Het Bureau knaagt

Ton Dekker zag zichzelf als de ziekelijke, ongemotiveerde Ad Muller terug in Het Bureau, de monumentale romancyclus van J.J. Voskuil....

BART DIRKS

'MOORDENAAR', sist Ton Dekker. 'Moordenaar! Akelig beest dat je d'r bent! Laat los, potverdikkeme'

Japie, een 18-jarige kater, laat zijn prooi, een jonge merel, niet gaan, hoewel Dekker hem stevig in de houdgreep heeft. Japie haalt zijn kaken pas van elkaar na een rake tik op zijn kop.

'Het zijn er twee', roept Dekker ontdaan. 'Eentje heeft ie doodgebeten, de ander leeft nog! Bel de dierenambulance, snel'

Afschuwelijk, dat is het. Japie krijgt toch zeker genoeg te eten? Waar heeft zo'n vogeltje dat nou aan verdiend?

Japie zal, samen met kat Tommel en de honden Sascha, Kaatje en Ricky, het gesprek geregeld onderbreken. De honden slaan aan als de telefoon rinkelt, de katten miauwen om aandacht. Ton Dekker verbant ze naar de woonkamer en sluit de klapdeurtjes naar de bijbouw. Gezamenlijk krabben de huisdieren aan de deurtjes. Dekker, zich verontschuldigend: 'Het is net een horrorfilm hier, allemaal vreselijke beesten die voortdurend tegen de deur springen en naar binnen willen.'

En dat zijn dan slechts vijf huisdieren; ooit waren het er bijna drie keer zoveel. 'Twaalf katten en twee honden, ik kan het niemand aanraden', zegt Dekker ernstig. 'Sinds 1969 zijn we niet meer op vakantie geweest.'

Het kattenluikje, dat van de bijbouw via een meterslange buis naar een grote ren achter in de tuin leidt, wordt gedetailleerd beschreven in de grootste romancyclus ooit: Het Bureau van J.J. Voskuil. Ruim twintig jaar lang waren Ton Dekker en Han Voskuil collega's op de afdeling Volkskunde van het P.J. Meertens Instituut in Amsterdam. 'Han was zeer onder de indruk van het luikje', lacht Dekker. 'De beschrijving in zijn boek is niet helemaal juist, hij schrijft dat het onder de vloer doorgaat, of iets dergelijks. Han is niet erg technisch, misschien dat het daardoor komt. Maar dat geeft natuurlijk niet.'

Dekker verwondert zich over meer passages in Het Bureau, waarin hij zijn baas Voskuil terugziet als de diep ongelukkige Maarten Koning, collega Jaap Baarspul als Bart Asjes, directeur P.J. Meertens als A.P. Beerta en zichzelf als de ziekelijke, ongemotiveerde Ad Muller. Door je baas gebruikt worden als romanfiguur is geen prettige gewaarwording. 'Ik dacht: hé, wat schrijft ie me nou neer?'

Onlangs liep het ook al spaak bij de Dierenbescherming, waar hij jarenlang een gewaardeerd lid van het hoofdbestuur was. 'Zonder enig bewijs' werd Dekker, samen met Henk Smid, gebrandmerkt als een 'couppleger', als een 'radicale vegetariër' die de Dierenbescherming naar een 'extreem radicale koers' wilde sturen. Ze zouden daarbij gesteund worden door een derde bestuurslid, vleeseter Thijs Riechelmann. Dekker stapte op na de machtsstrijd.

Hij verwijt de directeur de spanningen. 'Hij communiceerde gebrekkig en stond een rustige koers voor, teneinde veel nieuwe leden te kunnen werven. Hij leidde de club als een bedrijf dat met iedereen uitstekende relaties moet onderhouden. Maar de Dierenbescherming leeft van de confrontatie. Als productschappen en ministeries altijd tevreden over je zijn, doe je het waarschijnlijk niet zo goed.'

