Het geheim van Minnertsga

Rients lag vier jaar dood in het huis dat hij samen met zijn broers en zussen bewoonde. De dorpsbewoners van Minnertsga viel het bijzondere van 'die rare familie Wolbers met hun doorgeschoten geloof' niet meer op. Door Toine Heijmans

Toine Heijmans

Het huis staat in de steigers. Het krijgt een nieuw dak. Bouwlui kijken recht de kamer in waar het gebeurd moet zijn, op de eerste verdieping. Een kraan blokkeert de straat en Piet loopt naar buiten om de bouwlui te vragen hoe het gaat.


Het is een huis waarvan er tienduizenden zijn. Niemand had zich erom bekommerd als Rients op een normale manier was gestorven en gewoon in tien minuten was begraven zoals ze doen in zijn familie: zonder grafsteen, anoniem in de aarde. Dan waren er geen journalisten gekomen naar Minnertsga. Dan was het huis gebleven wat het was: een jarenzestignieuwbouwhuis, sinds de oplevering bewoond door de familie Wolbers.


Maar Rients lag vier jaar dood in die kamer. In dat huis waar hij met zijn broers en zussen woonde. Hij lag daar en zijn broers en zussen deden niets.


Iedereen in Minnertsga weet van de familie Wolbers, en iedereen denkt er het zijne van. Maar ze waren eraan gewend geraakt. Die rare familie Wolbers, met hun doorgeschoten geloof. Ach. Als je lang genoeg naast iets bijzonders woont, valt het bijzondere niet meer op. De familie leeft zoals ze zelf graag wil leven, zeggen ze in Minnertsga. Het is hun keuze; wie zijn wij om daar wat van te zeggen? Oane loopt elke dag zijn rondje door het dorp, in zijn duffelse jas. Hij draagt een pet. Piet draagt een hoed. Ze stellen zich graag van alles op de hoogte, spreken op straat bekenden aan. Hadden ze niet dat geloof, dan waren het gewone mensen.


Ze werden zwakbegaafd genoemd, nadat Rients' lijk was gevonden - maar dat is flauwekul. Ze begrijpen donders goed dat ze bijzonder zijn. Ze houden alleen maar vast aan de overtuiging dat God met ze meekijkt, dat ze Uitverkoren zijn. Precies zoals hun vader het ze heeft geleerd.


In het huis wonen vier mensen: twee broers en twee zussen. Piet en Oane, Mattie en Doete. Dat is alles wat overbleef van hun familiesekte. Ze leefden vier jaar met een dode, ze liepen dagelijks langs zijn kamer, ze moeten het geweten hebben. Rients was voor het laatst gezien op 13 april 2006. Hij voelde zich niet lekker, schopte ruzie, ging naar zijn kamer en zei: laat me met rust. Op 21 juni 2010 deed Piet de deur van zijn kamer open en daar was Rients, een mummie.


De woningstichting zou het huis komen repareren. Ze zouden Rients vinden. Daarom had Piet de deur opengedaan.


'Ik heb hem gevonden, ja', zegt Piet. 'Hij was al even dood. Hij had zelf gezegd dat we hem niet mochten storen. Maar wat ze schrijven, met die grote koppen in de krant, dat is allemaal niet waar. Hij was wel even dood, maar niet vier jaar.'


Piet belde de huisarts, en de huisarts belde de politie, en verderop in Sint Annaparochie werd de burgemeester uit zijn collegeoverleg gehaald met de mededeling dat een man vier jaar dood in een bewoond huis lag, en twee dagen later stonden er camera's en journalisten in de straat.


Hoe dat mogelijk was, vroeg iedereen.


Over het nieuwe dak kan Piet lang vertellen. Vaak genoeg had hij zich beklaagd bij de woningstichting, dat het lekte in huis. De broers hadden uiteindelijk zelf maar een plaat tegen de muur gezet om het lekken tegen te gaan, maar die plaat raakte doorweekt.


