Het gentiaanblauwtje verdient ook een kans

De ecoducten zijn misschien leuk voor zwervende zwijnen en herten, maar voor het gentiaanblauwtje zijn heel andersoortige maatregelen vereist, betoogt milieufilosoof en emeritus-hoogleraar aan de Universiteit Twente Petran Kockelkoren.

Het leek niet meer dan een berichtje ter afleiding in de komkommertijd, de reportage in de Volkskrant in het vroege voorjaar van 2013 die schetste dat het wild op de Veluwe nog geen aanstalten maakte om van het ene gebied naar het andere over te steken via de aangelegde ecoducten. Zul je altijd zien: leg je voor tonnen infrastructuur aan voor natuurbehoud, houden die stomme beesten zich niet aan het scenario. Koren op de molen van de liberale politici die al enige jaren de kosten van natuurontwikkeling willen reduceren omdat daar teveel linkse ideologie achter zou zitten. Op de Veluwe speelt zich in dat bestek de touwtrekkerij rond de edelherten af. De meeste lezers zullen aan de ontbijttafel hun schouders hebben opgehaald. Maar er is toch meer aan de hand.

Eigenlijk is de Veluwe één groot aaneengesloten natuurgebied, maar het wordt ruwweg Noord-Zuid doorsneden door de N310 en Oost-West richting door de A28. Over beide wegen zijn ecoducten aangelegd, over de N310 Oud Reemst en over de A28 Hulshorst. Die ecoducten moeten de verloren eenheid van het grotere natuurterrein weer herstellen, in ieder geval voor overstekende dieren. Aan de ene kant van de N310 ligt het bekende Nationaal Park De Hoge Veluwe en aan de andere kant natuurgebied Het Planken Wambuis, naaste evenknie van het Park maar soms ook wel concurrent om de publieksaandacht. Wat natuur betreft is er weinig verschil tussen beide gebieden, maar cultureel gezien des te meer en daar valt zelfs de territoriumstrijd om het wild uit te verklaren.

Dat er een jaar na voltooiing van de ecoducten nog altijd geen herten van het Planken Wambuis naar het Nationale Park De Hoge Veluwe of omgekeerd lopen, ligt niet alleen aan kopschuwe herten, maar ook aan de strijdige opvattingen van de respectievelijke natuurbeheerders van de betreffende gebieden. Die verschillen niet alleen van mening over levensvatbare hertenconcentraties en de omvang van het eventuele afschot, maar daarachter zitten uiteenlopende geschiedenissen wat betreft de relatie tussen natuur en cultuur.

Het Nationaal Park De Hoge Veluwe werd in de periode 1909-1935 als één geheel vormgegeven door het echtpaar Kröller-Müller, dat daarbij het realiseren van één groot Gesamtkunstwerk beoogde, waarin cultuur en natuur worden verenigd. Het natuurpark herbergt naast het befaamde museum ook een podium voor velerlei monumentale buitenkunst. In de praktijk bleek het concept van het Gesamtkunstwerk al snel moeilijk realiseerbaar voor het gehele landgoed. Het grofwild zou teveel schade veroorzaken in het cultuurgedeelte. Behalve een buitenraster werden daarom ook binnenrasters geplaatst ter bescherming van deze delen van het landgoed.

De natuuropvatting uit Het Planken Wambuis is moeilijk met die van de buren in overeenstemming te brengen. Het Planken Wambuis valt onder beheer van Natuurmonumenten en profileert zichzelf als natuurgebied zonder kunstgrepen, slechts toegankelijk voor wandelaars en fietsers. Het onderscheid tussen beide natuurgebieden berust op verschillende visies op wat we mogen verwachten van oponthoud in de natuur. Desgevraagd beweren de bezoekers zelf dat ze zich in de natuur willen 'herbronnen'. De grote instituten voor natuurbehoud en natuurontwikkeling spelen graag in op deze behoefte door onder het motto van 'natuurbeleving' hun natuurgebieden te adverteren. Maar hoe betekenisvol kan een oponthoud in de natuur zijn?

Bij het zoeken naar een antwoord op die vraag moeten we goed beseffen dat 'oernatuur' in Nederland vrijwel niet meer bestaat. We kennen hier voornamelijk in cultuur gebrachte natuur. Maar dat is geen diskwalificatie. In de 19de eeuw bereikte de Nederlandse natuur zelfs haar grootste diversiteit, onder invloed van allerlei ambachtelijke vormen van uitbating en ontginning. Het zijn de boeren, de schaapherders, de wilgentenensnijders, de klompenmakers, de rietdakdekkers, de bakstenenbakkers, die de Nederlandse natuur mede gestalte hebben gegeven. In de kringen van natuurbeschermers wordt daarom - op een afglijdende schaal van status - onderscheid gemaakt tussen 'nagenoeg natuurlijke landschappen' (door natuurbeheerders afgekort tot 'nanala') en half-natuurlijke landschappen ('hanala'). Ook in Het Planken Wambuis zijn allerlei beheerstechnische maatregelen nodig om zijn halfnatuurlijke landschappen te kunnen behouden.

