Het eerste licht in Venetië Edmond en Jules de Goncourt op reis door Italië

In de literaire dagboeken van de gebroeders Edmond en Jules de Goncourt valt na de laatste aantekening in oktober 1855 een maandenlange stilte....

MICHAEL ZEEMAN

Eigenlijk waren ze van plan geweest hun reis naar Italië al in 1848 te maken, de gebroeders Edmond en Jules de Goncourt, maar omdat toen dat befaamde spook van de revolutie door Europa waarde, kwam het er niet van. Onzekere tijden: te gevaarlijk onderweg, wie weet wat er intussen thuis allemaal mis zou kunnen gaan. De een was toen vijfentwintig, de ander achttien, en omdat ze beiden nog aan het begin stonden van wat een journalistiek-literaire loopbaan zou worden, was zo'n tocht een aardige voltooiing van hun opvoeding geweest. Zou hij op dat moment in hun leven inderdaad hebben plaats gehad, dan zou hij bovendien vermoedelijk een biografisch scharnierpunt geworden zijn: allerlei belangstellingen die de gebroeders Goncourt later aan de dag zouden leggen, zouden met zo'n giro in het juiste perspectief betekenis krijgen.

Nu is dat niet het geval. Ze gingen weliswaar alsnog, zeven jaar later, toen het spook was uitgeraasd, maar omdat ze in 1855 al vier boeken gepubliceerd hadden en er daarom sprake was van een oeuvre waarvan de ontwikkeling al op gang was gekomen, besluit de biograaf er gemakkelijk toe dat zo'n reis dan van minder belang is. Wat een aantal jaren eerder vormend geweest zou zijn, is nu een uitstapje, ook als zo'n uitstapje sporen nalaat in het oeuvre dat nadien nog ontstaat. Er is dan immers werk van voor en van na die tocht, van vorming is geen sprake meer, hooguit van beïnvloeding.

De narigheid was bovendien dat de Italiaanse reis van de gebroeders Goncourt hoegenaamd geen gevolgen had voor of binnen hun werk. In het beroemde, 22-delige dagboek, dat ze hun levenlang hebben bijgehouden en waarin ze de verrukkelijkste onredelijkheden over hun tijdgenoten hebben vastgelegd, ontbreekt na oktober 1855 een periode van maanden en wordt de draad weer opgenomen met de ingang 'Parijs, 16 mei 1856'. De bezorgers van de uitgave melden trouwhartig dat de heren auteurs van 8 november 1855 tot 6 mei 1856 in Italië verbleven. Wat ze daar deden blijft onbekend. Het wordt door hun biografen doorgaans ook maar terloops aangestipt - je krijgt de route en wat citaten uit de brieven naar huis, naar die paar vrienden die altijd brieven ontvingen en met wie de correspondentie zo'n belangwekkend complement op het dagboek vormt. De indruk ontstaat dat die hele reis hooguit een wat langdurig uitgevallen vakantie is geweest, op zijn best gemotiveerd door verveling, door de behoefte Parijs eens even niet te hoeven zien - door de noodzaak een zekere Parisienne even te ontlopen, misschien ook, want Frauengeschichten, zo weten de lezers van het dagboek, waren een van de belangrijker drijfveren van het levensverhaal van de heren Goncourt.

In het verzameld werk verwijst alleen een stuk over Venetië, dat ooit in het tijdschrift L'Artiste van Theophile Gautier heeft gestaan, naar dat Italiaanse verblijf, en een nog kortere beschouwing over Napels, waarvan Edmond de Goncourt dertig jaar later noteert dat hij het ooit aan een Italiaanse krant heeft afgestaan. Beide fragmenten nam hij in 1894 op in zijn L'Italie d'hier. 'In de herfst van 1855', staat er in het voorwoord, 'vertrokken mijn broer en ik naar Italië, met de bedoeling op die grond inspiratie op te doen, er de elementen voor een boek te vinden.'

Dat boek had Italie la nuit moeten heten. Het was bedoeld als een geheel nieuw project, ontspannend en verkennend tegelijk, na de beide inventariserende studies waarmee Edmond en Jules de Goncourt in korte tijd naam hadden gemaakt, Histoire de la Societe française pendant la Revolution en het vervolgdeel over de periode van het Directoraat. De reis die er het materiaal voor moest leveren zou bovendien een mooie gelegenheid zijn om hun grote belangstelling voor de Italiaanse schilder- en beeldhouwkunst te voeden en daarmee hun kunsthistorische en kunstkritische bagage in een paar maanden tijd gigantisch uit te breiden. Hun kennis van de Italiaanse meesters was tot dan toe gebaseerd op wat er in Parijse openbare collecties te zien was en wat in gravures in monografieën min of meer getrouwelijk was afgebeeld. Midden jaren vijftig van de vorige eeuw: het is de tijd waarin de fotografie weliswaar al ontdekt is, maar de fotografische reproductie van kunstwerken in gedrukte vorm nog op gang moet komen. Wie zich in de kunstgeschiedenis verdiept en oog heeft voor het detail moet kilometers maken.

