Het bedrog als kunstwerk

OOK HET tweede boek van de Zweedse schrijver Per Olov Enquist is weer heel erg de moeite waard...

Nou ja, ik val wel met de deur in huis.

Laat me het even uitleggen.

Vorig jaar zomer verscheen het eerste boek van Enquist in het Nederlands. Het bezoek van de lijfarts heette het. Het ging over de korte periode die de Duitse arts Struensee in de achttiende eeuw aan het Deense hof had doorgebracht, als lijfarts van de als dwaas beschouwde jonge koning en als minnaar van diens wettige gade.

Een prachtig boek, en meer dan dat: een bijzonder boek doordat Enquist erin slaagde ons door middel van deze historische roman dichter bij het wezen van de barok te brengen, het leven als theater.

Iedereen las die zomer Het bezoek van de lijfarts en wie ik ook sprak, iedereen beaamde mijn zeer gunstige oordeel.

Nu is er een nieuwe Enquist, De vijfde winter van de magnetiseur, en weer heb ik het met ogen op steeltjes en warme gevoelens gelezen. Nieuw is overigens een vreemd adjectief in dit verband, want het boek verscheen oorspronkelijk in 1964 in Zweden. Kennelijk ziet de uitgever zoveel brood in Enquist, dat hij gaat proberen het ganse oeuvre van deze Nobelprijs-kandidaat voor Nederlandse lezers te ontsluiten. Dat zou mooi zijn.

In De vijfde winter van de magnetiseur vertelt Enquist over de genezer Friedrich Meisner, die in de achttiende eeuw in steden als Wenen en Parijs van zich deed spreken. Als het verhaal begint, is hij als bedrieger door de mand gevallen en moet hij er - gevlucht naar een grot in de bergen - ernstig rekening mee houden dat hij gevangen zal worden genomen.

Dat gebeurt, maar hij ontsnapt. Het is het begin van een nieuwe zegetocht voor de man die ziekten kan genezen die niemand kan genezen. Hij is een bewonderaar van Paracelsus, die ervan overtuigd was dat ziekten een gevolg waren van de invloed van de sterren op het 'fluïdum' in de mens. Iemand die met gelijksoortige denkbeelden een tijdlang opgang maakte, was Franz Anton Mesmer.

Enquist heeft Mesmer, net als Paracelsus, gebruikt voor zijn verhaal, dat net als in Het bezoek van de lijfarts de tegenstelling (of het dilemma) tussen verstand en gevoel onder woorden probeert te brengen, maar hij geeft door naar hen te verwijzen zijn verhaal ook dat tikkeltje authenticiteit dat een historische roman nu eenmaal niet kan ontberen. In een nawoordje legt de schrijver uit dat Friedrich Meisner een product is van de verbeelding, maar niettemin op een bepaalde manier geïnspireerd door Mesmer. Slechts op één punt heeft hij een ware ziektegeschiedenis gebruikt, die van de mesmerist P.G. Cederschjöld uit 1821, over een vrouw die door de dokter van een gezwel - een buitenbaarmoederlijke dode foetus - wordt afgeholpen. Onder de handen van Enquist werd dit een ijzingwekkende (maar ook wel geestige, want nogal vieze en griezelige) case-history in De vijfde winter van de magnetiseur.

Die authenticiteit is uiteraard tot op zekere hoogte flauwekul. Natuurlijk moet iemand die een historische roman schrijft je de indruk geven dat wat hij vertelt, waar gebeurd is. Daarvoor heeft hij als hij kán schrijven zijn trucs. Bij Enquist is dat een haast droge, verslagleggende stijl, die niet op fraaiheid mikt, maar op effectiviteit (iets waaraan je áltijd de goede schrijver herkent).