Er groeide een 'grimmig sfeertje'. 'Tijdens een vergadering werd mij gevraagd: wat zoek jij eigenlijk in die Dierenbescherming?' Hij vond dat verontrustend, omdat er een wantrouwen uit sprak dat er nooit geweest was. 'Er werd een beeld geschetst: er zitten enkele radicalen in ons bestuur, die ook nog eens vegetarisch zijn. Zij hebben geen oog voor honden en katten, willen een extreme koers inslaan. De grootst mogelijke onzin.'

Er kwam een organisatie-adviseur, Derksen, die Dekker in zijn eindrapport als aanstichter aanwees. 'Een persoonlijke afrekening. Derksen speelde vertrouwelijke informatie van mij door aan andere bestuursleden en aan de directeur. Daar heb ik hem keihard op aangesproken. Hij heeft me teruggepakt in zijn rapport.'

Een Commissie van Goede Diensten, van de Dierenbescherming zelf, ontkrachtte de verdachtmakingen, maar het hoofdbestuur noch de Algemene Vergadering trok expliciet deze conclusie. Dekker voelt zich verraden, maar is vooral woedend over de domheid van zijn collega-bestuurders. 'Ze erkennen dat ze de beschuldigingen niet hard kunnen maken, maar dat weerhoudt ze er niet van die grievende passages in het rapport-Derksen te laten passeren. Zij hadden hun lot verbonden aan de directeur. Ze konden niet terug.' Dekker, Smid en Riechelman trokken zich terug uit het bestuur. Vervolgens trad het hele hoofdbestuur af en ook de directeur vertrok.

Nog een directeur, Jaap van Marle van het Meertens Instituut, moest vorig jaar na een conflict met Dekker het veld ruimen. Omdat hij nu eenmaal 'de aangewezen persoon' was, werd Dekker in 1994 hoofd van de afdeling Volkskunde. De samenwerking verliep uitstekend, tot 1996. 'Ik moest bezuinigen, maar had nooit een begroting gezien.' Bovendien vond Van Marle dat ook Vlaanderen tot de Nederlandse volkskunde moest worden gerekend. 'Dat ervoer ik als een terugval naar de jaren dertig en veertig.' Dekker trad terug als afdelingshoofd, uit loyaliteit met zijn medewerkers en om het bestuur tot ingrijpen te dwingen. Uiteindelijk resulteerde dat in het vertrek van Van Marle.

- - -

'Waar heb je het dan zo druk mee?', wilde Klaas weten.

'Ik ben bezig met drie onderzoeken, ik moet vier mensen opleiden, ik moet een nieuw tijdschrift beginnen, ik heb op het ogenblik vijftien boeken liggen die ik moet bespreken, en ik zit in zes commissies', somde Maarten op.

'Maar dat doe je toch zelf?', zei Nicolien scherp. 'Dat hoef je toch niet te doen? Je bepaalt toch zelf wat je doet?'

'Natuurlijk moet ik dat doen! Wie doet het anders als ik het niet doe?'

'Bart en Ad.'

'Bart en Ad doen niets', zei hij wrevelig.

'En je zegt nou juist dat Bart altijd zo hard werkt'

'Ja! Op de vierkante centimeter! En Ad is altijd ziek'

J.J. Voskuil, Het A.P. Beerta-Instituut. Het Bureau 4

- - -

'Ik heb Het Bureau als een schending van vertrouwelijkheid ervaren. Als ik lees hoe Voskuil met de regelmaat van de klok mijn gedrag totaal verkeerd interpreteert, dan doet dat pijn. Wij hadden een humoristische, onderkoelde, soms sarcastische manier van omgaan met elkaar. Het is een verbijsterende ervaring dat die humor, als context van mijn uitspraken, bij Ad Muller opvallend vaak ontbreekt. Heeft hij wel iets van mij begrepen? Van Ad Muller wordt voortdurend gezegd dat hij boosaardig kijkt. Ik durf te zweren dat ik Voskuil nóóit boosaardig heb aangekeken. Nóóit'

Voskuil werd, zo lijkt in Het Bureau, 'omgeven door zombies, door een stel vreselijke minkukels. Je gaat denken dat die man alleen maar ellende heeft meegemaakt. Maar als ik een boek moest schrijven, dan zie ik hem toch ook vaak vreselijk hard lachen en humoristisch met zijn collega's omgaan.

