Het Bonnefantenmuseum, in Maastricht

Alexander van Grevenstein. Onlangs maakte hij bekend eind dit jaar afscheid te nemen als directeur van het Bonnefantenmuseum in Maastricht. Na 25 jaar.


Van Grevenstein. Gezellige man. Type bourgondiër. Altijd goed voor een paar leuke anekdotes. Een grap. Een onverwachte ontboezeming. Zoals in 1998, toen hij de gevleugelde bekentenis deed: 'Ik dacht: ze komen wel; maar ze kwamen niet.' Dat ging over bezoekers die niet kwamen opdagen. Dat vond Van Grevenstein vreemd. Had hij drie jaar daarvoor een nieuw gebouw aan de Maas gekregen, met zeeën vol ruimte, een Italiaans aandoend restaurant. Had hij net beelden en schilderijen aangekocht van beroemdheden als Kounellis, LeWitt, Ryman en Serra. Meende hij dat het mogelijk was om een groter publiek naar Limburg te trekken, vanuit Amsterdam, Düsseldorf, Keulen en Parijs ('maar een uurtje rijden'). En verdomd nog aan toe, liet het publiek het afweten. Bleek Maastricht toch te ver weg te zijn.


Van Grevenstein begreep het niet. Hij kon zich de haren wel uit het hoofd trekken. Wat was dat toch?


Het Groninger Museum ging in diezelfde tijd als een tierelier. Daar haalden ze, dankzij de Gasunie en Gazprom, de ene Russische blockbuster na de andere binnen. En het publiek stroomde toe. Terwijl ze ook ver buiten de Randstad zaten.


Waren ze niet beide tegelijkertijd met een nieuw gebouw begonnen? Groningen in 1994; Maastricht een jaar later. Aanvankelijk trokken beide musea veel publiek. Maar terwijl het Groninger Museum goed bleef scoren, daalde de aandacht voor het Bonnefanten. En dat is sindsdien zo gebleven. Cijfermateriaal over de afgelopen jaren: Groningen ruim 250 duizend bezoekers, Maastricht minder dan de helft.


Natuurlijk had het Van Grevenstein in die jaren niet meegezeten. The Vincent Award, die had moeten uitgroeien tot de Europese kunstprijs par excellence, werd hem uit handen geslagen door de vrijbuiters van The Broere Charitable Foundation, die meenden in het Stedelijk meer aandacht te kunnen krijgen. Weg prijs, weg geld, weg prestige.


Al eerder moest Van Grevenstein op het matje verschijnen bij de provincie. Die had geklaagd dat te weinig Limburgers het Bonnefanten konden vinden. En dat terwijl het museum jaarlijks een aardige zak geld van het provinciebestuur ontving. En dus begon Van Grevenstein met een Limbo-georiënteerd zondagmiddagprogramma van fanfares, dansmariekes en doedelzakmuziek - tegen zijn natuur in en los van zijn 'museale stilte'-beleid.


Het politieke klimaat is er sindsdien niet beter op geworden. Door zijn provinciegenoot uit Venlo, met zijn peroxyde kapsel. Het moet Van Grevenstein een doorn in het oog zijn. Cultuurrelativisme, of beter cultuurbarbarij - dat ondermijnt zelfs het zware fundament waarop hij zijn museum had laten bouwen.


Misschien heeft Van Grevenstein er te lang gezeten, in zijn burcht langs de Maas. Misschien was hij te dwars, bleef hij tegen de tijdgeest in geloven in het museum als een instituut 'waar de eenzaamheid zit ingebakken'. Heeft hij zich niet, zoals zijn collega's in Den Haag, Rotterdam, Utrecht en Groningen, door de tijd laten meeslepen. Door een wat meer fancyachtig beleid te voeren, de media te bespelen, een vleugje populisme toe te laten. Omdat het ook in de kunst een kwestie is van hollen of stilstaan. De purist Van Grevenstein bleef staan. In de veronderstelling 'ze komen wel'.


Rutger Pontzen


Meer over