucht te gonzen: de Parijzenaars hebben hun eigen overtollige regenwater via het Canal du Nord over onze vallei laten komen. 'Zij zitten in hun mooie appartementen, wij hier in onze rottige huizen.'

Vanaf de wonderschone Sommebaai bij St Valéry tot aan Amiens en verder, gelooft ie-der-een het verhaal dat inmiddels als 'het gerucht van Abbeville' door het leven gaat. Hydrologen kwamen vertellen dat water over het algemeen niet omhoog stroomt. In de kranten staan schema's die uitleggen dat er tussen Parijs en de Somme een fikse heuvelrug ligt. Premier Jospin kwam zélf verzekeren dat er géén geheime kraan bestaat.

Het hielp allemaal niks. 'We bevinden ons in het hart van een mythe', schreef Libération. Wat gaat er schuil achter dit volksgeloof dat zich zo overduidelijk richt tegen 'de praatjesmakers' in Parijs?

Eén ding is zeker. Het gerucht in zijn algemeenheid vindt in Frankrijk aanmerkelijk meer aftrek dan in Nederland. Men laat zich hier niet graag voor 'een augurk' - een naïeveling - verslijten. Zodoende bestaan er weinig natuurverschijnselen. Er moet een slechterik achter zitten.

Wie in Frankrijk woont, kent de verhalen van zijn buren. De plaatselijke krant bevindt zich 'in de zak' van de burgemeester. Iedereen weet dat de burgemeester onder een hoedje speelt met de prefect. Die prefect heeft trouwens steekpenningen aangenomen, en de politie smeergeld. De winkelier onderhoudt onder de toonbank banden met de notabelen, en op het Paleis van Justitie heersen dubieuze zeden. Het openbaren van deze geheimen gaat samen met schamper neusophalen, om vervolgens krachtig af te sluiten met: 'Ze moeten niet denken dat wij imbecielen zijn.'

Het gerucht is het vervoermiddel van een complot. De verteller is 'op de hoogte'. Bewijzen heeft hij niet, maar hij weet dat de dingen niet zijn wat ze lijken. Het gerucht is het wapen van het volk tegen de machtigen, en dat verklaart waarom het in Nederland zo weinig gonst: Nederland is zo egalitair dat de tegenstelling volk-elite ontbreekt. In Frankrijk hebben ze geruchten in soorten en maten. 'Un bruit' is minder hevig dan 'une rumeur'. Complotten en samenzweringen horen bij het dagmenu. Ook de pers weert zich in het genre. Om de zoveel tijd publiceert een weekblad een omslagartikel over de 'ware macht', bijvoorbeeld van de Franse vrijmetselarij. Met de namen van politici en president-directeuren die elkaar de bal toespelen.

Meestal zijn feiten schaars. Veel artikelen in de Franse pers munten uit in de veronderstellende zou-vorm. Jospin zou dit hebben besloten, Chirac zou hebben afgesproken. . . Niemand die zich stoort aan deze suggestieve vorm van journalistiek, die ook in een kwaliteitskrant als Le Monde uitgebreid wordt beoefend. Vandaar ook dat er in Frankrijk zoveel schandalen worden onthuld waarvan nimmer meer wordt vernomen.

Omdat niets voor zich spreekt en alles een kwade bedoeling heeft, volgt na de openbaring van het complot met mathematische precisie de onthulling van het tegencomplot. En dus viel na het gerucht van Abbeville in Libération te lezen: 'Wie heeft er profijt van het gerucht?'

Een paar jaar geleden liep ik aan tegen het boekje La rumeur d'Orléans - het gerucht van Orleans. De auteur was de eminente socioloog Edgar Morin. Het verhaal was er niet minder bizar om. In mei 1969 woei een merkwaardig praatje door de provinciestad Orleans. Een handvol winkels in damesmode zou zich hebben gespecialiseerd in de handel in blanke slavinnen. Bij Dorphé, la Boutique de Sheila en Félix zouden meisjes zijn verdwenen. Ze waren argeloos binnengestapt om een jurk te passen. Maar in de pashokjes werden ze met een injectie bedwelmd. In de vloer van de pashokjes bevond zich een luik, dat naar het riool leidde. De slachtoffers werden via de stadsgewelven naar de oever van de Loire gebracht.

Daar wachtte een onderzeeër om ze naar het Midden-Oosten te vervoeren, waar ze zouden worden verkocht.

Uiteraard werd er in Orleans niet één meisje vermist. Toch ontstond voor de damesmodezaken een samenscholing van verontruste stedelingen. De antisemitische ondertoon was onmiskenbaar: alle betrokken winkels hadden joodse eigenaren. Door de landelijke pers en 'de autoriteiten' werd meteen actie ondernomen om het boosaardige verhaal de kop in te drukken.

Wat heeft het gerucht van Orleans met dat van Abbeville van doen? Ogenschijnlijk niets. Maar achterin het boek van Morin stond een kleinere verhandeling, geschreven door zijn medewerker Claude Fischler, over 'het gerucht van Amiens'. En dan staan we plotseling aan de oever van de Somme. Het gerucht van Orleans kende z'n thema's en variaties. Vergelijkbare praatjes deden zich in dezelfde periode voor in vele Franse provinciesteden, waaronder Toulouse, Tours, Limoges, Rouen.

