Het Franse chagrijn

Vanavond wordt in Amsterdam met het traditionele Boekenbal de 69ste Boekenweek geopend...

Peter Swanborn

Gare du Nord - Ontmoetingen met Frankrijk is het motto en zoals aangekondigd zal de Stadsschouwburg door studenten van diverse kunstacademies worden omgetoverd tot een echte Parijse jazzkelder, ongetwijfeld inclusief rode wijn, stokbrood en Boursin.

De organisator, de CPNB, heeft vorig jaar het wijze besluit genomen om in het vervolg de Boekenweek ook te gebruiken voor het propageren van een literair tijdschrift.

De Gids viel als eerste deze eer te beurt, dit jaar mocht het jonge, en als altijd fraai vormgegeven Bunker Hill zijn oplage voor keer verzesvoudigen.

De titel die dit nummer meekreeg - Du vin, du pain, du chagrin - is even flauw woordspelig als veelbelovend. Geen romig kaasje dus, maar een stevig brok zwartgalligheid. De vraag is alleen om wiens chagrijn het hier eigenlijk gaat. Is het Rimbaud, is het Proust, is het Houellebecq of is het de lezer die concludeert dat de Franse literatuur momenteel eigenlijk niet veel te bieden heeft?

Dat althans is de conclusie van journalist Pieter van den Blink, die in een kort maar vermakelijk verhaal beschrijft hoe hij verzeild raakt in een Parijse nachtclub, bij nader inzien het Huis der Stromingen van de Franse literatuur. Zijn gids is de schandaalauteur Frric Beigbeder: 'De autofictie,die grote pest van de Franse letteren, heeft ons allemaal te pakken. (. . .) We blijven navelstaren, waar we ook kijken.'

Een andere grote kanshebber is natuurlijk Michel Houellebecq, wiens virtuoze chagrijn de hoofdmoot van dit nummer vormt. Meer dan twintig pagina's duurt het interview met zijn vertaler Martin de Haan.

Het is desondanks een lezenswaardig interview, vooral de tweede helft, wanneer Houellebecq echt op stoom komt en zich even stellig als ongrijpbaar opstelt met uitspraken als: 'Ik word altijd aangetrokken door indrukwekkende, pretentieuze beweringen' of 'Het gaat erom dat je de lezer geen uitweg biedt.'

Maar het echte Franse chagrijn is begonnen met Arthur Rimbaud, aan wiens 'ongelooflijke slechtheid' Guus Luijters een misschien wat al te sappig artikel wijdt. Luijters geeft een reeks voorbeelden van kwaadaardigheden waartoe de 18-jarige Rimbaud in staat was. 'In het huis van de aan tuberculose lijdende pianist Ernest Cabaner verwijderde hij midden winter met behulp van een glassnijder alle ruiten. Een andere keer trok hij zich af in Cabaners dagelijkse glas melk.'

Bunker Hill is vernoemd naar de roman Dreams from Bunker Hill van de Amerikaanse schrijver John Fante. De redactie heeft een kort verhaal gevonden uit de tijd dat Fante in Parijs woonde, zomer 1959. Fante ziet op straat een oude, huilende vrouw staan 'met een huid als de Notre Dame, touwig grijs haar dat aan elkaar plakte van het zweet en wel een duivennest had kunnen zijn.'

De matig Frans sprekende Fante wil haar helpen en schiet een keurige Fransman aan om voor hem het woord te doen. Deze praat met de vrouw en zegt vervolgens: 'Ze wil alleen maar alleen zijn met haar verdriet.' Waarna Fante besluit: 'En ik schoot even vol van de waardigheid van de mens.' Het is een sentimenteel, maar prachtig tegenwicht voor al het Franse 'chagrin'.

Meer over