Piet kijkt naar de werklui. Hij heeft heldere ogen. Van zijn gebit is weinig over; artsen, ook tandartsen, zijn niet welkom bij de familie Wolbers. Die hebben ze niet nodig. Waar het Opperwezen voor de mens zorgt, hoeven dokters dat niet te doen. Exodus 15, vers 26: Want ik ben de HEERE, uw Heelmeester!


Piet loopt het huis in en zegt: 'Met ons gaat het heel goed. Wij kunnen uitstekend voor onszelf zorgen. We hebben geen belang bij een gesprek. Als ik iets tegen je zeg, staat het morgen met grote koppen in de krant.'


Is Rients in goede handen nu?


'Jaha! Zeker is hij in goede handen. Rients is waar hij wilde zijn.'


~


De politiechef zegt: 'Ze doen geen vlieg kwaad. Het zijn beslist aardige, lieve mensen. Niks asociaal. Ze maken geen lawaai.'


De burgemeester zegt: 'Het is gebeurd, en het is niet uit kwade bedoelingen gebeurd.'


Minnertsga is een dorp van 1.800 mensen in de kop van Friesland. Het hoort bij de gemeente Het Bildt. De streek is bekend van de aardappels: langs de straten wordt in kleine kiosken Bildtstar verkocht, en 15 kilo Borgers voor een tientje. Midden in het dorp steekt de plompe toren van een kerk uit 1505 omhoog, daaromheen liggen de doden mooi verzameld in het gras. Rients ligt er ook.


Sinds Rients dood werd gevonden, zijn de politiechef en de burgemeester allebei in het huis geweest. Johannes Holwerda, de politiechef, een keer of vijf. Gerrit Krol, de interim-burgemeester, was er twee keer. Van de familie Wolbers hadden ze allebei nog nooit gehoord, ook al was hun sektarisme decennialang een publiek geheim. 'Vijfduizend woningen hebben we hier', zegt de burgemeester. 'Je kunt als burgemeester niet elke ochtend gaan kijken of iedereen wel op tijd z'n bed uit is.'


De familie komt niet voor in de bestanden van justitie, zegt de politiechef, die 42 dorpen onder zijn hoede heeft. 'Er kan best een keer aangifte zijn gedaan, dat weet ik niet, maar niemand is veroordeeld.'


Nadat het lijk van Rients was gevonden, overwogen de burgemeester en de politiechef een informatieavond voor de bevolking van Minnertsga. Dat hoort erbij tegenwoordig, dachten ze, na zo'n schokkende gebeurtenis. Maar er was niemand die het nodig vond. Zodra de journalisten weg waren, hernam het leven zich snel.


'Het is allemaal overtrokken', vat Lieme Schotanus de mening van het dorp samen. Hij onderhoudt al meer dan twintig jaar het kerkhof. Hij kent de broers en zussen Wolbers van kindsaf aan: 'Vroeger deden ze gewoon mee, ze zaten bij de voetbalclub, op school, ze werkten. We wisten allemaal van dat Wolbers-geloof, maar je went eraan hè.'


De huur van het graf van Rients, zegt hij, is keurig voor vijftien jaar vooruitbetaald. Het geld van vier jaar uitkering, 50 duizend euro, staat onaangetast op een rekening. Rients werd begraven door Piet en Oane en Mattie. Doete bleef thuis. Ze is al jaren niet meer buiten gezien. De begrafenis duurde een paar minuten. Het graf heeft geen steen, 'maar dat gebeurt hier in het noorden vaker', zegt Lieme. 'Zo bijzonder is dat niet.'


De burgemeester: 'De Friese nuchterheid zal er ook mee te maken hebben. Ze vinden het erg voor Rients, ze willen de familie graag helpen, maar als er geen behoefte aan hulp is, ga je over tot de orde van de dag.'


Hoe vaak ook de burgemeester en de politiechef in het huis kwamen en hoe geanimeerd ook de gesprekken waren, echt begrijpen konden ze het niet. 'Je voert een gesprek', zegt de burgemeester, 'maar je wordt het nooit eens.'