Amiens kende een krachtige variant. Daar wilden de klanten niet meer passen bij Liberty, de winkel van de joodse familie David. Amiens zou een wijdvertakt ondergronds gangenstelsel hebben, dat uitmondde in de Somme. En ook daar lagen joodse onderzeeërs te wachten.

Arme Somme. Nu weten we dat het riviertje niet meer dan 80 kubieke meter water per seconde kan verstouwen, dat het is dichtgeslibd en op plaatsen niet meer dan anderhalve meter diep is. Hoe zou dat moeten met die onderzeeërs? Een goed gerucht, schrijft Claude Fischler, heeft een 'grote rationaliserende energie'. Was eigenaar David van Liberty een dag naar Parijs, zoals elke week? Dan moest hij zijn opgepakt. Was de modezaak Corinne et Willy gesloten? Dan waren de eigenaren naar Israël gevlucht.

Waarom dat verhaal toen, en waarom Orleans en Amiens? Die twee steden, aldus Claude Fischler, leken anno 1970 in een aantal opzichten op elkaar. Historische provinciale metropolen, allebei zwaar beschadigd tijdens achtereenvolgende wereldoorlogen. Allebei maakten ze een snelle expansie door, waardoor de oude sociale structuur werd vernietigd. Allebei telden ze iets meer dan honderdduizend inwoners, en allebei lagen ze op iets meer dan honderd kilometer van Parijs.

Zowel Orleans als Amiens onderhield een tweeslachtige relatie met Parijs. Leraren en zakenmensen die in de hoofdstad woonden, zakten voor hun werk af naar de provincie. En andersom gingen sommige inwoners van Amiens of Orleans wel eens naar Parijs. Dat waren de wat wereldlijker types, modeverkopers als David bijvoorbeeld, die hun waar inkochten in de grote stad. Maar de contacten tussen provincie en Parijs waren geen fractie van de huidige, en de naam van het wufte Parijs was ronduit slecht. Het gerucht van Orleans deed de ronde in mei 1969, een jaar na de Parijse studentenopstand waarin de 'Duitse jood' Daniel Cohn-Bendit een hoofdrol speelde.

Het was geen toeval dat juist steden als Orleans en Amiens gevoelig waren voor zo'n gerucht. Claude Fischler: 'Omdat het precies gemiddelde steden zijn, op het snijpunt van voorstad en provincie, van kleine stad en agglomeratie, van burgerlijke stijfheid en jeugdemancipatie, van archaïsme en moderniteit.'

Dat was 1970. Dertig jaar later gaat het de Franse provinciesteden meer dan goed. Montpellier ontpopte zich als kennisstad, Rennes vond nieuwe Bretonse energie, Lille trok zich op aan Europa. Het succes van Orleans was wat meer verborgen, maar de stad profiteerde zeer van de nabijheid van Parijs en groeide tussen 1990 en 1999 met 7 procent. De verhouding tussen Orleans en Parijs is inmiddels omgekeerd: niet langer zijn het leraren en zakenmensen uit Parijs die komen werken in Orleans. Tegenwoordig woont men prettig aan de Loire en forenst men naar Parijs.

Alleen Amiens en omgeving konden niet meekomen. De hele Sommevallei staat al jaren in het teken van harde koppen en slechte humeuren. De vallei heeft een geschiedenis van oude familie-industrie, ter plaatse een weinig sociale vorm van kapitalisme. De bedrijfjes zijn verdwenen, het chagrijn en de werkloosheid gebleven. En de plattelandsbourgeoisie van eertijds, schrijft Loïc Leuliette in Libération, 'heeft zich vervolgens gericht op een plat populisme, demagogie met camouflagekleuren, en de teugels van de lokale jachtverenigingen overgenomen'.

Hij doelt op de politieke partij Chasse, Pêche, Nature, Tradition (CPNT), die aan de Somme de lakens uitdeelt. Bij de Europese verkiezingen van twee jaar geleden haalde voorman Jean St Josse in Amiens 27 procent van de stemmen. De CPNT'ers staan voor het jachtrecht op trekvogels in de Sommebaai en voor provinciale weerzin tegen modernisering, grootsteedsheid en globalisering.

Ze schrikken niet terug voor intimidatie en dreigementen. Als ze de naam van de Groene milieuminister Dominique Voynet horen, trekken ze hun dubbelloops. Premier Jospin werd weggehoond toen hij zijn solidariteit met het ondergelopen land kwam betuigen. Een lokale socialist moest met een helikopter worden ontzet nadat hij op een stenenregen was onthaald.

Op 1 mei deed de CPNT nog van zich spreken, weliswaar niet in de Somme maar niet minder illustratief. De voorzitter van de Franse Vogelbescherming was naar de Gironde (boven Bordeaux) getogen, om te protesteren tegen de - illegale - jacht op trekvogels. Een nette man, met een loden jas en een gele pull-over. Scheldpartijen tegen homo's uit Parijs die willen voorschrijven hoe ze à la campagne moeten leven, waren z'n deel. Apparatuur om vogels te kijken werd vernield. De gendarmerie hield zich merkwaardig afzijdig, want er bestaat nog altijd een heimelijke sympathie voor boerenboosheid tegen de grote stad. Toen de vogelvoorzitter terugliep naar z'n auto, waren de banden doorgesneden. 'Voilà', wees hij, treurig en druipend van de regen. 'Zo zijn onze manieren.'

Meer over