'Ja Ton, houd ik mezelf dan voor, het is een roman. Han heeft zaken streng geselecteerd en uitvergroot. Dat is een literair proces, heel legitiem.' Maar toch. 'In een artikel stond een keer dat Voskuil het helemaal vond dat de mensen op het instituut onaangenaam in Het Bureau worden afgeschilderd. Dan konden ze zien wat ze hem aangedaan hadden. Potverdikkeme zeg, dat is me toch... Híí is de baas geweest, de man mag zich wel eens afvragen wat hij zijn medewerkers heeft aangedaan!

'Wij werkten dan wel op een volkskundig instituut, maar hadden daar allemaal de verkeerde achtergrond voor. Wat was volkskunde? Niemand die het ons kon vertellen. Voskuil wist het niet, Meertens evenmin. Voskuil had een diepe minachtig voor het vak. En Meertens, ja, die vond álles interessant. Als het wetenschappelijk was, vond hij het zeer, zéér buitengewoon belangrijk. Veel verder kwam hij niet.'

Dekker studeerde een blauwe maandag natuurkunde, daarna Duits. 'Dat is waarschijnlijk een van de minst relevante opleidingen voor een volkskundige.' Tijdens de studie kwamen de twijfels. 'Waar moest dit toe leiden?' Het onderwijs trok hem niet. 'Ik vond het heel gezellig en leuk om Goethe en Schiller te lezen, maar ik kon het voor mezelf niet rechtvaardigen daar beroepsmatig mee bezig te zijn. Het was een worsteling.'

Het gaf hem steeds meer een beklemd gevoel. 'Mijn vader moest behoorlijk zwaar en hard werken en ik zat de hele dag boekjes te lezen uit de 17de, 18de en 19de eeuw.' Vader werkte in die tijd in de haven van Amsterdam als sjouwer en heftruckchauffeur. Daarvoor was hij chauffeur bij een papiergroothandel, voor de oorlog bracht hij kolen rond. 'Behoorlijke beroepen, maatschappelijk relevant ook. En wat deed ik?' Dekker besloot een 'maatschappelijk verantwoord vak' te gaan leren: accountant.

'De cijfers en de boeken moeten gecontroleerd worden, geen twijfel mogelijk. Maar langzamerhand, toen ik afstand had genomen van die studie Duits, begon het mij te dagen dat het wellicht, in een zo ingewikkelde samenleving als de onze, toch ook wel redelijk en nuttig was dat een aantal mensen wat meer zou weten over literatuur, over filologie, over de betrouwbaarheid van teksten en dat soort zaken.' Dekker hervatte zijn studie Duits en studeerde in 1967 af.

Al vier jaar eerder, in 1963, raakte hij als werkstudent verzeild bij de Centrale Commissie voor onderzoek van het Nederlands volkseigen, het huidige Meertens Instituut. Na zijn afstuderen kwam hij er in vaste dienst als wetenschappelijk medewerker. Bij Volkskunde, de afdeling van Meertens en Voskuil. Hij rubriceerde duizenden volksverhalen, sprookjes, sagen en legenden, en ordende krantenknipsels over volkskundige fenomenen.

In Het Bureau beschrijft Voskuil dat werk als een eindeloze discussie tussen Maarten Koning, Bart Asjes en Ad Muller over de vraag of een bepaald knipsel al dan niet bewaard moet blijven en zo ja, in welke rubriek. In de loop der jaren wordt het aantal fiches en systeemkasten ontzagwekkend groot.