'Ze zijn niet wereldvreemd', zegt de politiechef, 'alleen redeneren deze mensen anders. Ze redeneren vanuit boven. Ik ben zelf ook een christen. Dan zeggen ze: Jezus is in staat doden op te wekken, waarom zou hij dan niet voor onze doden zorgen? Onze broer is in handen van God. Daar hoef je niet bedroefd om te zijn. Daar kun je dan wat tegenin willen brengen, maar je raakt elkaar niet. Ze zijn niet beïnvloedbaar.'


Eén keer heeft de politiechef geroepen: 'Hoe kan dat nou!' Dat was terwijl hij aan tafel met ze zat. Het hielp niet.


Of de broers en zussen strafbaar zijn, is aan het Openbaar Ministerie in Leeuwarden. Dat doet al een tijdlang onderzoek, maar geeft de zaak geen prioriteit. De officier van justitie die het dossier behandelt, wil er niet over praten. Duidelijk is dat Rients een natuurlijke dood is gestorven, dat heeft het Nederlands Forensisch Instituut onderzocht, zegt de burgemeester. De vraag is nu of de broers en zussen een zorgplicht hadden voor hun broer. Als dat zo is, worden ze misschien vervolgd. 'Volgens de Wet op de Lijkbezorging moet een dode binnen vijf dagen begraven worden', zegt de politiechef. 'Dan hebben ze de wet overtreden. Maar als je niet weet dat iemand is overleden? Dat is een hele lastige.'


~


Het verhaal van de familie Wolbers speelt zich af in het Noord-Friese landschap, dat beprikt is met kerktorens die steil omhoog komen uit akkers en weilanden. Tussen die torens is heel wat afgepraat over de ware aard van het geloof, er zijn oude kerken gesplitst en nieuwe geboren. Er zijn vooral veel kerken ter ziele gegaan, zoals in het boek Hoe God verdween uit Jorwerd van Geert Mak.


Tegenwoordig zijn de windmolens er hoger dan de kerken. Maar de sporen die de geloofsgeschiedenis er trok, zijn diep.


In dat Friese landschap wonen nog de kinderen en kleinkinderen van de familie Wolbers, de neven en de nichten. Die weten hoe het eraan toeging in het huis in Minnertsga. Ze wonen in dorpen met namen als Pietersbierum, Sexbierum, Tzummarum, Beetgum, Sint Annaparochie, Oosterbierum; een paar wonen in Franeker.


Er zijn niet veel familieleden die erover willen vertellen, omdat het wonden openrijt, omdat ze het hebben weggeduwd, omdat ze niet als een Wolbers herkenbaar willen zijn, of vanwege het verdriet. 'Ik kan er niet over praten', zegt een broer die het huis verliet. 'Ik sla gewoon dicht.'


Er zijn twee familieleden die wel uitgebreid vertellen. Ze zijn van de derde generatie. Sjirk Buren (47) is de zoon van Doete (71), die nog steeds in het huis woont. Willy (44) is de dochter van Tine, die overleed aan een onbenullige ziekte omdat er geen dokter bij mocht komen.


Sjirk zegt: 'Ze deden geen vlieg kwaad, voor de buitenwacht. Maar binnen de familie is er heel wat veroorzaakt. Het is bijna boosaardig wat ze hebben gedaan. Het gaat om grote ego's, om eigenbelang. Maar je kunt er niets tegen ondernemen. Je kunt er niet ingrijpen. Zo denk ik erover.'


Willy zegt: 'Waarom heeft niemand deze mensen ooit gestopt?' Ze zegt ook: 'Begrijpt dan niemand hoeveel levens deze familie heeft verpest? Ook het mijne. Je bent je halve leven bezig om jezelf terug te vinden. Ja, het zijn aardige mensen. Ze vallen niemand lastig. Maar ondertussen.'


