Het eigenhandig ingepakte fonds van G.A. van Oorschot

UITGEVER Geert Lubberhuizen leek er alles aan te doen een beeld van zichzelf te ontlopen; zijn collega Geert van Oorschot liet niets na om het beeld van hemzelf voortdurend te bevestigen....

KEES FENS

In het geval van Van Oorschot is de bekoring tot verklaring van het fonds uit de persoonlijke geschiedenis van de man des te groter, doordat de uitgever, die evenveel over zichzelf als over zijn boeken sprak, zelf de lijnen van gisteren naar heden heeft getrokken, waarbij het ideale beeld het werkelijke soms lijkt te hebben vervangen. De voorstelling die Van Oorschot gaf van zijn lectuur als tienjarige in dat bevlogen anarchistische nest in Vlissingen waarin hij opgroeide, is er een mooi voorbeeld van. Zo las hij omstreeks 1919 Kees de jongen, maar dat boek zou pas in 1923 verschijnen. Voor wie in bewondering terugziet, begint alles eerder. Het gaat hier ook om vormen van vergroting en toeëigening, om het liegen van wat de waarheid had moeten zijn. Ook kleinigheden kunnen dat verraden. Ik herinner mij dat Van Oorschot in gesprekken over Ter Braak en Du Perron het voortdurend over 'Menno' en 'Eddy' had, waarmee hij een vertrouwelijkheid in het verleden suggereerde die er had moeten zijn. De twee auteurs op wie hij zich voortdurend beriep en die voor hem norm waren - hij zag de literair-historische lijn Forum-Libertinage- Tirade - en wier verzamelde werken en correspondentie hij had uitgegeven - werden persoonlijke vertrouwelingen, vrienden zelfs. Men kan zeggen: hij zei hun de vriendschap aan, zoals hij dat ook met misschien zijn grootste inspirator, Multatuli, deed.

Het eigen nadrukkelijke beeld van het leven van de uitgever (die ook als R.J. Peskens zijn jeugd nog eens gestalte gaf, in romans en verhalen die te gemakkelijk autobiografisch worden verstaan), het gelijke nadrukkelijke beeld van zijn ideeën, de vele verhalen die over hem werden verteld, meestal door schrijvers die van een geslaagd literair portret niet afkerig zijn, het monument dat zijn fonds al vroeg werd, de vereenzelviging van de uitgever met dat monument, - dat alles maakt het degene die zich met Van Oorschots leven en werk inlaat, niet gemakkelijk, juist door het gebrek aan rechtlijnigheid en door de tegenstrijdigheden in al die beeldvormingen. De uitgever loopt hem in verschillende gestalten voortdurend in de weg (en dat zou die uitgever heel veel plezier hebben gedaan). Gert Jan de Vries, die een studie publiceerde over G.A. van Oorschot als uitgever van poëzie, moet zijn instrumenten van onderzoek voortdurend bijstellen: Geert van Oorschot zelf dreigt ze vaak onscherp te maken. Voor dat even ontwapenende als hinderlijke gedrag lijkt de uitkomst van de studie een rechtvaardiging: de literaire uitgever G.A. van Oorschot lijkt heel wat minder zelfstandig en zelfverzekerd dan het beeld van hem tot nu toe wilde.

GEERT van Oorschot begon dit jaar een halve eeuw geleden zijn uitgeverij. Hij was zesendertig jaar en had al een heel druk leven met politiek, propaganda, dichten, schrijven en boeken achter zich. Zijn politieke oorprong en richting was links-radicaal. De materiële en geestelijke verheffing van de arbeider zijn ideaal. Dichten, schrijven en publiceren zag hij als wapens in de klassestrijd. Enige tijd maakte hij deel uit van het schrijverscollectief Links richten, maar zijn propagandistische kwaliteiten werden er meer op prijs gesteld dan zijn literaire. Hij wist de bundels en boeken aan de man te brengen (hij publiceerde zelf overigens ook een naar verkoop succesvolle poëziebundel). Daarbij had hij een 'vliegende boekhandel'; op een fiets met twee koffers verkocht hij boeken aan particulieren.

