Het boekenbal

De vorige keren ging ik niet, deze keer wel. Een nieuwe fase? Een beetje geworteld? Geïntegreerd?..

Er stond een cameraploeg voor de deur.

'Hoe voelt u zich, meneer Abdolah?' En er klonk in door 'wat doet u hier?'.

Terecht liet niemand me me daar thuis voelen. Even in een hoekje staan, even een pose nemen voor een fotograaf. En wat nu? Ik zag Remco Campert tussen de menigte, goddank, een doel. 'Gefeliciteerd!'

Jan Mulder passeerde rokend: 'Haai jonge!'

Wat doet men eigenlijk op een bal? Hoe moest ik dit tot twaalf uur, tot drie uur 's nachts volhouden?

Dag Kader! Michaël Zeeman. Meteen dacht ik: hij gaat met zijn hele gewicht op mijn nieuwe boek zitten.

Abdelkader Benali had een dikke wollen toga aan en zweette. 'Waar is jouw vriendin?' O, hij had een nieuwe, een buitenlandse. Op de trap zag ik Hafid Bouazza, maar hij verdween. Ik wilde eigenlijk vragen hoe zijn zoon ook alweer heette. Maar hij ontsnapte.

Boven was het warm, je moest hoesten van de rook, en men danste daar in de zaal. Dansten er ook schrijvers? Schrijfsters? Roken, god, waarom rookte men zoveel achter elkaar? Ik zag Connie Palmen komen, in een groene, nee blauwe galajurk. Wat nou? Hans van Mierlo had zijn handpalmen op haar schouders gelegd en haar naar voren geduwd. Paard en wagen. Hij was de wagen.

Even later bewonderde ik een echte Indische dame. Hoge hakken, zwarte jurk, blote armen, Marion Bloem: 'Kader, geef me je telefoonnummer, ik wil. . .'

Hier, alsjeblieft, maar ze had geen tas, ook geen zak in haar jurk, ze wilde het papiertje in haar schoen stoppen. Doe dat maar niet. Geef mij jouw nummer maar, dan bel ik je wel. Ineens viel mijn blik op een man die een pijp rookte. Meteen draaide hij zijn gezicht om. Ik liep verder, kwam Manon Uphoff tegen. Ik vroeg haar: 'Zeg, hoe kun je in dit land met een vluchteling, een asielzoeker samenwonen?'

'Jaaa, hoe kan ik dat?'

Nog een rondje maken, nog een keer de rechtertrap naar boven gaan en aan de andere kant weer naar beneden komen. Nog twee keer de linkertrap naar boven en weer naar beneden. Tegen elf uur haalde ik mijn jas van de garderobe en ging ik er vandoor. In Amsterdam kon ik mijn weg naar de autobaan niet vinden. Ik verdwaalde. Ergens zag ik een rood spandoek boven een flat hangen:

Hongerstaking. 38e dag. De vrouwen van de witte illegalen.

Ik reed verder, maar nee, ik kon niet, ik keerde om, parkeerde, en ging naar binnen.

'Hij is van de Volkskrant', hoorde ik. 'Hij komt een verslag maken.'

'Nee hoor, geen verslag, ik, ik reed. . .'

Een man begeleidde me naar een kamer waar vijftien jonge Turkse vrouwen op de grond onder de dekens lagen.

'Hij komt van de Volkskrant.'

'Nee hoor. . .'

De vrouwen gingen zitten. En toen? Ik haalde een pen en een papier uit mijn zak.

'Alsjeblieft. . . iedereen met zijn eigen handschrift. . . als u wilt. . . uw naam, leeftijd en. . .en de kilo's die u kwijt bent geraakt.'

De pen ging rond, ook het papier. De namen: 1. Sevilay (24), 2. Elif (33), 3. Sengul(37), 4. Gunay (34), 5. Yeter (26), 6. Zehra (25), 7. Dondu (32), 8. Esra (24), 9. Husne (36), 1O. Hatice (42), 11. Meral (30), 12. Sultan (29), 13. Kiraz (3O), 14. Zeynep (31), 15. Ayse (30).

De verloren gewichten: 12 kilo, 8 kilo, 5 kilo, 7 kilo, 9 kilo, 11 kilo, 9 kilo, 4 kilo, 7 kilo, 8 kilo, 10 kilo, 5 kilo, 8 kilo, 9 kilo, 7 kilo.

Toen reed ik naar huis.

Meer over