~


Dit is de geschiedenis van de familie Wolbers, zoals die in de familie wordt verteld.


Het begint met Harke Wolbers, de stamvader. In de jaren voor de Tweede Wereldoorlog trouwt hij Willemke, zijn nicht. Zij is een stuk jonger dan hij. Ze wonen in Welsrijp, een dorp met een kerk die is gekroond met een kleine houten toren.


Van oorsprong katholiek had Harke Wolbers zich tot het baptisme gewend, een kleine protestantse stroming. Maar in Welsrijp krijgt Harke onenigheid met andere baptisten, een religieuze strijd die zo hoog oploopt, dat de familie Wolbers de toegang tot de zondagsdienst wordt ontzegd. Een paar zondagen nog posteert hij zich met het gezin demonstratief voor de kerkdeur, maar dan wijkt hij uit.


Harke Wolbers begint voor zichzelf. Hij verhuist naar Oosterbierum en houdt in de woonkamer zijn eigen zondagsdiensten. De Statenvertaling van de Bijbel is er leidend tot op de komma. Daarnaast vooral de zangbundel van Johannes de Heer, de evangelist en orgelbouwer die nog aan de wieg stond van de NCRV. Ze zingen veel in huis, en spelen op een orgel. Er is direct contact met God, die ze zelf liefst het Opperwezen noemen, en die Boodschappen laat uitgaan, of Opdrachten, letterlijk terug te vinden in de Bijbel of de liederen van Joh. de Heer, of in andere belangrijke teksten.


Het geloof van Harke Wolbers heeft geen naam. Dat is ook niet belangrijk. Ze zijn geen zendelingen; ze zijn het Uitverkoren Volk - die term gebruikt hij expliciet. Mattheüs 22, vers 14: Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.


De uitverkorenen komen in de hemel, de rest komt in de hel, wat betekent dat de hemel waarschijnlijk alleen is weggelegd voor de familie Wolbers.


Van Oosterbierum verhuist het gezin naar Minnertsga, 7 kilometer verderop. Daar kunnen ze in 1969 een nieuwbouwhuis betrekken van de woningstchting. Harke en Willemke hebben dan dertien kinderen: Dirk, Oane, Piet, Hyltsje, Johannes, Reintje, Sybrigje (Sippie), Tine, Harke, Meindert (Meinte), Martha (Mattie), Doete en Rients.


Sommige kinderen vliegen uit, trouwen, gaan elders wonen, krijgen zelf kinderen. Maar tot een verdere verspreiding van het Wolbers-geloof leidt het niet. Sommigen keren terug naar het huis in Minnertsga, dat steeds meer een bolwerk wordt. Ze laten hun gezin ervoor in de steek.


Ze accepteren geen hulp van buitenaf. Of het nu van een dokter komt of van een sociaal werker - met ons gaat het prima. Ze zorgen voor zichzelf, want God zorgt voor hen. Zoals God ook voor Rients zorgt, sinds zijn dood.


Thuis heeft Sjirk Buren twee fotoboeken van de familie. Hij laat een foto zien van Harke en Willemke, tijdens de bruiloft van zijn ouders, in 1961. Een doodgewoon Fries stel in zondagse kleren, hij duidelijk ouder dan zij. Sjirks moeder draagt een schitterende bruidsjurk, en lacht zorgeloos vanuit een auto. Ze is nu


Vervolg op p5


'Je gaat het nooit begrijpen, ook al heb je ertussen geleefd'

Vervolg van p3


71. Hij heeft haar al jaren niet meer gezien of gehoord.


Van een andere bruiloft, die van Mar-tha met haar eerste man Klaas, herinnert Sjirk zich zich hoe stamvader Harke het gebed uitsprak, 'nou ja, gebed - het was meer een donderbui van een kwartier.'


Willy herinnert zich de familie, om de tafel op zondagmiddag, handen op de rug, knikkend met hun hoofden, als in trance. Iemand had 'het woord van God gekregen', en daar werd dan uitvoerig over gepraat. Ze zegt: 'Je gaat het nooit begrijpen, ook al heb je ertussen geleefd.'


