Het geheime groen van Amsterdam

Wie langs de Amsterdamse grachten loopt, vermoedt waarschijnlijk niet dat de historische panden aan de achterkant net zo fraai - of zelfs fraaier - zijn dan aan de voorkant....

JAN LUIJTEN

Op de omslag van Amsterdamse grachtentuinen - Keizersgracht (Waanders; ¿ 59,95) wordt terecht gesproken over 'een groen geheim', en doel van het op initiatief van de Stichting de Amsterdamse Grachtentuin tot stand gekomen boek is dit geheim te openbaren. De stichting inventariseert de grachtentuinen in de Amsterdamse binnenstad en het eeste resultaat van dit omvangrijke werk is het boek over de Keizersgracht. Boeken over de andere grachten volgen.

De samenstellers van het eerste deel hebben gekozen voor een systematische aanpak. Na een uitvoerige inleiding wordt begonnen met de tuin achter Keizersgracht 4 en het boek eindigt met Keizersgracht 763. Van elke tuin wordt meegedeeld hoe groot hij is, hoe hij is ingedeeld en welke planten, struiken en bomen erin staan. Deze gegevens worden meestal geïllustreerd met een kleine zwart-wit foto. Verspreid in het boek staan ongeveer dertig kleurenfoto's, die goed in beeld brengen hoe gevarieerd deze tuinen zijn aangelegd en hoe fraai en intiem ze soms zijn.

Uit de inleiding van Erik de Jong en Wouter Reh blijkt dat de tuinen achter de Keizersgracht een lange geschiedenis kennen. Balthasar Florisz maakte in 1625 een kaart van Amsterdam, waarop al duidelijk de tuinen van de Keizersgracht te herkennen zijn. Ze waren een gevolg van de bouwvoorschriften aan het begin van de zeventiende eeuw. 'In 1615 mochten de 180 voet diepe erven aan de oostzijde van de Keizersgracht slechts tot 100 voet bebouwd worden', aldus De Jong en Reh.

Zij beschrijven hoe in de loop der eeuwen de opvattingen over tuin en park veranderden. Aanvankelijk werden tuinen gebruikt voor het kweken van groente en fruit en voor het bleken van de was. De bleekvelden werden almaar groter, want in de zeventiende eeuw werd 'het dragen van wit linnen hemden een teken van persoonlijke hygiëne en status'. Een eeuw later werden de tuinen meer een weerspiegeling van natuur en landschap. Die 'natuur' begon al in de huizen. 'Dat men in de stad de illusie van natuur en landschap wenste te versterken', schrijven De Jong en Reh, 'blijkt uit de wandtapijten en schilderingen in de vertrekken van de grachtenhuizen, die veelal imaginaire bos- en tuinlandschappen voorstellen.' Geciteerd wordt Elisabeth Maria Post, die in 1788 opmerkte: 'Tonen deze behangsels niet duidelijk dat wij stadsbewoners, hoezeer wij in kostbaarheid, in pracht en grootheid van de zeden der natuur afwijken, evenwel haar eenvoudige tonelen tot ons geluk nodig hebben?'

De 'behangsels' zijn thans veelal verdwenen, maar niet, zoals iedereen nu kan lezen en zien, de tuinen van de Keizersgracht.

Jan Luijten

Meer over