Het bevel van de eeuw werd door Hitler zelf gegeven

Zeker weten zullen we het nooit. Maar met de opening van de archieven van de voormalige Sovjet-Unie wordt het steeds waarschijnlijker dat de Führer zelf op 12 december 1941 het bevel tot de moord op de Europese joden heeft gegeven, analyseert Dick van Galen Last....

ER IS geen genocide in de geschiedenis waar zoveel over is geschreven als de holocaust. Maar over de beslissingen tot de uitvoering van de moord op de joden bestaat weinig documentatie. De operatie was uiterst geheim en daarom werden de opdrachten op het hoogste niveau alleen mondeling verstrekt.

Alle hoofdrolspelers zijn inmiddels dood en de weinige overgebleven documenten zijn door hun versluierende taal niet eenduidig te interpreteren. Zo komen in het protocol van de beruchte Wannsee-conferentie van 20 januari 1942 de woorden doden of vernietigen niet voor.

Christopher Browning vergeleek de historicus van de holocaust daarom met de man in Plato's grot die wel de weerspiegelingen en schaduwen ziet, maar niet de werkelijkheid die daar achter schuil gaat. Hij moet die werkelijkheid reconstrueren door extrapolatie van gebeurtenissen, documenten en getuigenissen.

De 34-jarige Berlijnse historicus Christian Gerlach heeft onlangs de voorpagina's van de wereldpers gehaald met zijn reconstructie van deze besluitvorming. Volgens zijn nieuwe theorie, die hij ontvouwde in een artikel in Werkstatt Geschichte (Heft 18/1997), nam Hitler op 12 december 1941 wel degelijk zelf het principe-besluit, de Grundsatzentscheidung, om alle Europese joden te vermoorden.

Deze theorie levert een antwoord op vragen waar historici al jaren lang over redetwisten. Volgens de zogenaamde intentionalisten leidde Hitlers antisemitisme rechtstreeks naar het besluit de Europese joden te vermoorden. Hitler had bij wijze van spreken zijn masterplan voor de moord op de joden al jaren in zijn bureaula liggen. De intentionalisten vermoeden dat de beslissing deze plannen ook uit te voeren begin 1941 werd genomen.

Daar tegenover stonden zogenoemde functionalisten als Martin Broszat en Hans Mommsen die menen dat er helemaal geen schriftelijk bevel van de 'zwakke dictator' Hitler aan ten grondslag lag, maar dat de vernietiging van de joden zich geleidelijk in de loop van 1941 uit een proces van 'cumulatieve radicalisering' had ontwikkeld.

Sinds enige tijd lijken deze tegenstellingen wat van hun scherpte te hebben verloren. Hitlers verantwoordelijkheid voor de moord wordt door geen weldenkend historicus ontkend, maar dankzij het veldwerk van historici als Christopher Browning, Dieter Pohl en ook Gerlach zelf - hij schreef een dissertatie over de jodenmoord in Wit-Rusland - krijgen autonome ontwikkelingen op regionaal niveau meer belang.

Uit archiefonderzoek in de voormalige Sovjet-Unie wordt hoe langer hoe duidelijker dat de fysieke uitroeiïng van de joden direct na de invasie van Rusland op 22 juni 1941 een aanvang had genomen. Niet alleen door de beruchte, speciaal daarvoor opgeleide SD-eenheden, de Einsatzgruppen, maar ook door de politiebataljons en de Wehrmacht. Diezelfde Wehrmacht had al in het najaar van 1941 het grootste deel van de joodse mannen in Servië vermoord.

Midden oktober 1941 waren de nazi's begonnen ook de joden uit het Duitse Rijk naar plaatsen in het oosten te deporteren waar een groot deel na aankomst in Kaunas en Riga werd vermoord. Himmler liet op 30 november 1941 plotseling de massa-executies van deze Duitse joden stopzetten.

Volgens Gerlach wilden de nazi's eerst vaststellen welke joden er nu eigenlijk gedood mochten worden. Wat moest er gebeuren met de uit het Reich afkomstige gemengd gehuwden, de halfjoden en de gedecoreerde oorlogsveteranen uit de Eerste Wereldoorlog?

Om dat te bepalen zou op 9 december 1941 een vergadering van topfunctionarissen belegd worden in een villa in de buurt van Berlijn. Deze conferentie, die later de Wannsee-conferentie is genoemd, werd uitgesteld tot 20 januari 1942.

Dat had volgens Gerlach alles te maken met de Amerikaanse oorlogsverklaring aan Hitlers bondgenoot Japan na de aanval op

Pearl Harbor. Hitler's antwoord liet niet op zich wachten. Op 11 december 1941 verklaarde hij op zijn beurt Amerika de oorlog en daarmee was voor Duitsland de wereldoorlog begonnen.

Hij kon uitvoeren wat hij al in zijn Rijksdagrede van 30 januari 1939 had aangekondigd: 'Als de internationale geldjoden erin zouden slagen Europa nog eens in een wereldoorlog te storten, dan zal het resultaat niet zijn de bolsjewisering der aarde en daarmee de overwinning van het jodendom maar de vernietiging van het joodse ras in Europa.'