Waar het om gaat is vanzelfsprekend - en op dat punt scheiden zich de wegen tussen degenen die zomaar een verhaal vertellen en degenen die iets te melden hebben - dat Enquist erin slaagt dit verhaal over de oplichterspraktijken van de magnetiseur Meisner zo in te kleden, dat licht geworpen wordt op een probleem dat met het aanbreken van de moderniteit, en de opkomst van de romantiek, het geestelijk leven in het Westen is gaan beheersen: is de mens rationeel of niet, dat wil zeggen, handelt hij altijd verstandig, heeft hij zichzelf in de hand, of gieren de emoties telkens weer met zoveel kracht door zijn lijf en brein dat hij stelselmatig (en dan ook nog liefst collectief) uit bocht vliegt?

Overgeplaatst naar het gebied van de geneeskunst, dat door Enquist ook in deze roman weer als voorbeeld wordt opgevoerd, is die tegenstelling te vatten in aan de ene kant de 'officiële' geneeskunde en aan de andere kant de kwakzalverij. Enquist bespeelt het dilemma met sardonisch genoegen, ik denk omdat hij als schrijver (en dus als kunstenaar) weet dat geen mens ooit iets van waarde zal voortbrengen als hij zichzelf niet als een vat vol tegenstellingen heeft leren kennen en daarmee een idee heeft gekregen van de raadselachtigheden die hem nu juist tot individu, tot mens maken.

Enquist stelt belang in zoiets als de mysterieuze krachten in de mens, die je rechtstreeks in verband kunt brengen met grootse verrichtingen als kunstwerken, maar ook met de waanzin. Hij probeert daar met behulp van zijn verbeeldingskracht iets over te zeggen, waarbij de historische setting van zijn verhaal hem tegelijkertijd een grote vrijheid én houvast verschaft. Hij gelooft niet in een verabsolutering van de ratio, zoals die ten tijde van de Verlichting - in de achttiende eeuw - in woord en praktijk vorm kreeg, toen korte metten werd gemaakt met evident ongrijpbare zaken als godsdienst, kunst, liefde en wat dies meer zij, overigens alleen maar om een nieuwe 'orde' te bewerkstelligen, die - zichtbaar tot in onze tijd - nog afschrikwekkender kanten ging vertonen dan het zo versmade christendom had laten zien.

Voor het 'irrationele' in De vijfde winter van de magnetiseur staat de figuur van Meisner, de man die het volk het onmogelijke geeft, in feite wat het wíl: wonderen, onverklaarbare genezingen, geluk, het gevoel te léven. Daartegenover plaatst Enquist de arts Claus Selinger, die de verrichtingen van de wonderdoener als een nauwgezet secretaris vastlegt, iemand die deze genezer met groot wantrouwen beziet, des temeer, omdat een vriend van hem, ook een arts, nog meer de rigide methoden van de officële geneeskunde voorstaat dan hij.

Selinger verliest de vaste grond onder zijn voeten als Meisner zijn dochter, die na een groepsverkrachting blind is geworden, weet te genezen. Hoewel hij niet precies begrijpt wat de magnetiseur heeft gedaan, moet hij accepteren dat diens methode effectief is. Daaruit groeit een nieuwe tegenstelling in dit verhaal: wat is er tegen een geneeskunst die academisch gezien wellicht kwakzalverij is, maar die onbetwistbaar resultaten afwerpt? Selinger raakt zelfs in de ban van Meisner, die gelooft dat de leugen creatiever is dan de waarheid - een typische verwijzing van Enquist naar zijn eigen werk als scheppend kunstenaar - en die gelooft dat Meisners werk gezien moet worden als 'een groot romantisch kunstwerk'. Niettemin ziet hij het bedrog dat Meisner pleegt. Hij verraadt hem.

Enquist bespeelt zijn thema virtuoos. Hij goochelt met het onderwerp, keert het binnenstebuiten, zelf vermoedelijk nieuwsgierig naar de uitkomst, en terwijl het verhaal glashelder blijft - als een mooie barokspiegel waarin we al deze achttiende-eeuwse uit het leven gegrepen taferelen fragmentarisch weerkaatst zien - nemen de complicaties duizelingwekkend toe. Het onderwerp is te groot voor één boek. Het vraagt om een oeuvre waarin die tergende kwestie boek na boek wordt bezien: hoe (on)berekenbaar is de mens?

Meer over