Het geduld van een rivier

Het ritme van de natuur, onzichtbaar voor ons oog - de Italiaanse kunstenaar Giuseppe Penone toont het in vergankelijke werken....

Door Sacha Bronwasser

De man van het bos, werd hij genoemd. L'homme des bois.

Giuseppe Penone, academiestudent, trok in het vroege voorjaar van 1968 de bossen in op de heuvels van de Piemonte. De sneeuw kraakte onder zijn schoenen, zijn adem wolkte voor hem uit.

Hij omarmde een boom. De contouren van zijn lichaam verankerde hij met ijzerdraad in de bast. Om een andere boom klemde hij een spiraal van draad, van weer een andere sneed hij een tak terug tot een vierkante stok. Tussen drie andere bomen legde hij, precies passend, een platte steen. Bijna spelend, zoals hij vroeger in diezelfde bossen had gelopen; maar wel ernstig nu, op zoek naar iets wat hij niet uit boekjes kon leren, maar wat uit hemzelf kon komen; boerenzoon, buitenkind, jongen uit de Organavallei.

Een fotograaf uit zijn dorp maakte er foto's van. En nog eens toen de lente gekomen was, de sneeuw gesmolten en de nieuwe bast van de bomen om de verse wonden heen begon te groeien. En later nog eens toen de bomen de steen opgetild hadden op hun tocht naar boven, naar het licht. Giuseppe Penone nam de foto's mee naar galerist Enzo Sperone, waar Germano Celant binnenliep. De schrijver was bezig aan zijn eerste boek over 'Arte Povera' - en de deuren van de kunstwereld openden zich.

Zo ongeveer begint het sprookje van de boerenzoon Penone die het tot internationaal kunstenaar schopte. Het Centre Pompidou in Parijs heeft een omvangrijke tentoonstelling ingericht, meer dan vijfendertig jaar werk waaruit het bos nooit verdwenen is. In Nederland is in paviljoen De Verbeelding in Zeewolde (centrum en wandelroute met kunst in relatie tot de natuur) een film over deze expositie te zien en wordt een nieuw boek over de kunstenaar gepresenteerd. Die was er zelf afgelopen zaterdag ook, en begeleidde Franse kunststudenten langs de beeldenroute in de Flevopolder.

In Parijs weet Penone, hoe knap in het kakofonische Centre Pompidou, al in de hal tot stilte te bewegen. Als een reus staat daar een dikke ceder waar een rechthoekig gat in gesneden is. In het midden is het hart van de boom blijven staan, een jonge boom met dunne takken die al die jaren, al die decennia daar verborgen zat. Bezoekers speuren naar naden, naar de truc waarmee het boompje er later is ingezet: nee.

Al vele malen eerder legde Penone op deze manier 'de ziel' van bomen bloot, de expositie staat er vol mee. Vanuit de noesten werkt hij naar binnen, ring na ring na ring, totdat hij op de kern stuit. Niet alleen hele bomen, maar ook planken en balken bewerkte hij, vanaf 1969 tot nu. Omdat het zo plezierig was om een boom onder handen te hebben, iedere zomer , vertelt hij in een interview in de catalogus.

Dat is te bescheiden. Ook na vele malen herzien, blijft het een revelatie: alsof Penone met zijn beitels een gat in de tijd boort en je rechtstreeks naar het verleden laat kijken. Kijk, daar staat de dunne tak, die in een tempo onzichtbaar voor het oog zal uitgroeien tot een ceder zo dik als vier volwassenen.

De groei van bomen zal Penone zijn leven lang boeien. 'Vloeibaar materiaal' noemt hij een boom, materiaal dat gevormd kan worden - als er maar genoeg tijd is. 'Als je een boom vast zou houden en jarenlang niet zou bewegen, dan zou de druk die de hand uitoefent de boom veranderen.' Hij voert het werk ook daadwerkelijk uit, maakt een hand van brons die een boom omklemt en inderdaad, na jaren is de boom om de hand heengegroeid die nu het hart vasthoudt. Hij zet zijn groei voort behalve op dit punt, noemt Penone het werk, waarvan nu alleen nog foto's bestaan.

De boom is geen geweld aangedaan, maar zoekt gewoon zijn weg om het obstakel heen, als water dat heel langzaam stroomt. 'De tijd van leven van een boom is heel anders dan die van de mens', zegt de kunstenaar. 'Je zou de seizoenen als het ritme van de ademhaling kunnen zien; in de winter houdt de kale boom zijn adem in; als het voorjaar komt, begint hij weer. Als je je realiseert dat de dingen om ons heen een heel ander ritme hebben dan wijzelf, zie je ze anders.'