Nu zou hij de daad bij het woord voegen. Op 12 december nam hij de laatste twijfels over zijn bedoelingen weg tijdens een bijeenkomst met vijftig leiders van de NSDAP: 'Der Weltkrieg ist da, die Vernichtung des Judentums muss die notwendige Folge sein.' De tijd van sentiment en medelijden was voorbij, voegde hij er dreigend aan toe. Het Duitse volk had immers al 160.000 soldaten in het oosten geofferd, nu moesten dus de veroorzakers van dit bloedige conflict daarvoor met hun leven betalen, aldus een dagboekfragment van Goebbels van 12 december.

Hitlers bekendmaking van dit cruciale besluit zou zijn bevestigd door Heinrich Himmler, het hoofd van de SS. Volgens een in de Moskouse archieven gevonden aantekening van Himmler zou Hitler hem op 18 december gezegd hebben dat de joden, omdat ze een 'risicofactor' vormden, uitgeroeid moesten worden als potentiële partizanen.

De Wannsee-conferentie werd meer dan een maand uitgesteld vanwege dit nieuwe besluit van Hitler: het zou nu niet meer in de eerste plaats over de vernietiging van de Duitse joden gaan, maar over alle Europese joden. De conferentie werd volgens Gerlach niet zozeer om technische redenen bijeengeroepen - vertegenwoordigers van de ministeries van verkeer en financiën waren bijvoorbeeld niet uitgenodigd - maar om principiële redenen: men had de instemming en medewerking nodig van de hoogste instanties van het Rijk.

De voorzitter van de conferentie, Himmlers rechterhand Reinhard Heydrich, was zo tevreden over de afloop van deze conferentie omdat geen van de aanwezigen bezwaar had gemaakt tegen Hitlers besluit.

Toch had Heydrich toen hij in juni 1942 als gevolg van een aanslag bij Praag overleed nog niet voldaan aan Görings opdracht van 31 juli 1941 om een uitgewerkt plan voor de 'totale oplossing' voor te leggen. De besluiten van Wannsee droegen slechts een voorlopig karakter en lieten veel in het ongewisse.

Ook de twee vervolgconferenties op 6 maart en 27 oktober 1942 brachten geen beslissing op het punt van de gemengde joden, de beslissing daarover werd uitgesteld tot na de oorlog. De meeste 'halfjoden', 'kwartjoden' en gemengd gehuwde joden konden, ondanks de per regio verschillende vervolgingsmaatregelen, de oorlog overleven.

Volgens Gerlach is Hitlers principe-besluit van 12 december 1941 de nog ontbrekende essentiële schakel in het besluitvormingsproces van de moord op de Europese joden. Sommige historici spreken van een 'doorbraak'.

Maar het blijft natuurlijk een reconstructie die valt of staat met de interpretatie van de aantekeningen van Himmler, Goebbels en van getuigenissen van andere paladijnen als Rosenberg en Frank. Over vernietiging had Hitler immers al bij herhaling met een, naar de woorden van Eberhard Jäckel, 'verbazingwekkend monotone hardnekkigheid' gesproken.

Het is eigenlijk alleen de intensivering van dit soort uitspraken rond 12 december die Gerlach tot de conclusie brengen dat er een principe-besluit van Hitler aan de Endlösung ten grondslag lag. Hans Mommsen bromde dan ook al over een storm in en glas water en verweet Gerlach de betekenis van de Wannsee-conferentie schromelijk te hebben overschat. Maar voor doorgewinterde functionalisten als Mommsen lijkt het zelfs al moeilijk toe te geven dat de 'zwakke dictator' Hitler ja geknikt zou hebben bij de radicale plannen van zijn ondergeschikten.

Gerlach erkent overigens dat de Nederlandse historicus L.J. Hartog al eerder Hitlers besluit als logisch uitvloeisel van de oorlogsverklaring aan de VS rond 12 december had gedateerd - en dan vergeet hij nog Sebastian Haffner die daar al in 1978 op gewezen had (Kanttekeningen bij Hitler p. 172). In Hoe ontstond de jodenmoord (SDU 1994) had Hartog op zeer plausibele wijze zijn stelling verdedigd dat Hitler met zijn Rijksdagrede van januari 1939 de Europese joden tot gijzelaars had gemaakt om daarmee zijn doelstellingen op het gebied van de buitenlandse politiek te kunnen verwezenlijken.

De deelneming van Amerika aan de oorlog zou Hitler er toe hebben gebracht zijn veelvuldig herhaalde bedreiging ook uit te voeren: het doden van de gijzelaars die immers hun functie van politiek instrument hadden verloren.

Maar Hitler krijgt bij Gerlach niet de alles bepalende rol die Hartog hem had toebedeeld. Hitler liep volgens hem eerder achter de feiten aan, de beslissing werd hem opgedrongen door initiatieven van de lagere echelons in de partij en de plaatselijke commandanten. Geconfronteerd met de massa-executies in het oosten besloot hij in december de knoop ook wat betreft de joden uit Duitsland en West-Europa door te hakken.

In die zin valt Gerlachs these op te vatten als een verzoening van de intentionalistische en functionalistische standpunten en verdient deze zeker nader onderzocht te worden.

Duidelijk is dat het debat nog verre van beslecht is en dat betekent ook dat revisionisten als David Irving twijfel kunnen blijven zaaien over de moord op de joden.

Het wachten is op de historicus die een eigenhandig met zijn hanepoot ondertekende opdracht van Hitler vindt, maar het lijkt onwaarschijnlijk dat zo'n Führerbefehl heeft bestaan.

Dick van Galen Last is verbonden aan het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie.

Meer over