HET GELIJK VAN VAN MIERLO

'EEN WARME stem uit een verwaarloosd jongenshoofd, sporen van nooit meer in te halen slaap rond de dreigende ogen. Soms een lachje dat sterft in een droevige trek.' Deze fraaie typering van Hans van Mierlo had de afgelopen dagen geschreven kunnen zijn, maar komt uit een verslag van het oprichtingscongres...

De Tijd, een katholiek dagblad dat de ontzuiling niet overleefde, vervolgde: 'Zodra hij het weldadige plan aankondigt een breekijzer te zetten in de gevestigde partijen, herkent men aan zijn gezichtsuitdrukking, maar ook aan de houding, de begaafde inbreker.'

Maar is die inbreker geslaagd? Het antwoord is niet eenvoudig. Toen D66 werd opgericht, was het veeleer een beweging dan een partij. De Democraten waren er op uit het politieke bestel te laten 'ontploffen' en zouden daarna opgaan in een hervormingsgezinde sociaal-liberale partij. Zij waren volgens het oprichtingsmanifest politici 'tegen wil en dank'.

Maar D66 is er nog altijd. De minister-president wordt niet gekozen, het districtenstelsel is in een bureaulade belandt. De kabinetsformatie voltrekt zich nog altijd achter gesloten deuren en van de vorming van een grote hervormingsgezinde mentaliteitspartij kwam niets terecht.

Als we deze doelen van D66 als maatstaf nemen, is Van Mierlo's levenswerk dus op een mislukking uitgelopen. Toch kun je met evenveel recht beweren dat hij grotendeels is geslaagd, mits je niet alleen naar het, grotendeels ongewijzigde, staatsrecht kijkt, maar naar de maatschappelijke invloed van de ideeën waarvoor hij stond.

D66 ontstond in een tijd die zwanger was van veranderingen. Provo, Nieuw Links, de PPR, de tweede feministische golf en de radicaal-democratische studentenbeweging waren daar producten van. Al die bewegingen hadden gemeen dat zij streefden naar de emancipatie van burgers en democratisering van gezagsverhoudingen. D66 was de gematigde variant die niet altijd serieus werd genomen.

Onder invloed van de buitenparlementaire beweging maakte de PvdA in de jaren zeventig een ruk naar links, die uitliep op een beginselprogram waarin de nationalisatie van van alles en nog wat werd bepleit. Forse delen van de studenten- en vrouwenbeweging omarmden nog radicalere, socialistische of communistische, perspectieven. Maar D66 bleef een 'kleinburgerlijke' partij van doctorandussen, reclamemakers en andere professionals die niets van zulke ideologische dagdromen wilden weten.

Daar was D66 dan ook voor opgericht. Zij keerde zich tegen de verzuiling die niet alleen het politieke leven domineerde, maar via maatschappelijke organisaties, kerken en kranten tot in de huiskamer voorschreef hoe je je moest gedragen, denken en stemmen.

D66 stond voor ruimdenkendheid en 'individualisering': het recht je leven naar eigen voorkeur in te richten. De oude ideologische politiek moest plaats maken voor een 'pragmatische' beoordeling van maatschappelijke problemen op hun eigen merites.

D66 was haar tijd vooruit. Toen het stof in de loop van de jaren tachtig was neergedwarreld, zagen de maatschappelijke verhoudingen er ongeveer zo uit zoals Van Mierlo zich dat in de jaren zestig hadden voorgesteld. De persoonlijke levenssfeer was bevrijd, de ontzuiling een feit, de individualisering een toonaangevende maatschappelijke trend, het radicaal-socialistische gedachtengoed op zijn retour, om na '1989' definitief ten onder te gaan.

Het is zelfs niet overdreven te zeggen dat het oude politieke bestel wel degelijk is 'ontploft'. Kiezers laten hun stem in afnemende mate bepalen door religieuze of ideologische loyaliteit en steeds meer door het imago en de bekwaamheid van politieke leiders. De kroon op het werk van Van Mierlo kwam met Paars, waarin het pragmatisme zegevierde, VVD en PvdA in het sociaal-liberale midden samenwerken en het CDA naar de oppositiebankjes verwezen werd.

Weinig politici hebben het in hun analyse van grote maatschappelijke en politieke trends zo bij het rechte eind gehad als Van Mierlo. Na zijn vertrek zal het voor D66 dan ook niet eenvoudig zijn het hoofd boven water te houden. En niet alleen omdat, zoals het CDA heeft gemerkt en de PvdA en VVD nog zullen merken, elke partij onder het verlies van een gezichtsbepalende leider lijdt. Maar ook omdat het oude recept is uitgewerkt.

Hoe verdedigbaar staatsrechtelijke vernieuwingen wellicht nog zijn, anno 1998 krijgt geen politicus de handen er voor op elkaar. Maar belangrijker is dat het gedachtengoed waarvoor Van Mierlo vanaf de jaren zestig stond grotendeels is verwerkelijkt en geïncorporeerd in andere partijen.

De waarden en idealen waarmee D66 werd geïdentificeerd zijn daarmee hun aantrekkingskracht kwijt. Andere partijen kampen in de weinig visonaire jaren negentig met soortgelijke problemen. De PvdA - en ook de VVD - kunnen nog terugvallen op een sterke bestuurlijke traditie en eigen sociaal-economische identiteit, al wordt die minder ideologisch gedefinieerd. D66 bleek de afgelopen jaren juist kwetsbaar in het grote politiek-bestuurlijke werk en heeft er ook niet van kunnen profiteren dat zij vaak de haalbare oplossingen op de agenda zet.

Thom de Graaf wil dat de fractie en de bewindslieden zich scherper gaan profileren. Waarmee precies, is nog niet duidelijk. Eenvoudig zal het ook niet zijn tussen de politieke straatvechters waarmee D66 samenwerkt. Maar als het hem lukt, verliest D66 veel van haar oude charme: een partij van 'politici die eigenlijk geen politicus' willen zijn.

Meer over