Het definitieve duister als enige mogelijkheid

‘Lethe’ – het is haast te mooi dat het woord rijmt op het Nederlandse vergeten. De schimmen in het dodenrijk dronken uit deze rivier en ze vergaten hun verleden....

Het verhaal van de twee is misschien wel de mooiste klassieke mythe. (Die een heel mooie voltooiing vindt: na de dood van Orpheus wordt zijn lier, waarmee hij mensen, dieren en planten bespeelde, als sterrenbeeld aan de hemel geplaatst).

Voor de tweede keer – de eerste maal zeventien jaar geleden – heb ik bij de Nederlandse Opera L’Orfeo van Monteverdi gezien. Ik bleek na zo veel jaar van mijn niet genezen van mijn angsten. In het tweede deel daalt Orpheus in de onderwereld, het rijk van de duisternis af. Hij leeft en betreedt verboden gebied. In de verte beweegt zich traag de veerman Charon in zijn bouwvallige boot. De twee worden in het duister met elkaar geconfronteerd. De muziek is weergaloos, maar verdrijft het duister niet. En ook niet mijn angst. Het is een vorm van doodsangst, angst ook voor het definitieve duister na de dood, angst voor de verschimming. Terwijl Orpheus zingend Charon en andere machten tracht over te halen hem Eurydice mee te geven, dacht ik aan de Grieken die het duister onder de aarde als enige mogelijkheid na de dood kenden. Ik denk dat de angst ervoor zeer groot moet zijn geweest. Je zou een Lethe aan deze kant van de dood wensen!

Orpheus’ leven na zijn terugkeer in de wereld moet verschrikkelijk zijn geweest. Hij had gezien wat hem te wachten stond. Als hij door Charon is overgezet, begint het eeuwige donker, niet te delen met Eurydice, die hem dan vergeten is. Welke betekenis we ook aan die onderwereld geven, ze is in de eerste plaats de zwartste uitkomst van de onzekerheid over leven na de dood. In het indrukwekkende decor in het Amsterdamse Muziektheater kreeg die onzekerheid haar zwartste gestalte, mede in de onontkoombaarheid en onmogelijkheid tot ontkomen; weigert Charon je, dan wacht je een eeuwigheid van dwalen. Onder een van de lichtste hemels van Europa hebben de Grieken al dat angstaanjagende tegendeel verzonnen.

Het christendom kende twee en later zelfs drie mogelijkheden van naleven: hel, hemel en vagevuur. Het drievoud moet het naleven minder verschrikkelijk hebben gemaakt dan bij de Grieken met hun enige mogelijkheid. Via het vagevuur – de berg van de loutering en zuivering – kwam men in de hemel waar het licht was als boven de Middellandse Zee, maar dan eeuwig. De hel was het eeuwig vuur voor de dode zielen. (De zielen vielen erin als bladeren in de herfst, meldde de ene visionair, de andere zag God zijn arm voor de gevallenen houden; bij Dante is de hel vol voor drieëndertig zangen).

Het christendom kende ook nog een schimmenrijk, dat ook wel ‘hel’ heette. Alle voor de verlossing gestorven rechtvaardigen verbleven er. Christus zelf zette na zijn dood de deur voor hen open. Er is ook nog het voorgeborchte van de ongedoopte kinderen, maar dat is onlangs opgeheven. Door alle mogelijkheden is het christelijk naleven niet aan een folkloristisch karakter ontkomen. De definitieve duisternis als enige mogelijkheid, dat is pas erg. Ik denk dat de onmogelijkheid tot ontsnapping aan het donker mijn angst in stand houdt. Hij werd opnieuw hevig bij L’Orfeo. Tot mijn geluk en ongeluk.

Meer over