'Die enorme documentatie is een moeras geweest, een valkuil waar wij ingelopen zijn', erkent Dekker. 'Theorieën en aannames, daar hielden Voskuil en ik ons niet mee bezig. Het volbouwen van dat kaartsysteem zagen wij als onze taak. Dus als er op pagina 170 van een boek een verhaal over een heks uit Purmerend stond, dan maakten wij daar een verwijskaartje van, werd het verhaal overgetikt en in ons kaartsysteem gestopt.

'We dachten: als je nou maar genoeg feiten achter elkaar zet, dan vertelt die documentatie precies wat er vroeger aan volkskundige fenomenen in Nederland leefde, dan rollen er vanzelf wel een probleemstelling en een conclusie uit. Een prettig idee: wat je ook deed, je werkte altijd aan een groot bouwwerk. Hoe dat bouwwerk er op den duur uit zou zien, dat wisten we dan niet, maar goed.'

Het was 'chic' om niet te publiceren. Publiceren was ijdeltuiterij, kostte alleen maar bomen. 'Voskuil moet een keer tegen collega Baarspul gezegd hebben: ''Publiceren? Dat is een woord dat je helemaal moet vergeten''. En zo was het ook, wij hoefden niks te publiceren en wij publiceerden ook helemaal niks.'

Een veilig gevoel, maar de worsteling bleef. Wéér dat beklemmende gevoel, zoals tijdens zijn studie Duits. Waar leidt dit toe? 'Jarenlang heb ik het idee gehad dat ik me met krankzinnige flutonderwerpen bezighield. Ik raakte absoluut niet vol van de dingen die ik deed, omdat ik niet het doel van het vak zag. Goddank hoefden we alleen maar te documenteren. Ik wist niets van mijn eigen vak.'

- - -

Aan het eind van de middag was hij alleen met Ad overgebleven. Hij zat bewegingloos achter zijn bureau, te gespannen om te kunnen werken.

Ad stond op om naar huis te gaan. Hij pakte zijn tas, liep langzaam naar de deur, aarzelde en kwam toen terug naar het bureau van Maarten. 'Ik wil die lezing ook wel houden', zij hij. Zijn stem was schor.

Maarten keek naar hem, afwezig. 'Nee, die lezing houd ik.'

'Omdat het eigenlijk mijn onderwerp is.'

'Ik denk er niet over! Ik houd die lezing. De volgende mag jij houden, als er een volgende is, tenminste.'

'Maar zeg het dan wel als ik je ergens mee kan helpen', zei Ad.

J.J. Voskuil, Plankton. Het Bureau 3

- - -

Toch kwam ook Dekker uiteindelijk niet onder een lezing uit. Prof. Maartje Draak, Kaatje Kater in Het Bureau, vroeg hem in 1975 in Utrecht een uiteenzetting over het sprookjesonderzoek te geven. 'Het uur van de waarheid, de inbreuk van de boze buitenwereld.' Maar ook het duwtje in de rug dat hij nodig had. 'In Het Bureau komt die lezing helemaal niet voor. 'In Voskuils persoonlijke beleving was dit te onbelangrijk, kennelijk. Dat is tekenend voor het karakter van de roman en volgens mij ook van de auteur.'

'De romancyclus is nog niet klaar; er zijn pas vier van de zeven delen verschenen. In een interview heeft Voskuil gezegd: die Ad Muller verandert na 1979. Dat is deel 5. Dan neemt Muller, zoals Voskuil dat uitdrukt, meer zijn verantwoordelijkheid. Daar word ik niet goed van! Hij plaatst zich op de positie van Onze Lieve Heer, hij oordeelt vergoelijkend vanuit een superieure positie. Bah.'

Dekker heeft nooit met Voskuil over Het Bureau gesproken. 'We hebben in 1989 ruzie gehad en sindsdien hebben we geen contact meer.' Voskuil werd, na zijn pensioen, een keer niet uitgenodigd voor een bescheiden feestje. 'Hij was daar diep door beledigd, ervoer het als natrappen. Ik kreeg daar de schuld van.'