Hoe zwaar de Wolbersen het geloof ook nemen, ze dragen geen zwarte kleren. Binnen de regels van het Opperwezen genieten ze van het leven. Als ze iets kopen, kopen ze het beste. Dat maakt het Wolbers-geloof tot een merkwaardig mengsel van streng baptisme, Johannes de Heer, opgewekt evangelisme en betonnen koppigheid. Te streng voor de gewone kerk, te frivool voor zwarte kousen.


In huis kan het er vrolijk aan toegaan. Radio en televisie zijn verboden, roken en drinken niet - alles volgens de Bijbel. Mattheüs 15, vers 11: Hetgeen ten monde ingaat, ontreinigt den mens niet; maar hetgeen ten monde uitgaat, dat ontreinigt den mens.


Er zijn familieleden met een alcoholprobleem. Tegen twee inmiddels overleden broers is in 1984 aangifte gedaan van seksueel misbruik. Volgens het slachtoffer zijn de broers aangehouden en ondervraagd door het Openbaar Ministerie in Leeuwarden. Tot vervolging kwam het niet. 'De officier van justitie zei: het is hun woord tegen het jouwe.' De aangever zegt ook: 'Je kunt er donder op zeggen dat dit gebeurt, in zo'n religieuze omgeving. Als je geen omgang kunt hebben met normale mensen. Maar onderwijl is die familie niets in de weg gelegd. Ze hebben gewoon hun gang kunnen gaan.'


Politie noch Openbaar Ministerie wil zeggen of ze die geschiedenis kennen. Het OM mag die gegevens niet verstrekken, zegt een woordvoerster.


~


Harke Wolbers sterft op zijn 73ste. Willemke wordt 57. Na de dood van zijn vader neemt oudste zoon Dirk de leiding over in huis. Hij is de strenge voorman, de 'aangever' die het 'woord van God' bij de andere familieleden 'neer kan leggen'. Hij neemt de beslissingen. Elke beslissing vindt in de Bijbel of een liedtekst een gelijk.


Dirk sterft in 1992. Van de vier die nu nog in het huis in Minnertsga wonen, is Piet de leider.


Piet is nooit het huis uit gegaan, de andere drie wel. Doete heeft twee dochters, en zoon Sjirk. Ze is 51 als ze haar gezin in de steek laat en terugkeert naar het huis in Minnertsga. Oane heeft vier kinderen, uit de tijd dat hij in Drachten woonde. Ook hij is teruggekeerd naar huis, en naar het geloof. Mattie had twee keer een man en kreeg vijf kinderen, van wie ze er vier verloor. De vijfde is bij de scheiding toegewezen aan haar tweede echtgenoot.


Sjirk heeft zijn moeder al jaren niet meer gezien of gesproken. Hij heeft haar geregeld gebeld. 'Maar het was eenrichtingsverkeer. Ze vroeg me niet eens hoe het met mijn kinderen was. Toen heb ik het besluit genomen ermee te stoppen. Het is niet anders.'


Sjirk was 12 toen zijn moeder veranderde. Ze woonden in Tzummarum. Zijn moeder ging steeds meer luisteren naar de stemmen uit Minnertsga. Avondenlang zat ze in de kamer voor zich uit te staren.


Op doordeweekse dagen kwamen broers en zussen bij haar op visite. Ze kwamen nooit op zondag; dan was autorijden verboden. En ze kwamen alleen als Sjirks vader niet thuis was; die moest niets hebben van het geloof. Dan zaten ze eerst rond de tafel te praten. Dan werden er beslissingen genomen.


