HET DOEL EN DE MIDDELEN

ONDANKS alle kritiek verdient het Openbaar Ministerie een compliment. Met een kleine organisatie wordt veel werk verzet. De belangrijkste toeleverancier is de politie....

De laatste jaren heeft het Openbaar Ministerie veel energie gestoken in verbetering van de eigen organisatie. Vorige maand verscheen het Eindrapport Versterking Openbaar Ministerie, uitgebracht door een stuurgroep onder voorzitterschap van de Amsterdamse procureur-generaal Van Randwijck. Het rapport, dat indrukwekkende tabellen en grafieken bevat, beschrijft voor alle parketten de plus- en minpunten. Op die manier worden de doelstellingen en de resultaten van het veranderingsproces goed zichtbaar. Toch dringt zich bij lezing deze vraag op: waartoe dient het allemaal? Natuurlijk, het gaat in de eerste plaats om het vergroten van de verwerkingscapaciteit en het efficiënter maken van het interne bedrijfsproces (sneller zaken afdoen, minder sepots, meer transacties, versnelde inning van geldboetes). Maar wat gebeurt er met de efficiency-winst die door alle veranderingen wordt gerealiseerd? Wordt die gebruikt om het tempo nog verder te verhogen waardoor de bedrijfsketen nog meer van hetzelfde kan produceren? Of leidt die ook tot betere inhoudelijke keuzes en tot versterking van de positie van het Openbaar Ministerie ten opzichte van de politie?

Welke verschuivingen er kunnen optreden als gevolg van de efficiency-operatie, laat de Amsterdamse regio zien. Daar is de samenwerking tussen Openbaar Ministerie en politie vergevorderd. Opportuun, het blad van en voor het Openbaar Ministerie, bericht daarover in het februari-nummer.

Zo is vorig jaar de hopper geïntroduceerd. Dat is een politie-officier die een opleiding op het parket heeft gevolgd en daarna als parketsecretaris wordt beëdigd. De hopper treedt namens het Openbaar Ministerie op door te seponeren of dagvaardingen uit te reiken. Politie en justitie zijn daarmee in één persoon verenigd.

De constructie is van een doeltreffende en aantrekkelijke eenvoud. De belangstelling bij de politie voor de functie van hopper is enorm. Het Amsterdamse voorbeeld verdient dus brede navolging.

Of schuilt hier een adder onder het gras? Als functies in elkaar worden geschoven, dreigt dat ook te gebeuren met de daarbij behorende verantwoordelijkheden. In een rechtsstaat heeft de scheiding van verantwoordelijkheden een waarborgfunctie. Justitie oefent gezag uit over de politie. In dat gezag ligt een juridisch controle-moment opgesloten. De betekenis daarvan verdwijnt in een diffuse verantwoordelijkheidsstructuur gemakkelijk naar de achtergrond.

Het tweede bezwaar is dat de uitoefening van de in elkaar geschoven functies op een steeds lager niveau plaatsvindt. Eerst was het de officier van justitie die ook de eenvoudige zaken behandelde, daarna werd het uitbesteed aan de secretaris van de officier, nu wordt het ook al aan een politieambtenaar overgelaten.

Daarmee is vanzelfsprekend niet gezegd dat de ene functionaris minder bekwaam zou zijn dan de andere. De vermenging van functies egaliseert intussen wel een hiërarchie van interne toetsing. Als onderdeel van een nieuwe trend in de strafrechtspleging is dat niet zonder bedenkingen, zeker niet als de parketsecretaris, zoals de commissie-Donner voorstelde, tevens lid van het Openbaar Ministerie zou worden. Waarom zou de politieambtenaar-parketsecretaris niet ook op de zitting zaken mogen behandelen?

Verhoging van de efficiency is zeer effectief zolang die dienstbaar is aan het belang van de zaak. Dat belang ligt in het herstel van het publieke vertrouwen in het functioneren van het Openbaar Ministerie, ook ten opzichte van de politie. Door diep in de organisatie van de politie te infiltreren, lijkt het alsof het Openbaar Ministerie het gezag over de politie versterkt, maar in werkelijkheid dreigt het zijn gezag juist kwijt te raken. De kunst is om samen te werken zonder de eigen identiteit prijs te geven.

Het Openbaar Ministerie is niet bij machte het gigantische probleem van de wanverhouding tussen doel en middelen op te lossen door alleen maar de verwerkingscapaciteit van de eigen organisatie op te rekken. Daarmee houdt het zijn capaciteitsprobleem structureel in stand. Tenzij de ontstane ruimte voor inhoudelijke verdieping van de kerntaken wordt aangewend. Een voorbeeld daarvan zou de loyale uitvoering van de Wet-Terwee kunnen zijn. Het Openbaar Ministerie zegt voor deze nieuwe wet die de positie van de slachtoffers beoogt te verbeteren, nu geen tijd te hebben.

Zolang binnen het Openbaar Ministerie, ondanks alle verbeteringen, te weinig ruimte voor dit soort primaire taken beschikbaar is, zal - naar de woorden van de dichter J.C. Bloem - elke verbetering tot een verslechtering leiden, zelfs wanneer het een verbetering is.

Meer over