Het einde van het warme Israël-gevoel

Waren de Nederlands-Israëlische relaties in de jaren vijftig en zestig goed, sinds de jaren zeventig gelden ze als bijzonder. Maar Nederland wordt Europeser, en het gevoel van schatplichtigheid aan het joodse volk erodeert met het verstrijken van de tijd....

door Sander van Walsum

ER WERD al dagen over een mogelijke oorlog gesproken. En daarbij werd de naam van Nasser, die doorging voor een Egyptische Hitler-kloon, met grote regelmaat en onverholen walging gebruikt. In het universum van politiek tekenaar Frits Behrend figureerde hij - met zwart omrande ogen, akelige tanden en voorzien van Russisch wapentuig - als de ideale vijand van het vredelievende, intens democratische en zeer aaibare Israël.

Zo zagen de politieke verhoudingen in het Midden-Oosten er in Nederlands perspectief uit toen ik op de vroege ochtend van 5 juni 1967 door mijn vader werd gewekt met de mededeling dat de oorlog was uitgebroken. Ik keek naar buiten, naar de strakblauwe lucht, omdat ik van jongensboekenschrijver K. Norel had begrepen dat daar de eerste sporen van krijgsgeweld zichtbaar zijn. Pas zo'n kwartier later, toen de onthutste familie aan de slordig gedekte ontbijttafel zat, vernam ik dat het verre Israël het strijdtoneel was. Mijn opluchting hierover bleek echter volkomen ongegrond. Want Israëls lijden was óns lijden. Dat de eerste salvo's door het Israëlische leger waren gelost, deed geen enkele afbreuk aan de lotsverbondenheid tussen Israëli's en Nederlanders die vanaf de kansels en in de kranten werd gedecreteerd.

Alle in het huis aanwezige radio's waren zes dagen continu in bedrijf. Het goede nieuws werd met opluchting en dankbaarheid begroet. En na verloop van tijd maakte zich een euforische stemming van ons meester. Die zomer was de lofzang van Rika Zarai op het bevrijde Jeruzalem een soort nationale hymne. Maar er knaagde ook iets. 'De Israëli's waren toch zo zwák?', vroeg ik mijn vader toen de Golan-hoogvlakte en de Sinaï-woestijn op de buurlanden waren veroverd. Hij kon dat moeiteloos beamen. 'Maar ze zijn ook heel slím', voegde hij eraan toe.

Zes jaar later, toen de volgende oorlog zich aandiende, was er geen sprake van enig misverstand over de rolverdeling tussen David en Goliath. Israël werd van twee kanten belaagd, en in Amsterdam stroomde de Koopmansbeurs vol met solidaire Nederlanders. Buiten vroeg een handjevol betogers aandacht voor het treurige lot van de Palestijnen. Maar hun leuzen werden gesmoord in het geloei van de verzamelde moral majority.

Binnen werd warme eendracht geëtaleerd. Vertegenwoordigers van verschillende politieke partijen wilden in strijdvaardigheid niet voor elkaar onderdoen. De een zei nationale eer boven olie te verkiezen (niet wetende dat hij binnen een week door de Opec op zijn wenken zou worden bediend). De ander riep ten overvloede de ereschuld van Nederlanders jegens joden in herinnering. Een derde spreker moedigde de regering aan, het belaagde Israël in woord én gebaar te steunen.

Defensie-minister Henk Vredeling, die de solidariteitsbijeenkomst 'als privé-persoon' bijwoonde, had reeds op eigen gezag in die geest gehandeld. Hij had zijn Amerikaanse ambtgenoot Schlesinger enige Nederlandse militaire vliegvelden ter beschikking gesteld, en 'leende' een substantiële hoeveelheid wapentuig uit aan Israël. Met de informele besluitvorming die hieraan voorafging, waren hooguit enkele minuten gemoeid geweest, gaf Vredeling naderhand met enige gretigheid toe.

Zijn solo-actie - welbeschouwd een affront van de volksvertegenwoordiging - is in Nederland goeddeels onopgemerkt gebleven. Zo niet in Israël. Al in november 1973 circuleerde er een briefkaart met de afbeelding van een gave tulp in een door dood en verderf geteisterde wereld. En de toenmalige generatie politici in Israël heeft een, naar het schijnt, ongeneeslijke sympathie voor Nederland overgehouden aan deze episode.

Van wijlen Golda Meir is bekend dat zij in tranen uitbarstte toen zij van het gebaar van Vredeling in kennis werd gesteld. Sindsdien verkocht zij in principe geen nee aan Nederlandse journalisten of diplomaten die haar wilden spreken. Voormalig premier Yitzhak Rabin placht, wanneer hij op bezoek was geweest in de Verenigde Staten, op de terugreis een tussenstop op Schiphol te maken. Op internationale fora begaf hij zich, naar verluidt, meteen naar de Nederlandse delegatie. Want die was hem zonder twijfel vriendelijk gezind.

