'Het einde van de idee-ologie'

Er zijn nog net zoveel grote ideeën, grote boeken en grote films als vroeger. Alleen is de betekenis van het woord 'groot' inmiddels veranderd, schrijft Geert-Jan Bogaerts.

Geert-Jan Bogaerts
Albert Einstein. Beeld
Albert Einstein.

Ik weet niet precies waarom essayisten en schrijvers het nodig vinden om met enige regelmaat het einde van iets aan te kondigen. In de afgelopen tien, vijftien jaar zijn we zo al het einde tegengekomen van de geschiedenis, van de natie, van de ideologie, van de beschaving, van de euro - en zo mis ik er vast nog wel een paar.

In dat rijtje voegde zich zondag Neal Gabler in de New York Times, die daar het 'einde van het idee' aankondigde. Zijn stelling komt erop neer dat we aan de ene kant weliswaar omkomen in de informatie, maar dat die informatie ons in steeds grotere mate belet om na te denken en op ideeën te komen. Met enige nostalgie verwijst hij naar vroeger dagen, toen grote denkers als Albert Einstein, Marshall McLuhan, John Maynard Keynes en Betty Friedan op de cover verschenen van Time Magazine en werden uitgenodigd in talkshows op radio en televisie. Deze helden werden bewierookt, ze bezetten een plaats in de volkscultuur zoals nu voorbehouden is aan Justin Bieber en Johnny Depp.

Die tijden zijn voorbij. Technologisch innoveren we sneller dan ooit tevoren - en geen generatie voor ons had toegang tot zoveel terabytes aan informatie als wij. Toch lijkt er in ons publieke debat, stelt Gabler, steeds minder ruimte voor rationele argumenten. Echte wetenschappers zien zich genoodzaakt hun vaak zeer gecompliceerde ideeën samen te ballen in een paar soundbytes, terwijl moeilijke politieke issues van hun nuances worden ontdaan in een enkele oneliner. De oorzaak: we gebruiken informatie anders dan vroeger.

Dood van het idee
Ooit was informatie een middel tot een doel: we gebruikten informatie om er iets nuttigs mee te doen. Informatie was het beginpunt van de reis, de basisvoorwaarde om tot echte kennis te komen, tot innovatie, tot wetenschappelijke vooruitgang op het terrein van de natuurkunde, biologie, psychologie of welke andere discipline dan ook.
Tegenwoordig is informatie een doel op zichzelf. We willen alles weten, maar we doen er vervolgens niks meer mee. Als we langere tijd afgesloten blijven van informatie, ervaren we een tekort - we hebben het gevoel dat we niet meer kunnen meepraten, dat we afgesloten zijn. En dat precies, stelt Gabler, is de oorzaak van de dood van het idee.

Tja. Het minste wat je van Gabler kunt zeggen is dat hij het levende bewijs is van de onjuistheid van zijn stelling. Hij is erin geslaagd met zijn analyse van de moderne informatiesamenleving de New York Times te halen. Belangrijker nog, zijn eigen idee lijkt zelf een groot idee te zijn; zijn opiniestuk bewijst de grootheid van zijn gedachte.

Gabler gebruikt een paar rare meetstokken om de grootsheid van ideeën te duiden. Kennelijk is het voor hem van belang of de grote ideeën ook in de grote media belanden. Een andere maatstaf is of de grote ideeën afkomstig zijn van grote denkers die ook daadwerkelijk tot de populaire cultuur behoren. De grootsheid van een idee is bij hem afhankelijk van het aantal mensen dat er kennis van neemt.

Dat zijn allebei natuurlijk te betwisten aannames. Ideeën zijn niet afhankelijk van de media, en grote denkers hoeven geen volkshelden te zijn. Op mijn eigen terrein, dat van de wisselwerking tussen maatschappij en nieuwe media, kan ik een aantal bijzonder invloedrijke en grote denkers opnoemen: Kevin Kelly, Clay Shirky, Chris Anderson, Charles Leadbeater ... het rijtje is nog veel langer te maken.

Nichecultuur
Gablers klacht is van dezelfde orde als die van de poprecensent die klaagt over het gebrek aan grote, stadionvullende bands, of de filmcriticus die de blockbusters mist. Waar het om gaat is dat het internet een nichecultuur in de hand werkt. Het is voor iedereen die op internet zit heel gemakkelijk om de muziek, de literatuur, de films, en ja, ook de ideeën te zoeken die hem het best passen. Er zijn nog net zoveel grote ideeën, grote boeken, grote films als vroeger. Alleen zal de definitie van 'groot' iets preciezer moeten.

Groot is niet langer datgeen wat door een groot publiek wordt gezien en erkend; groot is niet datgene wat op de cover van een publiekstijdschrift staat; groot is dat wat uiteindelijk in staat is om ons denken daadwerkelijk te beïnvloeden, de maatschappij te veranderen, en onze technologie vooruit helpt. Als je het zo beschouwt, is het einde van de idee-ologie nog lang niet aangebroken.

Geert-Jan Bogaerts

Meer over