Het alledaagse wordt bijzonder in bundel van een literaire globetrotter

Christoph Ransmayr: Atlas van een bange man

****

Uit het Duits vertaald door Roland Fagel. Prometheus; 350 pagina's; euro 24,95.

In de herfst van 1988 verscheen een nieuwe, stralende ster aan het literaire firmament van de Duitstalige wereld: de roman Die letzte Welt van de Oostenrijkse schrijver Christoph Ransmayr over het leven van de Romeinse dichter Ovidius in zijn verbanningsoord Toma, het huidige Constanza aan de Zwarte Zee. Het boek werd in verschillende talen vertaald en verscheen ook in het Nederlands. Wereldfaam was Ransmayrs deel.

Hij is een literaire globetrotter en dat bewijst hij nu weer in zijn Atlas van een bange man, een verzameling van zeventig reisimpressies uit uiteenlopende oorden. Geen eiland is hem te ver, geen streek te woest of berg te hoog. Zijn verhalen zijn miniaturen die niettemin de hele wereld omvatten. Hij neemt de lezer mee naar soms bekende, soms exotische oorden en laat hem deelnemen aan volksfeesten en rituelen. Het is een boek dat je niet in één adem uitleest, daarvoor zijn de meeste verhalen niet spannend genoeg. En niet alle verhalen zijn even geslaagd. Maar je keert toch telkens terug om nieuwe episodes uit het leven van deze reiziger te leren kennen.

Daarbij komt dat Ransmayr een goede verteller en een nauwkeurige waarnemer is. Ogenschijnlijk belangloze zaken krijgen door zijn ogen en zijn taal betekenis; het alledaagse wordt bijzonder. Gewone mensen, zoals een schipper op de rivier de Mekong, een kalligraaf in Peking en een lootjesverkoper in Valparaiso, krijgen statuur.

Alles begint met kijken; elk verhaal begint met de woorden 'Ik zag...'. Maar deze verhalen moeten het deels ook hebben van de mensen die Ransmayr ontmoet. Zo maakt hij op de Chinese Muur kennis met een Brit die vogelgeluiden verzamelt. En in Tsjechië ontmoet hij een man die het oude joodse kerkhof van Trebic voor de ondergang behoedt. Op de Noordpool kijkt hij naar een schatrijke Amerikaan die per se op het meest noordelijke puntje van de wereld golf wilde spelen.

Ransmayr mengt het heden met het verleden. Als hij vertelt hoe een visser in Phnom Penh tijdens het jaarlijkse 'waterfeest' een in elkaar geknutseld schuitje te water laat, dan volgt niet alleen het verhaal van de Mekong en de rivier Tonle Sap, maar herinnert hij ook aan het schrikbewind van Pol Pot.

Sommige verhalen zijn leerzaam. Ransmayr kan boeiend vertellen over de sterrenhemel. Op het Paaseiland gaat hij op zoek naar de geschiedenis en de cultuur van het volk dat hier ooit die enorme stenen figuren heeft neergezet. En een bezoek aan het eiland Pitcairn in de Zuidzee brengt de oude geschiedenis van de muiterij op de Bounty weer tot leven.

De titel van het boek is deels raadselachtig, want Ransmayr is zeker geen 'bange man'. Zijn bergtochten zijn niet zonder gevaar. Op de Boliviaanse hooglanden wordt hij zelfs beschoten door een jachtvliegtuig. Maar typerend is dat dit voorval minder betekenis lijkt te hebben dan de pogingen van een kever zich te bevrijden uit een dorre graspol.

Bij dit alles vergeet Ransmayr zijn vaderland Oostenrijk niet. Ook de naaste omgeving biedt stof. Duidelijk is wel dat voor hem de alpenrepubliek te klein is.

Ransmayr (1954) publiceerde zijn vorige boek, het prozagedicht Der fliegende Berg (De vliegende berg; Prometheus) in 2006

Meer over