Tante Mattie, bijvoorbeeld, wilde weg uit het huis in Minnertsga. Ze kreeg een huurwoning aangeboden van de woningstichting. De broers en zussen overlegden wat te doen. Van God, zegt Sjirk, kwamen dan 'Opdrachten' of 'Boodschappen' die de beslissing moesten leiden. Sjirk kent ze uit het hoofd. In dit geval bood psalm 127:1 uitkomst: Als de HEERE het huis niet bouwt, tevergeefs zwoegen de bouwlieden daaraan. Een teken van God dat tante het huis niet uit mocht. En handig voor de broers, die liever hun huishoudster niet kwijtraakten.


Sjirk werkte dertig jaar in de theologische boekhandel Wever Van Wijnen in Franeker, maar in alle boeken over religie en filosofie die hij las, vond hij bij geen enkele godsdienstsocioloog iets dat het geloof kon duiden dat zijn moeder in de ban hield. Knielen op een bed violen van Jan Siebelink kwam nog het meest dichtbij. Maar dat speelt in een zwartgerokte wereld, een andere dan die van de Wolbersen.


Nu is zijn theorie: 'Het was allemaal alleen maar eigenbelang.' Niks religie. 'Als de oudste broer zijn macht wilde laten gelden, zette hij het Opperwezen in. Een Bijbeltekst, en het is een besluit. Uiteindelijk kwam er altijd wel weer iets van boven waaruit bleek dat zijn beslissing de juiste beslissing was.'


Als het zo uitkwam, lieten ze de eigen principes even gemakkelijk los. Sjirk geeft een voorbeeld: dokters waren niet welkom in Minnertsga, maar toen Dirk last kreeg van zijn hart, liet hij zich gewoon behandelen in het ziekenhuis van Leeuwarden. Op zondag. De vader van Sjirk was erheen gereden, iets wat ook niet mocht op zondag, en in het ziekenhuis zei Dirk: waarom kom je zo laat?


Sjirk zegt nu: 'Te gek voor woorden. Dat was een man die anderen namens het geloof liet doodgaan omdat er geen arts mocht komen. Die anderen oplegde dat ze niet mochten autorijden op zondag.'


Bij Willy broeit eenzelfde woede. De moeder van Willy heet Tine. Ze was 36 toen ze stierf aan een nierontsteking, iets wat doorgaans vrij eenvoudig met antibiotica te verhelpen is. Maar omdat het Opperwezen voor haar zorgde, was antibiotica niet nodig, vond haar moeder en vond de familie. Er mocht geen dokter komen. Haar vader was niet sterk genoeg om zich ertegen te verzetten. 'Zo zijn meer familieleden onnodig overleden.'


Het gebeurde in 1980. Pas sinds kort heeft Willy het gevoel dat de geschiedenis achter haar ligt.


Toen haar moeder stierf, kreeg Willy tante Mattie in huis, 'als een soort tweede moeder - zo zal ze het wel bedoeld hebben. Dat heb ik, als kind, moeten ontgelden.' Tante was streng en gewelddadig, en ze dronk. Ze had verdriet om de kinderen die ze had verloren. Het was frustratie, denkt Willy. De dag dat ze uit huis ging, noemt Willy de dag dat ze werd 'bevrijd'.


Na de dood van Dirk werd het stiller in het huis. 'Het huis in Minnertsga', zegt Willy, 'is het laatste bastion.'


~


Rients was een geval apart. Hij was niet zwakbegaafd. Hij was wel 'simpel', zeggen familieleden en dorpsgenoten; hij was vrolijk en direct. Hij kon uitbarsten en ruzie maken. Hij werkte een tijdlang bij de sociale werkvoorziening. Hij kon niet op zichzelf wonen, en had in het huis, dat zo doordrenkt was van geloofsregels, een merkwaardige postie. 'Hij paste niet in het regime', zegt Nico Zonderland, de voorzitter van Vereniging Plaatselijk Belang Minnertsga. 'Hij hoorde eigenlijk in een gezinsvervangend tehuis.'


Rients deed niet erg mee met het geloof. Hij ging naar de kroeg, had een radio en een televisie en woonde op zolder. Om zijn kamer te bereiken moest je een vlizotrap uitschuiven. Later verhuisde hij naar beneden, naar de kamer waar hij overleed.