Waren de Nederlands-Israëlische relaties in de jaren vijftig en zestig goed dan wel hartelijk, sinds de jaren zeventig gelden ze als bijzonder. Vooral de Israëli's lijken gehecht aan deze kwalificatie. Bij de begrafenis van Rabin, in 1995, waren premier Kok en koningin Beatrix in protocollaire zin beter bedeeld dan de groten der aarde - president Clinton uitgezonderd. De stationering van een batterij Nederlandse Patriot-raketten tijdens de Golfoorlog gold als een reprise van de Haagse Alleingang in 1973. Zeker toen Ralph Inbar, bijgestaan door een aantal has beens uit de vaderlandse showbizz, een solidariteitslied ten beste gaf. Zijn compositorische zwakte ten spijt, bracht het de Israëli's massaal in vervoering. De bijbehorende videoclip werd dagelijks (soms meerdere malen) op de televisie getoond.

Gebeurtenissen die de idylle dreigen te verstoren, worden simpelweg genegeerd, of wekken wrevel op. Dat was bijvoorbeeld het geval toen de speciale status die de Israëlische luchtvaartmaatschappij El Al op Schiphol geniet in de nasleep van de Bijlmerramp onder vuur kwam te liggen. In Israël reageerde men onthutst op deze trendbreuk. De parlementaire enquêtecommissie die zich nader in de materie verdiepte, oogstte zelfs het verwijt zich op het hellende vlak van het antisemitisme te hebben begeven. Met haar felle kritiek op de zwijgzaamheid van El Al onttrok zij zich, uit Israëlisch perspectief, aan het script van de lovestory.

Om dezelfde reden toont men zich - tegen beter weten in - nogal gehecht aan de mythe dat de Nederlanders hun joodse landgenoten altijd zo goed gezind zijn geweest. Elk bezoek van een Israëlische politicus aan Nederland wordt aangegrepen voor een grijsgedraaide lofzang op de gastvrijheid die joden in de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën zouden hebben genoten, de status van Amsterdam als 'Jeruzalem van het Westen', en - bovenal - de heldenmoed waarvan veel Nederlanders tijdens de Duitse bezetting zouden hebben blijkgegeven.

In Nederland is de oorlogsgeschiedenis aan een grondige herziening onderworpen, maar in Israël wil men daar vooralsnog geen bijdrage aan leveren. Een aantal Israëli's van Nederlandse afkomst drong er in 1995 weliswaar bij koningin Beatrix op aan een boetetocht van haar staatsbezoek te maken, maar de Knesset zat allerminst op een mea culpa te wachten. 'Wij Israëli's houden hardnekkig vast aan onze sympathie voor Nederland', zei de historicus Michael Hersegor eertijds. 'Het ligt heel simpel: jullie Hollanders zijn voor ons een uitverkoren volk.'

Het is echter de vraag of wij die rol nog langer ambiëren. De 'bijzondere band' tussen beide volken is welbeschouwd een invented tradition van vrij recente datum. In tijden van crisis heeft Nederland tot dusverre weliswaar altijd blijk gegeven van een pro-Israëlische gezindheid, maar daarbuiten is zijn houding ten opzichte van de joodse staat vooral ingegeven door een onbevlogen raison d'état.

Na de Tweede Wereldoorlog onthield de Nederlandse regering de zionistische beweging haar steun om Engeland, belast met het protectoraat van Palestina, niet voor het hoofd te stoten. Erkenning van de staat Israël werd vervolgens uitgesteld tot na de soevereiniteitsoverdacht aan Indonesië, om de islamitische onderdanen te ontzien.

Ook in meer recente tijden is de houding ten opzichte van Israël dikwijls gedicteerd door een zakelijke afweging van belangen. Daarvan getuigen de verplaatsing van de Nederlandse ambassade van Jeruzalem naar Tel Aviv, het aandeel van Nederland in de sancties tegen Israël na de invasie van Libanon, de erkenning van het zelfbeschikkingsrecht van het Palestijnse volk, en de neutrale houding tegenover de huidige intifadah.

De 'normalisering' van de betrekkingen baart Israël kennelijk zoveel zorg dat Shimon Peres zich onlangs nog genoodzaakt zag een goodwillmissie naar Den Haag te maken. 'Communicatiestrategie is nu belangrijker dan militaire strategie', hield hij een gehoor van duizend Israël-getrouwen voor. Zodra zijn land in de perceptie van de buitenwereld als Goliath gaat figureren, en in Nederland zijn vriendenstatus verliest, wordt het kwetsbaarder dan het ooit is geweest.

Maar Nederland wordt Europeser, en zijn gevoel van schatplichtigheid aan het joodse volk erodeert met het verstrijken van de tijd. Tezelfdertijd ontwikkelt Israël zich tot een oriëntaals land. De geestelijke kloof verbreedt zich, en over een, twee generaties zal dat warme Israël-gevoel tot de wereld van gisteren behoren.

Meer over