Kat Japie zeurt om aandacht, wil weer naar buiten. Maar Ton Dekker is het voorval met de merels nog niet vergeten. Binnen blijven dus. 'Met moordenaars hebben we geen compassie.' Nee, dan de lieve rode kater Tommel, vernoemd naar de D66'er die in 1985 werd uitgeroepen tot dierenbeschermer van het jaar. Tommel mag elke zondag om half vijf 's ochtends de tuin in. Rond het ontbijt komt hij, moe van zijn avontuur bij de mestvaalt, weer binnen. 'Nooit problemen.'

Tommel is de laatste 'instituutskat' die in huize Dekker rondstruint. 'Begin jaren zeventig kwamen er heel veel katten op het Meertens Instituut aanlopen. Dat hield waarschijnlijk verband met de sloop van de Nieuwmarkt.' Ton Dekker en zijn vrouw Hella ontfermden zich over de beestjes. Negen katten in een Amsterdams flatje. Na de verhuizing naar Heiloo, naar een huis met een tuin van 600 vierkante meter, bouwde Dekker een grote kattenren, met het beroemde luikje.

Daar bleef de liefde voor dieren niet bij. Dekker werd penningmeester bij Stichting Kattendorp, voorzitter van de lokale afdeling van de Dierenbescherming en van de Bond voor Dieren. 'Het was een openbaring voor me, een geheel nieuwe ervaring: naar buiten treden, praatjes houden, je een mening vormen. Dat heeft me ook op het instituut verder geholpen.'

Als secretaris van de Dierenbescherming schreef hij tal van beleidsstukken. Tegen de bonthandel, voor scharreleieren, tegen de jacht. 'Het geeft me een kick dat jagers niet meer vrijelijk hun gang kunnen gaan. Jarenlang konden ze heerlijk ongestoord agressie tegen dieren plegen. Voor die mensen is iedere advertentie, iedere actie bedreigend. Dat ontneemt hun een stuk levensgeluk. Het doel is natuurlijk niet tegen die mensen te ageren, ik wil die dieren helpen.'

Ook schreef hij een rapport over de ethiek van het vlees eten, zojuist gepubliceerd. De bio-industrie, gruwelijk. Laatst was hij in Europa's grootste slachthuis voor braadkuikens. 'Net Auschwitz.' Vlees eten, hij moet er niet aan denken. 'Een mens kan gemakkelijk zonder.' Maar om nu als vegetariër een coup te plegen in de Dierenbescherming... 'Wat een flauwekul.'

Het is moeilijk met een roman in discussie te gaan, vindt Dekker, zeker met een cyclus die nog niet is afgerond.

'Er klopt zóveel niet' Dat hij Voskuil voorgesteld had samen in één huis te gaan wonen? 'Onzin' Met hem een klusjesbedrijf beginnen? 'Met Han zeker! Die heeft twee linkerhanden' Zich bij het minste koutje ziek melden? 'Beslist niet juist' En waarom wilde Dekker plotseling niet langer tijdens Voskuils zomervakantie op de poezen passen, zoals uitvoerig in deel 4 uit de doeken wordt gedaan? 'Belachelijk! Ik had alleen geen zin meer dat acht weken per jaar te moeten doen.'

Het Bureau knaagt. Als in september 2000 het zevende en laatste deel van de romancyclus verschijnt, is Dekker al met de VUT. 'Voskuil was twintig jaar mijn baas. Het moet een keer afgelopen zijn. Ik wil niet mijn hele leven met meneer Voskuil bezig blijven! Als ik zelf niet in Het Bureau voorkwam, dan zou ik er intellectueel plezier aan kunnen beleven. Maar nu, zo gauw het in mijn buurt komt, begint het te wringen. En dat went niet hoor. Dat went niet.'

- - -

'Zie je wat?', vroeg Maarten.

'Ik zie niks, maar ik geloof ook niet dat er op het ogenblik katten zitten.'

'Wanneer houden jullie nou eens op met die katten', zei Bart kribbig.

'Als ze allemaal dood zijn', antwoordde Ad.

J.J. Voskuil, Vuile Handen, Het Bureau 2

Meer over