Het Geldersche zwijn

Pim Fortuyn hield wel van enig politiek theater: 'At your service!' Hij liet zich daarbij mede inspireren door een 18de-eeuwse Overijssels/Gelderse baron, Joan Derk van der Capellen tot den Pol....

Han van Gessel

Fortuyn publiceerde in 1992 zijn politiek credo onder dezelfde titel: Aan het volk van Nederland. 'Evenals zijn voorbeeld wilde hij het Nederlandse volk wakker schudden', zegt de Nijmeegse historicus Joost Rosendaal in De Nederlandse Revolutie - Vrijheid, volk en vaderland 1783-1799. 'Schaalvergroting, onpersoonlijke politiek, ambtenarij, regelzucht: Nederland was op de verkeerde weg.' Maar is Fortuyn te vergelijken met Van der Capellen? Nee natuurlijk, zegt Rosendaal, ieder zijn tijd, maar de overeenkomsten zijn duidelijk.

Van der Capellen was de wegbereider van de Patriottenbeweging, de beweging die aan het eind van de 18de eeuw de loper uitlegde voor een nieuw Nederland. De Patriotten gingen de strijd aan met vastgeroeste elementen in de samenleving en hadden het daarbij vooral gemunt op het bestuursapparaat: de dwingelandij van stadhouder Willem V (Oranje) en zijn aristocratische kliek (de 'pruiken'). Ze hadden succes, maar moesten korte tijd het loodje leggen (Contrarevolutie). Ze kwamen terug met de Bataafse revolutie (met hulp van de Fransen), maar na 1800 was het over en uit. Eerst werd Lodewijk Napoleon vanuit Frankrijk geparachuteerd, na de val van Napoleon zelf kwam Oranje-koning Willem I.

Rosendaal schrijft de Nederlandse revolutie met een hoofdletter: Revolutie. Dat doet denken aan de Franse, de Russische, de Iraanse, en noem maar op Revolutie. Maar was het wel een Revolutie? Natuurlijk, er vielen veel doden en gewonden, treurig genoeg, maar was het ook een revolutie in de klassieke zin van het woord? Nee en ja. Nee omdat de patriottisch/Bataafse opstand niet heeft geleid tot een diametraal tegenovergestelde machtswisseling. Ja omdat in die periode de aanzet werd gegeven tot het moderne Nederland, met dank aan alle oproerlingen. Een kleine letter is voldoende om het grote belang ervan in de geschiedenis te onderstrepen: het was een revolutie.

Rosendaal accentueert het feit dat het om een typisch Nederlandse revolutie ging. Anders dan veel van zijn voorgangers in de geschiedschrijving dicht hij de opstandelingen niet over de hele linie toe dat zij alleen maar het oor lieten hangen naar hun Franse of Amerikaanse geestverwanten. De Nederlandse revolutie was niet zozeer ideologisch als wel christelijk geïnspireerd. 'Het Nederlandse volk - dat wil zeggen: het gereformeerde deel daarvan - beschouwde zich als de uitverkorenen van Israël met het huis van Oranje aan het hoofd. Voor de legitimatie van de politieke structuur trokken patriotten de vergelijking tussen het oude Israël en Oranje/Republiek regelmatig.'

In de kern draaide alles om het oer-Hollandse beginsel van goed rentmeesterschap. In de ogen van de patriotten maakte Willem V, met aan zijn zijde zijn pronte Pruisische gemalin Wilhelmina en met rugdekking van zijn aristocratische kliek, er een rotzooi van. Dwingelandij, nepotisme, willekeur, zelfverrijking - het waren allemaal tekenen van een van God losgezongen rentmeester. Het gevolg was een litanie van scheldnamen: 'het Geldersche zwijn' (Willem verbleef op 't Loo), 'stalhouder van Gelderland', 'vijand van staat en wat meer is', 'zee van alle ondeugden', 'bederver van het vaderland'. Het varken (een onrein dier) was een geliefd symbool.

Omgekeerd moesten ook de patriotten het ontgelden. Zij werden gretig afgeschilderd als 'keeshonden'. Die benaming had twee oorsprongen. De honden gaan terug op het Franse woord canaille, dat de verzamelnaam was geworden voor al het gespuis en gepeupel dat de hoge heren voor de voeten liep. Kees gaat terug op de voornaam van de patriotse pensionaris van Dordrecht, Cornelis de Gijselaar, die zijn hoge komaf inzette voor de goede zaak. Van scheldnaam werd 'keeshonden' een geuzennaam. 'Kees was de naam van de trouwste en dapperste hond die reeds in oude tijden voor de vrijheid had gestreden', zegt Rosendaal.

De opbloei van de gedrukte pers speelde een cruciale rol in die weerspannige periode tussen 1780 en 1800. Spotprenten, pamfletten, boekwerken - alles was volop te koop. Het schelden en schimpen, laster en vuile praat ('demonisering') gingen over en weer. Een van de productiefste scribenten was de (patriotse) Delftenaar Gerrit Paape. Hij was enige tijd privé-secretaris van de patriotse legergeneraal Daendels en had een scherpe pen. Zo betitelde hij Willem V als 'den Lucifer uwer zeven Gewesten' en 'de Bron waaruit alle uwe Kwaaden voortvloeijen'. Omgekeerd ging het er niet minder aan toe.

Rosendaal doorspekt zijn verhaal met tal van - rijk gedocumenteerde - anekdoten en citaten. Zo wijst hij op de ontstaansgeschiedenis van de Brandenburger Tor in Berlijn. De Pruisen, onder leiding van Frederik Willem II, waren Nederland heel behulpzaam geweest bij het weerwerk tegen de patriotten. Als dankbetuiging voerden de Staten van Holland een speciale belasting in, de vijfentwintigste penning. Mede met dat geld werd zijn 'triomfale Poort van de Vrede' gebouwd, 'die moest herinneren aan de overwinningen van zijn oom, Frederik de Grote, maar zeker ook aan de vrede die hij had gebracht in de Nederlanden.' Conclusie: 'Het latere symbool van de Duitse eenheid was het product van de onderdrukking van de Nederlandse democratie en vrijheid van meningsuiting, betaald met van Nederlanders afgeperst geld.'

In zijn epiloog trekt hij op een boeiende wijze lijnen naar het heden. Wat heeft de patriottisch/Bataafse periode nu nog te bieden? Dat is niet mis. Een parlement, een scheiding tussen kerk en staat, een aanzet tot een redelijk onderwijsstelsel, een overdacht kiessysteem, gelijkberechtiging voor alle groeperingen (de joden kregen in 1796 het burgerrecht; daarom is het een beetje raar dat Rosendaal niet even de naam noemt van Jonas Daniël Meijer, die in 1796 als eerste jood tot advocaat werd benoemd bij de Amsterdamse rechtbank), een eenheidsstaat.

In de nationale herinnering blijven beelden bij van de aanhouding van Wilhelmina bij Goejanverwellesluis (1787), de Rotterdamse Orangiste Kaat Mossel en de slag om Hattem (1786). Maar dat zijn de beelden. Veel belangrijker zijn de ideeën. 'De revolutie maakt duidelijk dat de Nederlandse geschiedenis zacht gezegd niet gladjes is verlopen', concludeert Rosendaal in zijn laatste regels. 'Zonder oog voor de radicale onderstroom zal de Nederlander zichzelf nooit leren kennen. De Nederlandse Revolutie laat zien dat allerlei instellingen en beginselen die wij nu als vanzelfsprekend beschouwen, in het geheel niet zo vaststaand zijn.'

Meer over