HET EINDE VAN DE POLITIEK?

EINDELIJK is het zover: de spottende woorden van de Duitse dichter Heinrich Heine ('Als de wereld vergaat, ga ik naar Nederland, want daar gebeurt alles vijftig jaar later'), zijn in hun tegendeel verkeerd....

Bestudering van de jongste Miljoenennota en Troonrede leert dat het land volop aansluiting heeft gevonden bij de mondialisering van de economie en daarvan de vruchten plukt. Het financieringstekort begint het nulpunt snel te naderen. Buitenlandse investeerders snellen toe, de werkgelegenheid gaat met sprongen vooruit. De technologische vooruitgang ontwikkelt zich in duizelingwekkend tempo.

De Troonrede, waarin de hand van de nuchtere, met sociaal verantwoordelijkheidsgevoel begiftigde bestuurder Wim Kok duidelijk zichtbaar is, geeft zich niet over aan euforie of zelfgenoegzaamheid. Gewetensvol worden bekende knelpunten nog eens opgesomd: de spanning tussen economie en milieu, de fragieler wordende cohesie in de samenleving, de (on)veiligheid op straat, de problemen in de oude stadswijken met hun veranderende etnische samensteling, de vergrijzing van Nederland, het door personeelstekort en onderinvestering achterblijven van medische zorg en onderwijs, de hardnekkige pockets van langdurig werklozen en arbeidsongeschikten.

En zoals de afgelopen jaren ponds-pondsgewijs moest worden bezuinigd, kan nu volgens dezelfde kaasschaafmethode bijna overal een beetje geld bij: politie, onderwijs (computers), zorg, bevordering van de arbeidsparticipatie, en natuurlijk de infrastructuur om Nederland verder in de vaart der volkeren op te stoten; dan blijft er ook nog een miljard over voor lastenverlichting voor burgers.

Het klinkt allemaal redelijk, verantwoord en doordacht, zij het ook allesbehalve spectaculair of opwindend. Maar zou dat dan moeten? Is het niet logisch en gewoon positief dat in het boomende Nederland politiek evolueert tot een zo zorgvuldig mogelijk pragmatisch beheer? Zonder felle tegenstellingen of hartstochtelijke pleidooien voor haaks op elkaar staande politieke wensen?

Dat het geforceerd oproepen van passie en polarisatie niet werkt en ongeloofwaardig overkomt, blijkt overtuigend uit de 'alternatieve troonrede' waarmee de Socialistische Partij voor het voetlicht treedt. 'Het gaat goed fout in Nederland', hebzucht grijpt om zich heen, er is een dramatische tweedeling tussen rijk en arm. Hemel, wat pathetisch, dit tevoorschijn toveren van half vergeten schimmen op een moment dat vrijwel iedereen een graantje weet mee te pikken van de groeiende welvaart en werkgelegenheid! Onbedoeld bewijzen de Socialisten hoezeer de oude politieke vormen en gedachten zijn gestorven.

En toch: ik voel me niet behaaglijk onder die comfortabele wollen paarse deken. Want waarom zou het verdwijnen van oude ideologische ballast moeten uitmonden in een vorm van technocratie die (behalve op een paar onderdelen: criminele illegalen, het eeuwige Schiphol) geen uiteenlopende politieke keuzes meer (er)kent? En valt deze grondige depolitisering alleen te verklaren uit de tevredenheid over de 'Gouden Eeuw' die - althans voor Nederland - in het verschiet lijkt te liggen?

Neen. Want het gekke is dat Duitsland - waar het met economie en werkgelegenheid helemáál niet goed gaat - op weg lijkt naar eenzelfde loodzware, het nadenken over alternatieven blokkerende consensus. Daar heeft kanselier Schröder een draai van 180 graden gemaakt en zijn toevlucht gezocht tot een saneringsprogramma dat Standort Deutschland weer interessant moet maken voor investeerders. De rood-groene kiezers deserteren massaal, de christen-democratische oppositie lacht in haar vuistje, maar niettemin tekent zich een informele Grote Coalitie van sociaal- en christen-democraten af, die Duitsland weer 'gezond' moet maken.

Is dat door Schröder en Schäuble toe te dienen recept van lastenverlaging, bezuinigingen en snijden op sociale zekerheid dan zo verkeerd? Misschien niet; in Nederland heeft het gewerkt. Of dat in het industriële Duitsland, met z'n grote binnenmarkt en nog steeds prangende Oostduitse integratie-probleem ook zal lukken, is minder zeker. Maar er is een ander, fundamenteler bezwaar.

Uit het Duitse voorbeeld blijkt dat een (door de eisen van de wereldmarkt opgelegde) consensus binnen de politieke elite op gespannen voet staat met een vitale democratie. De linkse kiezers lopen niet voor niets weg; die hadden, dachten ze, voor een ander programma gekozen. Als buiten hen om een nieuwe lijn wordt uitgezet, die nog slechts vanuit de marge wordt tegengesproken, waarom zouden ze dan eigenlijk voortaan nog naar de stembus gaan?

Ook in het onder gelukkiger gesternte levende Nederland dreigt deze apathie. Ga rustig tv kijken, slapen of u amuseren, de regering beheert de zaken, zoals het hoort. Fijn. Maar te kiezen valt er weinig meer. Zo dreigt een eind te komen aan de politiek in de klassieke vorm van botsende uitgangspunten en ideeën. Here we come, Francis Fukuyama!

Meer over