Hij werkte terzijde van de officiële literatuur en boekhandel, zoals hij zich politiek buiten de grote partijen bewoog. In die randsituatie, met een hele wereld om zich tegen af te zetten, moet hij zich op zijn plaats hebben gevoeld. Een heel sterk individualisme was de socialist niet vreemd. Van alles wat officieel was, was hij geen lid; hij zal dat ook volhouden. Beslissend in de jaren dertig is zijn ontmoeting met de socialist en politiek schrijver Jacques de Kadt, een individualist als Van Oorschot, een even grondige dwarsligger ook. Bij het blad van De Kadt en diens geestverwant S. Tas, De nieuwe kern, werd Van Oorschot betrokken. De Kadt propageerde een 'intellectuelensocialisme' of 'cultuursocialisme': door een elite moest de massa zich intellectueel en cultureel gaan ontplooien. Op de herkenning door Van Oorschot, en de doorwerking van dat ideaal, legt De Vries nogal sterk de nadruk, ook voor de uitgeversjaren na 1945: boeken als materiaal voor de arbeidersverheffing. De uitgaven van G.A. van Oorschot bereikten echter een heel ander publiek dan de massa. Ik weet niet of de accentuering van dat 'cultuursocialisme' zo sterk had moeten zijn. G.A. van Oorschot als een soort verheven Arbeiderspers. Als uitgever koos hij vrijwel meteen voor de grote literatuur en daarmee - en hij was te weinig naïef om het tegendeel te denken - voor een zeer bepaald publiek. Zijn fondsvorming was literair en daarmee ook het publiek dat hij bereikte: een al gevormde groep lezers (die ook door de uiterlijke verzorging van de boeken natuurlijk een proces van verheffing doormaakte). Herengracht 613 was een strenge burcht van literatuur, met een grimmige kasteelheer, en geen rood paleis van cultuursocialisme.

Zijn hele uitgeversleven door heeft Van Oorschot een tijdschrift gehad. De baanbreker, Libertinage en Tirade. Ik zeg met opzet 'gehad' en niet 'uitgegeven', want hij was al of niet van alles de officiële hoofdredacteur en zo mogelijk de spreekbuis of megafoon. Over de 'fuikfunctie' die de tijdschriften hadden - ze brachten auteurs aan voor het literaire fonds - schrijft De Vries, zich beperkend tot de poëzie, zeer goed gedocumenteerde bladzijden. Een tijdschrift mocht van Van Oorschot nooit eenzijdig literair zijn. Er moest ook plaats zijn voor met name politieke beschouwingen. Ik denk, dat de tijdschriften, en zeker Tirade, het ideaal van het cultuursocialisme meer vertegenwoordigden dan het fonds van de uitgeverij. De tijdschriften laten de dubbelgestalte die Van Oorschot was, duidelijker zien dan dat fonds. De politieke en sociale dwarsligger die hij altijd is gebleven, kwam aan het woord, en dat vooral in de beschouwingen van De Kadt, zijn leermeester, voor wie alles en iedereen moest wijken. Hij verloor er in 1967 zijn redactie mee. Hij was weer alleen, in een randsituatie waarin hij zich niet ongelukkig moet hebben gevoeld. Want het gelijk wordt nooit door velen gedeeld. Zo hoort het tenminste. Er moeten tegenstanders blijven.

De niet strikt literaire opvattingen, maar misschien ook wel de terzijde-positie en zeker de sterk aan de persoon gebonden bewondering voor auteurs kunnen de ideeën van Forum zichtbaar maken. De Vries ziet in zijn studie Van Oorschot voortdurend heel sterk als de erfgenaam van Forum. Dat hij de auteurs van en rond het blad in zijn fonds alle recht heeft gedaan, is zeker. Maar hij gaf ook verzamelde werken uit van auteurs tegenover wie Forum vijandig stond. In de redacteuren van Libertinage trof hij Forum-volgers en -geestgenoten (De Vries spreekt heel geestig over de 'voorvaderverering' in dat blad gepleegd). Bij de eerste redactie van Tirade trof hij het niet. Die verdween dan ook snel, hoezeer ze zich ook als dilettant opstelde.

I N de verwoording van zijn literatuuropvattingen (en die werden doorgaans sterk polemisch en propagandistisch geuit) verwees Van Oorschot bijna altijd naar Forum. Laat men de literair-historische context weg, dan verlopen de ideeën van Forum heel snel tot heel algemene ideeën over literatuur. Die veralgemenisering kan men in sommige uitingen van Van Oorschot aanwijzen. Wat overblijft zijn Ter Braak en Du Perron als duidelijke normen. En dat nog vooral voor een polemische houding in de literatuur. Wat Van Oorschot wilde, was pennestrijd van een kleine groep tegen de velen. Tegen elke vorm van collectief denken, tegen elk dogma. Maar ook tegen de literatuur die hij niet lustte. Dat de tijdschriften nooit zijn geworden wat hij ermee wilde, moet aan dat gebrek aan voortdurende polemiek zijn toe te schrijven. Hij wilde een strijder zijn; maar hij werd de uitgever van een tenslotte zeer gevestigd fonds. En van de dichters die de polemiek met de gevestigde literatuur aangingen, omstreeks 1950, heeft hij er niet een uitgegeven. De dwarse vechtjas had een in veel opzichten traditionele literaire smaak. Dat kan heel veel van de tegenstrijdigheden in zijn spreken en optreden verklaren. Hij was vooruitstrevend in terugwaartse richting. Die paradox van zijn karakter heeft mij altijd geboeid.

