Het einde van de gelijkheid

Gelijkheid is decennialang het alfa en omega van de Nederlandse politiek geweest. De politieke hoofdstromen legden weliswaar elk de nadruk net weer even anders, maar ze ijverden niettemin allemaal voor dit grote ideaal....

H. J. Schoo

Waarschijnlijk zijn 'de jaren zestig' (die zich vooral in de jaren zeventig afspeelden) de apotheose van het gelijkheidsethos geweest. Het kabinet-Den Uyl spreidde 'kennis, macht en inkomen', nivelleerde naar hartelust en tilde 'de onderkant' op. Niet voor niets wordt in de huidige discussie over extreem hoge inkomens regelmatig bijna nostalgisch teruggegrepen op de strenge schijnprecisie van de inkomensnota van dat kabinet. Ook de grondwetsherziening van begin jaren tachtig, in de jaren zeventig uitgebroed, ademt sterk de geest van gelijkheid, zoals in het roemruchte nondiscriminatie-artikel.

Hinstrument voor gelijkheidsstreven en herverdeling is de naoorlogse verzorgingsstaat.

Maar die kan alleen grotere gelijkheidscheppen als er al de nodige gelijkheid bestaat: gelijkheid is voorwaarde voor meer gelijkheid. Ervaren burgers elkaar niet (of niet meer) fundamenteel als gelijken, als lotgenoten, dan komt op z'n best een schrale verzorgingsstaat tot stand.

Aan die gelijkheidseis werd voldaan in het vrij homogene naoorlogse Nederland, maar niet in de VS, een etnisch en religieus heterogene immigratiesamenleving. Hier ligt de sleutel tot het aloude raadsel van de Duitse socioloog Werner Sombart: waarom bestaat er geen socialisme in de Verenigde Staten? Hoe homogener een samenleving denk aan de Scandinavische landen , hoe omvattender de verzorgingsstaat. Sociaal-culturele gelijkheid is de input, sociaal-economische gelijkheid de output.

De verzorgingsstaat is buitengewoon succesvol geweest. Paul Schnabel, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau en universiteitshoogleraar in Utrecht, somde in zijn recente oratie Een eeuw van verschil enkele wapenfeiten op. 'De sociale zekerheid heeft werkloosheid, ziekte, invaliditeit, echtscheiding en ouderdom uit de ban van de armoede bevrijd.' Veel van wat voorheen slechts een elite ten deel viel, is thans gemeengoed, inclusief de luxe van vrije tijd, sport, vakantie en uitgaan.

Succesvol, maar niet zonder problemen. Schnabel herinnert aan wat de 'gemoedsrust van de verzorgingsstaat' is genoemd, die kan omslaan in indolentie en dan zijn eigen economische grondslagen bedreigt. Anderen hebben gewezen op het penibele contrast tussen de alom beleden waarde van gelijkheid en een praktijk die daar onvermijdelijk ver vanaf staat. Die discrepantie tussen politieke retoriek en maatschappelijke werkelijkheid, tussen eigen kansarmoede en andermans rijkdom, roept even onvermijdelijk wrok op. Criminologen zagen dat zelfs als oorzaak van de sterke groei van de (kleine) criminaliteit in de egalitaire jaren zeventig en tachtig.

Als de voortekenen niet bedriegen, loopt het tijdperk van de gelijkheid inmiddels ten einde. In zijn boek The end of equality kwam de Amerikaan Mickey Kaus al in 1992 tot die profetie. De denivelleringstrend is waarschijnlijk te wijten aan toenemende sociaal-culturele verscheidenheid,gevolg van immigratie en de opbloei van heel verschillende levensstijlen: eveneens een erfenis van de jaren zestig. De Amerikaan Robert Putnam (van Bowling Alone) heeft beschroomd vastgesteld dat de huidige diversiteit in de VS metterdaad sociaal kapitaal (vertrouwen, gemeenschap, vrijwilligerswerk, verenigingsleven) en gelijkheid ondermijnt. De verzorgingsstaat heeft het daarom steeds moeilijkermet het effectief organiseren van solidariteit.

Hij verliest beheerskracht door open grenzen en steeds vrijer verkeer van kapitaal en arbeid. De weelderige West-Europese verzorgingsstelsels bestonden bij de gratie van harde grenzen en protectionisme. Het wegvallen daarvan dwingt tot een hardere samenleving, bevolkt door burgers die meer initiatief en eigen verantwoordelijk nemen.

Het krachtige of krampachtige gelijkheidsstreven uit de vorige eeuw is overigens ook te zien als teken van de nog betrekkelijke armoede van de industri samenleving. Een streng gelijkheidsbeginsel kwam goed van pas bij het fatsoenlijk verdelen van de schaarste en paste wonderwel bij allerlei vormen van rantsoenering in een loketteneconomie.

De kolossale welvaartsstijging van de voorbije decennia maakt een andere mix van gelijkheid en vrijheid mogelijk, de nieuwe werkelijkheid van onze postindustri en postmateri economie maakt die zelfs noodzakelijk. Schnabel is uiteindelijk optimistisch: gelijkheid is thans zo stevig gefundeerd, dat de vrijheid meer aan bod kan komen.

De politiek beweegt mee met deze trends. Zo hecht PvdA-leider Wouter Bos sterker aan kansengelijkheid dan aan gelijkheid van uitkomsten. En hoewel het concept beginselmanifest van de sociaal-democraten uiteraard nog sterk aan gelijkheid hecht, opent het ideologisch de deur voor grotere ongelijkheid.

'Wij willen', schrijven de opstellers, 'daarom ruimte bieden aan mensen die met hun kennis en vaardigheden de welvaart van ons allemaal kunnen vergroten.' Het is een nauwelijks verholen verwijzing naar de filosoof John Rawls, alweer een Amerikaan. Hoewel een principieel pleitbezorger van gelijkheid, beredeneerde Rawls ook wanneer ongelijkheid wenselijk is.

Wim Kok, geen theoreticus, staat niet alleen als hij, als commissaris van multinationals, immense inkomensverschillen goedpraat. Terecht? Alleen als samenleving en economie profiteren van ongelijkheid. Dat maakt het verstandig de retoriek van de gelijkheid wat te temperen. De sociaal-democratie zal de nieuwe ongelijkheid ideologisch moeten verdisconteren. Er wordt aan gewerkt.

Meer over