Vanuit die achtergrond moet ook de signatuurstrijd met het belendende Park De Hoge Veluwe worden begrepen. De edelherten hebben in die strijd eerder een beeldbepalende dan een ecologische waarde gekregen. Alleen daarom wordt er zo hard getrokken aan de edelherten en moeten ze zo nodig de brug over. De mens heeft zichzelf in de evolutie naar de top van de voedselpiramide gemanoeuvreerd en vanuit die positie probeert hij in steeds wijdere cirkels naar beneden toe de natuur omhelzen. Geen wonder dat de grote zoogdieren, die nog het meest op ons lijken, het eerst worden doodgeknuffeld. De pandabeer is niet voor niets het ikoon van de natuurbeweging. De edelherten zijn de eerstvolgende in de rij. De natuurbescherming heeft zich altijd te veel gericht op de aaibare subtop van de voedselpiramide. Grote zoogdieren spreken tot de verbeelding.

Ook Het Planken Wambuis probeert - net als haar deftige buren in het Hubertusslot - een graantje mee te pikken van de advertentiewaarde van burlende herten. Toch vereist een levensvatbaar natuurbeleid eerder een ommekeer, naar de bodem, want juist op dat vlak moet de slag om de toekomst van de natuur worden geleverd.

In Het Planken Wambuis zou zich bijvoorbeeld heel goed een bijzondere symbiose van plant en insect kunnen voordoen. Maar door de waterhuishouding ten behoeve van de landbouw krijgt die geen kans. Het gentiaanblauwtje is een kenmerkende dagvlinder van natte heide en schraallanden. In zijn levenscyclus spelen twee gastheren een rol: een plant - de klokjesgentiaan - en een mier - de ruwknoopmier. De vlinders leggen in de zomer hun eitjes op de bloemknoppen van de gentianen. De rupsen kruipen er na tien dagen uit en doen zich eerst tegoed aan het binnenste van de bloem. Volgevreten laten ze zich op de grond vallen, waar het wachten is op passerende mieren. Het wachten hoeft niet lang te duren. De rupsen scheiden via een rugklier een zoete vloeistof af die de mieren heerlijk vinden. Daarom slepen ze de rups mee naar huis, waar hij wordt gevoed en beschermd. Het sjirpen van de rups speelt een rol in de communicatie met de mieren, maar is ook hoorbaar voor mensen. De rupsen overwinteren in het nest, soms meer dan twintig. In het begin van de volgende zomer verpoppen ze zich en na drie weken komen de vlinders uit. De vlinders moeten het mierennest zo snel mogelijk verlaten omdat ze vanaf het moment van uitkomen als indringers worden herkend en daarom heftig worden aangevallen. De vlinders zoeken hun toevlucht op het klokjesgentiaantje. De geschiedenis herhaalt zich.

De geschetste cyclus kan eindeloos haar rondjes door de seizoenen draaien, mits de planten geen last krijgen van verdroging en de mierennesten in het najaar niet te lang in de natte heide onder water komen te staan. Helaas wordt de cyclus van beide zijden bedreigd door de kunstmatige regulatie van het grondwaterpeil terwille van de grootschalige monocultures in de landbouw eromheen, die geen halt houdt voor territoriale grenzen. De laatste gentiaanvlinder is in Het Planken Wambuis waargenomen in 2001.

Anders dan bij grote zoogdieren, hebben territoriaal gerichte beleidsmaatregelen - zoals het inrichten van de Ecologische Hoofd Structuur compleet met ecoducten - weinig zin voor insecten en kleine kruipers. Hoewel de ecoducten bij Het Planken Wambuis van vier poelen zijn voorzien om de oversteek van vlinders, padden, kikkers, loopkevers en salamanders te faciliteren, doen zulke levensvormen daar generaties over.

De hoeders van Het Planken Wambuis kunnen dus beter een ander dier dan het edelhert kiezen als ikoon voor hun natuurbeheer. Van de keuze van het ikoondier hangt ook af welk front je tegenover je vindt. Wie ten behoeve van wilde grazers pleit voor de Ecologische Hoofdstructuur van aaneengesloten natuurgebieden, heeft verstedelijking en transport als tegenstanders en onderhandelt over ecoducten. Wie gentiaanvlinders en mieren in het vaandel voert, vindt landbouwers en waterhuishouding op zijn weg. De ecoducten zijn misschien leuk voor zwervende zwijnen en herten maar voor kruipertjes worden heel andersoortige maatregelen vereist. Het Planken Wambuis manifesteert zich deze maand met een publicatie naar het grote publiek, als charme-offensief. Te vrezen valt echter dat haar opvatting van natuurconservering vastloopt op de viaducten van het natuurconservatisme.

undefined

Meer over