Dat boek, Italie la nuit, kwam er naar het schijnt inderdaad, maar toen de Goncourts het voltooide manuscript nog eens doorlazen oordeelden ze dat het te lyrisch, te dweepziek was - en verbrandden ze het. Dat was, als we mogen geloven wat daarover in hun dagboek en brieven staat, geen ongebruikelijke maatregel voor hen. Strenge critici, ook voor zichzelf, die geen genoegen namen met halve maatregelen. Of dat laatste in zeker opzicht misschien toch weer wel, want het manuscript van Italie la nuit mag dan in de vlammen zijn verdwenen, de aantekeningen die ze onderweg gemaakt hadden en waarop ze zich bij het schrijven van hun boek baseerden, bleven bewaard. Ze verdwenen na de dood van Edmond de Goncourt met de rest van de erfenis, een grote collectie manuscripten, boeken en kunstwerken, in de archieven - en zijn pas nu, uit de depots van het Louvre, weer omhoog gekomen, en uitgegeven onder de titel Notes sur L'Italie.

Dat is precies wat het zijn, notities over Italie, over een reis die van de Zwitserse grens over Milaan, Venetië, Padua, Bologna naar Florence voert, en vervolgens over Siena naar Rome en Napels. De kleine steden vormen een verblijfplaats voor enkele dagen, Venetië, Florence en Rome voor weken. Aantekeningen en schetsjes, zijn het, van alles wat Edmond en Jules de Goncourt onderweg als opmerkelijk of amusant voorkomt. Vluchtig en impressionistisch, voor wie zelf de route kent, maar tegelijkertijd van een acribie en een uitputtendheid die ons zonderling voorkomt. Opmerkelijke gebouwen en figuren worden prompt geschetst of geaquarelleerd, en krijgen als miniaturen hun plaats in de aantekeningen, de vakantie-kiekjes van voor het tijdperk-kodak.

De betreffende periode mag dan in het dagboek ontbreken, deze aantekeningen zijn te summier om zelf als een remplaçant van dat dagboek te beschouwd te kunnen worden. Lijstjes zijn het, aides de memoire, van de menu's van de altijd weer verbijsterend uitgebreide maaltijden, routes in punten beschreven, tot beschrijvingen van landschappen, geraadpleegde literatuur en, vooral, van kunstwerken die ze onderweg bekeken - veel kunstwerken, als hadden ze een touristische gids met museumbeschrijvingen voor ogen.

Slechts hier en daar duikt een anekdote op van het type dat de dagboeken zo sappig maakt - en voor sommige lezers, die trouwens vaak lezeressen zijn, zo onuitstaanbaar. De notities die nu toegankelijk gemaakt zijn wekken de indruk dat het met dat befaamde naturel van de dagboeken, de direct genoteerde inval, de opwelling die, zo onredelijk en onbekookt als hij is, meteen een notitie werd, wel meevalt: de gebroeders Goncourt in hun meest directe schrijvende toestand zijn beduidend minder ad rem.

Soms, natuurlijk, soms zijn ze dat wel, zo baldadig en spotziek, zo macho en infaam als we ze kennen. Wanneer Edmond in Venetië, tijdens het bekijken van een collectie Rafael-tekeningen, ineens het museale gebouw verlaat, zij het voor deze gelegenheid door het raam. Hij flikkert in een fruitstalletje en, tot zijn knieën in de piramiden tomaten, raakt in een wonderlijke dialoog met de groenteman verwikkeld, die als Venetiaan niet op zijn mondje gevallen is ('Cocu! Priesterzoon'). Of wanneer op de route van museum naar museum, van monumentale kerk naar dito, in Florence een mooi meisje die route kruist - weg dagindeling, weg planning. Er zijn dan ineens belangrijker dingen te doen dan schilderijen bekijken, mooier gestalten dan 'de tonnen goud en zilver die Cellini vormde'.

Het intrigerende van de notities zit dikwijls in het onvoltooide. Want soms zijn die voorvallen en observaties ook hier uitgeschreven, veel vaker zijn ze dat niet: dan schuilt er onmiskenbaar een geheim in een aantekening, maar die blijft daar ook inzitten. 'Een vrouw van een Fransman uit Marseille, die in Venetië woont, heeft een album dat slechts is samengesteld uit afbeeldingen van onderscheidingen van haar familie.' Daar wil je dus het fijne van weten, want het moet wel raar gelopen zijn wil daar niet een verhaal bij hebben gehoord. Misschien dat het ooit in Italie la Nuit heeft gestaan, maar voor ons is het verloren. De eindredactie die het dagboek kennelijk wél heeft ondergaan maar die hier achterwege is gebleven blijkt, zoals eindredactie altijd trouwens, onontbeerlijk. Bouwstoffen voor een geschiedenis, zonder de pointe, zijn verwarrend - en tantaliserend.