PAS het vierde hoofdstuk van de studie van De Vries gaat over het poëziefonds. Het eerste schetst het ontstaan van Van Oorschots 'geestelijk profiel', in een beknopte biografische geschiedenis, die ook een geestesgeschiedenis is. Het tweede handelt over de eerste jaren van de uitgeverij. Het derde over de door Van Oorschot uitgegeven tijdschriften, en dat in het perspectief van de fondsvorming, althans wat de poëzie betreft. Heel veel gegevens uit de eerste drie komen in het vierde samen. Ik acht dat vierde hoofdstuk heel goed. De ontstaansgeschiedenis van een fonds wordt heel goed zichtbaar gemaakt in vijf perioden die aan vijf vormen van uitgeven van poëzie zijn gebonden.

Het hoofdstuk maakt identificatie van Van Oorschot en fonds niet langer mogelijk. Hij heeft maar weinig dichters zelf ontdekt. De redacteuren van zijn tijdschriften, zeker die van Tirade, waren veelal de ontdekkers. Onder hen speelt met name Adriaan Morriën een belangrijke rol. Wanneer hij zijn adviserende, in elk geval oordelende redacteuren mist, is hij min of meer hulpeloos, als in de periode 1967-1976, toen hij Tirade op zijn eentje uitgaf. Hij wijst alle inzendingen af, keert zich tegen de onbegrijpelijkheid van moderne poëzie, ook uit angst, zoals de auteur zegt, zich te vergissen. Als uitgever van nieuwe poëzie speelt Van Oorschot in die jaren nauwelijks of geen rol. Zijn verzamelwerken betreffen gecanoniseerde auteurs; ook de vignet-reeks, de gebonden bundels of verzameluitgaven, met de platte rug en met de intitialen van de dichter op omslag en band betreft gecanoniseerde of al enigszins gevestigde dichters.

Aan het bestaan van 'Tiradepoëzie' als een wel te omschrijven soort poëzie, maakt De Vries met goede argumenten een einde. Daarmee ook aan de gebondenheid van de uitgever aan een zeer bepaalde soort poëzie. En aan welomschreven poëzie-opvattingen bij de uitgever, al kan men zo iets als 'begrijpelijkheid' aanvoeren, maar dat is meer een tegen-houding dan een opvatting.

Er lijkt weinig over te blijven, als de stevige verpakking van legende en verdichting is verwijderd. Desalniettemin is er in de periode 1945-1979 (de einddatum van De Vries' studie), een schitterend fonds ontstaan. Langs lijnen van toevalligheid, maar al te vaak, van adviezen en ideeën van anderen, van ongelooflijk doorzettingsvermogen van de uitgever, van diens eigenzinnigheid ook, van diens verlangen mooie boeken te maken. En dat kan in dubbele zin verstaan worden. Elke Nederlander die in zijn boekenkast kijkt, moet toegeven: veel van het mooiste dat hij heeft, komt van Van Oorschot, nogal wat ook van wat hem zeer dierbaar is. Geert van Oorschot gaf alleen uit wat hij zelf mooi vond, - laten we dat maar blijven geloven. Hij had veel geestgenoten.

De studie naar fondsvorming heeft als resultaat dat van zeer bewuste en weloverwogen fondsvorming geen sprake is. Er is alleen een ontstaansgeschiedenis, met veel gaten die alleen met vermoedens kunnen worden opgevuld. Misschien gaat het altijd wel zo. Zoals het vermoeden ook gerechtvaardigd is, dat de raadselachtigheid het wezenskenmerk van een uitgever is. Hij is de nooit kloppende som van al zijn zo verschillende boeken te zamen.

JARENLANG deed Van Oorschot alle werk alleen. Van redigeren tot inpakken. Jarenlang waren de boeken van Geert van Oorschot de best verpakte die ik kende. Ik heb ze altijd met eerbied opengemaakt. En het boek dat uit de windselen kwam, deelde meteen in die eerbied. Het bleek bijna altijd zijn onvernietigbare verpakking waard. En het staat nu nog in de kast, onaangetast door de tijd. In alle opzichten eigenhandig door de uitgever verzorgd. Het boek van De Vries is tenslotte meer het portret van een voorbeeldige man dan een voorbeeldige studie over fondsvorming. Want die is onmogelijk. Dat de uitgeverij G.A. van Oorschot een zo kritisch boek over haar stichter en naamgever zelf uitgeeft, is, denk ik, in de geest van Geert van Oorschot, die een hekel had aan alle vernis dat hij niet zelf had aangebracht.

Gert Jan de Vries, Ik heb geen verstand van poëzie, G. A. van Oorschot als uitgever van poëzie. G.A. van Oorschot, Amsterdam, prijs ¿ 49,90.

Meer over