Klaas Wiersma kent hem als de jongen die 'met een grote radio op zijn nek' voor het huis stond. Wiersma drijft samen met zijn vader de Co-op Compact, waar de broers nog elke dag boodschappen doen. 'Maar je zag hem steeds minder buiten. Niemand vond het gek dat hij op een gegeven moment helemaal niet meer buiten kwam.'


Langzaam verdween Rients uit het straatbeeld. Hij liet zich nauwelijks meer zien in de kroeg. Hij liep ook niet meer met zijn radio over straat. 'De laatste keer is wel tien, vijftien jaar geleden', zegt Nico Zonderland. 'Zijn gezondheid was niet goed. Hij was mager - schraal en mager. Hij kwakkelde altijd met zijn gezondheid.'


Hij zegt wat veel bewoners van Minnertsga zeggen: 'Ze moeten het geweten hebben.'


Klaas Wiersma: 'Je kunt mij niet wijsmaken dat je niet weet dat hij dood is. Ze zijn altijd thuis. Dat moet opvallen.'


Hij zegt ook: 'Het is gemakkelijk om je achter het geloof te verstoppen.'


~


Hoe het er nu voorstaat in het huis in Minnertsga - niemand weet het precies. Niemand behalve de broers en zussen weet wat er precies is gebeurd met Rients. Is hij ooit zijn kamer uitgekomen nadat hij zich had teruggetrokken? Is hem ooit eten of drinken gebracht? Waarom is zijn lichaam een mummie geworden? Waarom heeft niemand de lijkengeur geroken, ook de buurman niet? Hoe hebben ze samen aan tafel de situatie besproken? Met welke Bijbelteksten hebben ze zijn dood verklaard? En met welke hebben ze hun nietsdoen vergoelijkt? Is er ruzie geweest? Hoe ziek was Rients toen hij zich terugtrok? Had een dokter hem kunnen helpen?


'Het is altijd een vreselijk hechte familie geweest', zegt Willy. 'Ze bekommerden zich om elkaar. Er moet dus iets niet helemaal goed zijn geweest met die vijf. Het is heel sneu en triest. Ik vind dat mensen als zij geholpen moeten worden.'


De enige buitenstaanders die sinds de vondst van het lijk binnenkwamen in het huis, waren burgemeester Krol en politiechef Holwerda. De hulp die de burgemeester heeft aangeboden, is afgeslagen. Het bevalt hem niet. Hij zegt: 'Ik ben met ze gaan praten omdat ik zeker wilde weten dat het niet nog eens zou gebeuren. Daar ben ik nog steeds niet zeker van. Echt niet zeker.'


In het dorp gaan geruchten dat Doete ziek is, of al dood, maar de burgemeester trof aan tafel in de woonkamer vier mensen in goede doen. Niemand is ziek, zegt hij. Met alle vier had hij een levendig gesprek.


Hij wil ze in de gaten houden. Maar hoe? Je kunt moeilijk gaan spioneren, zegt hij. 'Ik kan ook moeilijk elke maand langsgaan om te kijken of ze allemaal nog leven. Afgezien van de juridische mogelijkheden - dat doe je niet.'


Onderwijl heeft hij wel een manier bedacht om te voorkomen dat het nog een keer gebeurt. Dat straks Doete dood gevonden wordt, of Mattie, of Oane, of Piet. Hij laat ze in de gaten houden; hoe precies wil hij niet zeggen.


~


Wat er ook te gebeuren staat onder het nieuwe dak van het huis in Minnertsga, het Wolbers-geloof loopt er ten einde. Piet, Oane, Doete en Mattie zijn de laatsten van de stam.


Willy zegt: 'Het roeit zichzelf uit. Gelukkig maar.'


Sjirk: 'Dat is het licht aan het eind van de tunnel: het houdt op. Het stopt.'


Meer over