Het intrigerende zit bovendien vaak in wat de gebroeders niet opschrijven, of in enkele regels afdoen. Het laatste avondmaal van Leonardo da Vinci, in Milaan, dat ze wel gaan bekijken maar dat in twee zinnen wordt weggezet. Mantua, waar de de fresco's van Mantegna doodleuk overslaan - maar waarom? Of Pompeji, waar hun belangstelling zich tot de erotica lijkt te hebben beperkt. Rome, waar ze zich tegelijkertijd thuis schijnen te voelen en ineens heftig heimwee krijgen, beide zonder noemenswaardige opgave van redenen. Het lezen van de notities krijgt het karakter van archeologisch handwerk: je hebt de scherven en mag gaandeweg besluiten waarvan ze deel uitmaakten, zij het dat het object waar het om gaat hier niet kapot is, maar nooit tot stand is gekomen.

Als, na de eerste pagina's, die de route van Genève via de pas naar Milaan, Brescia en Verona beschrijven en die in hoge mate inventariserend en dus weerbarstig zijn, de heren in Venetië zijn aangekomen, breekt het eerste licht door. Ze blijven er enkele weken en vieren er oudjaar, ze krijgen er kennissen en raken vertrouwd met de stad. Daardoor worden hun aantekeningen uitvoeriger, maar vooral ook vertrouwelijker. Dat kan komen door de betrekkelijke rust - wie neemt er ooit nog zoveel tijd voor een stad als zij deden, wie geeft Florence waar het recht op heeft, namelijk twee volle maanden, met als onderbreking een uitstapje naar Pisa, om op adem te komen? Het kan komen doordat de Goncourts al in Venetië het plan hebben opgevat hun hoofdstuk over die stad als voorpublicatie aan Gautier af te staan. Maar die buitelpartij uit het museum, de abrupte breuk met het stramien van plaatsnamen, lijstjes en horizonschetsen - het is alsof het licht doorbreekt.

Door de afwisseling die vanaf dat moment ontstaat, eisen de lijstjes hun eigen aandacht op. Natuurlijk, dat zij Bellini's Maagd met Kind en Heiligen nog hebben kunnen bewonderen, terwijl wij het met beschrijvingen moeten doen omdat het werk in 1867 bij een brand verloren ging, en iedere beschrijving tekort schiet, ook de hunne - het is in zekere zin zelfs ontroerend. Maar wat belangrijker is, is dat de aantekeningen uit de musea en kerken je eigen blik gaan leiden. Hier zijn twee begaafde auteurs en kunstliefhebbers bezig de Italiaanse kunst te ontdekken, met niet veel meer dan de brokstukken kennis die ze in Parijs hadden opgestoken van wat daar reputaties waren. Die reputaties gingen weer terug op hoogst onvolledige beelden, op vooroordeel en op beschikbaarheid. Edmond en Jules de Goncourt nemen hun kans waar zelf tot oordelen te komen. Hun Rafael en Michelangelo, hun Andrea del Sarto en Fra Angelico zijn na terugkeer uit Italië niet meer dezelfde als waarmee ze waren vertrokken.

Het kan daarom niet bij een onbecommentarieerde uitgave van hun reisaantekeningen blijven. Nu al wordt het beste commentaar gevormd door de tekeningen en aquarellen uit het manuscript. Ze kopiëren er driftig op los in de musea die ze aandoen, niet om nauwgezet vast te leggen wat ze zagen, maar om dat te bestuderen en analyseren. 'In een teen ontdekken we een nieuwe school, in een blad een nieuwe stroming', schrijven ze. Dat zijn de momenten waarop je naast hun aantekeningen een afbeelding van het besproken kunstwerk nodig hebt. Want dichterbij kun je niet komen, er dichter bovenop staan wanneer iemands mening tot stand komt, iemands voorkeur zich vormt, gaat niet. De aantekeningen leiden de blik, weerspiegelen die van Jules of Edmond de Goncourt. In die zin verschaffen de bijna ongevormde aantekeningen toegang tot andermans hoofd, tot twee geesten die we door hun dagboeken al zo goed meenden te kennen.

Dat is interessant genoeg, want ze zijn goede waarnemers.

E. et J. de Goncourt: Notes sur l' Italie. Editions Desjonqueres, FF 290,-.

Meer over