Het is alsof het beroemde gedicht Tijd van M. Vasalis ('Ik droomde dat ik langzaam leefde/langzamer dan de oudste steen') een illustrator heeft gevonden. Niet alleen bomen werden bewerkt, maar Penone nam ook stenen onder handen, en sleep ze in dezelfde vorm als een rivier dat in eeuwen had gedaan (Rivier Zijn, 1992). Of hij probeerde, juist andersom, iets vluchtigs als een een ademwolk in klei te vatten (Souffle, 1978). '. . .'k Zag de drang waarmee/de bomen zich uit de aarde wrongen/terwijl ze hees en hortend zongen', schrijft Vasalis.

Het is deze notie van verschillende tijdschalen die van Penone meer maakt dan het jongste broertje van de Italiaanse Arte Povera-groep. De groep bestond officieel slechts drie jaar (1968-1971) maar de naam is nog steeds met Italiaanse kunst van de vroege jaren zeventig verbonden.

Penone was zeker de minst lawaaiige. De veel bekendere Michelangelo Pistoletto trok met zijn performance-groep La Zoo in heksenkostuum door de straten van Turijn, of riep 'het einde van Pistoletto' uit en liet gasten van zijn opening rondlopen met maskers met zijn eigen gezicht erop. Jannis Kounellis, de veritaliaanste Griek, liet een expositieruimte ombouwen tot paardenstal. Allemaal wilden ze loskomen van het kunstwerk als ding, als object dat binnen de kunstmarkt een rol speelde en waarde had. Processen, evenementen, ingrepen - en als er al materiaal gebruikt werd, dan was dat meestal vergankelijk en waardeloos.

Het meest typische Arte povera-werk (en een Fremdkr in zijn oeuvre) is een fotoserie van de jonge Penone die spiegelende lenzen draagt. Zijn lege, spiegelende ogen maken van hem een leeg ding, een kunstwerk waarin de toeschouwer eerst zichzelf ziet - mooie foto's, maar ook een wat flauw aftreksel van alle spiegel-werken waarmee Pistoletto al bekend geworden was. Behalve dit werk ging Penone zijn eigen gang, ver weg van de artistieke discussie in de steden en dicht bij zijn wortels, in de weer met water, hout en aarde.

Het is daarom teleurstellend te zien dat ook Penone niet ontsnapte aan de valkuil waarin vrijwel alle Arte Povera kunstenaars in de loop van de jaren tachtig en negentig trapten. Een begrijpelijke valkuil, dat wel: iedereen die zo tegen 'het object' en 'de kunstmarkt' was, begon op latere leeftijd toch objecten te maken die in serie gemaakt en verkocht konden worden. En als ze dat zelf niet deden, dan zorgde de markt er wel voor dat de 'waardeloze' steenkolen van Kounellis op een gegeven moment in alle Europese musea als precieuze voorwerpen te kijk stonden en verkocht werden. Penone begon steeds meer bladeren in brons af te gieten, boomstammen van kristal te maken en naar eigen zeggen 'duurzaamheid te zoeken'; te maken en zo zijn eigen werk te ontkrachten.

Een zaal in het Centre Pompidou is van boven tot onder behangen met kooien waarin miljoenen laurierbladeren geperst zitten - de lucht is zwaar van de zuidelijke geur. De schaduw inademen heet het werk uit 1999, en dat is een mooi onzichtbaar ding, totdat je het brons achterin ontdekt; een paar longen, samengesteld uit bronzen bladeren. Weg toverij.

Of de structuur van de huid die Penone in tekeningen en reli tot enorme grootte opblaast om je zo niet een andere tijd, maar een andere schaal te tonen. Ook hier gaat het mis zodra er bladgoud en platen marmer ingevoegd worden en de kunstenaar natuurkitsch produceert, uitermate geschikt voor in het prieel.

Dat is jammer, jammer en jammer voor een kunstenaar die je de Tijd heeft laten zien, die zich het geduld van een rivier of de blik van een microbe aanmat. Die het verborgen leven toonde in iedere deurpost, stoelpoot en steen, een voortrazend leven waar wij achteloos aan voorbij gaan.

Meer over