Het absurde geheim

WAT WISTEN de geallieerden tijdens de oorlog van de jodenvervolging op het door de Duitsers beheerste vasteland van Europa? Wanneer wisten ze dat er sprake was van een systematische vernietigingsmachinerie?...

De vragen kwamen voor het eerst dwingend aan de orde in Walter Laqueurs The Terrible Secret - Suppression of the Truth about Hitler's Final Solution (1980).

De ondertitel liet al meteen geen ruimte voor misverstand. Laqueur toonde aan dat in Londen en Washington (alsmede in Bern en Vaticaanstad) de feiten aangaande een Endlösung al in de loop van 1942 bekend waren of bekend hadden kunnen zijn, dat men toen al wist van Auschwitz en Sobibor en van 'planmatige' deportaties uit heel Europa naar sinistere kampen in Polen, en dat de onbetwistbare waarheid over de stelselmatig uitgevoerde genocide is achtergehouden.

Waarom?

Laqueur voerde een aantal verklaringen aan.

Zeker de Engelsen bewaarden onaangename herinneringen aan propaganda met vermeende Duitse gruweldaden in de bezette delen van België en Frankrijk ten tijde van de Eerste Wereldoorlog: die berichten hadden ze toen kwistig verspreid, en die bleken achteraf bijna zonder uitzondering uit de duim gezogen. Zolang geen absolute zekerheid kon worden verkregen, bleef men terughoudend, dus achterhoudend; zelfs (Poolse) getuigenverklaringen over Auschwitz bleven tot in 1943 met dat argument binnenskamers. Tot die tijd, toen de krijgskansen nog onzeker waren, genoten de militaire operaties bovendien volstrekte prioriteit.

Al dan niet latent antisemitisme speelde een andere rol - weer met name in Engeland (en meer speciaal bij het Foreign Office van Eden), waar men onvriendelijke gevoelens jegens de joden wel rechtvaardigde vanuit een 'nationaal belang': in het mandaatgebied Palestina waren ze ook al zo lastig.

Dan was er het probleem van de analyse. Langs officieuze en officiële weg kwamen de signalen, de berichten en de feiten weliswaar in overvloed binnen, maar er was nergens een instantie waar ze allemaal binnenkwamen, en waar ze in samenhang op hun waarde konden worden gewogen en ontleed. Amerikaanse en Engelse inlichtingendiensten, joodse agentschappen en Russische informanten werkten overwegend solistisch, wisselden alleen mondjesmaat gegevens uit, en koesterden onderling het wantrouwen dat nu eenmaal het privilege van zulke instellingen schijnt te moeten zijn.

En ten slotte was er wat Laqueur omschreef als het onvermogen om te geloven en te bevatten. Oorlogsexcessen en zelfs incidentele oorlogsmisdaden waren te begrijpen en tot op zekere hoogte zelfs te 'verontschuldigen'. Georganiseerde massamoord was te verschrikkelijk om waarschijnlijk te zijn - en moest daarom haast wel verzwegen blijven als een terrible secret.

Al die verklaringen komen nog eens terug in Official Secrets van de Amerikaanse holocaust-specialist Richard Breitman, die in 1986 samen met Laqueur (in Breaking the Silence) de namen onthulde van twee Duitse industriëlen die in de zomer van 1942 gedetailleerde informatie over Oost-Europese vernietigingskampen naar Zwitserland wisten te smokkelen en wier bevindingen via het World Jewish Congress de Engelse inlichtingendienst bereikten: die ze vervolgens zorgvuldig geheim hield.

Hoe geheim merkte Breitman toen hij in 1994 bij de National Security Agency min of meer bij toeval inzage kreeg in bijna vijftienhonderd dozen met meer dan een miljoen gedecodeerde Duitse (radio)berichten die een schat aan nieuwe informatie bleken te behelzen over moordpartijen van vooral de Ordnungspolizei in de allereerste weken na de Duitse inval in Rusland.

Toen dus al - in de vroege zomer van 1941, dat wil zeggen een half jaar vóór Heydrich de Endlösung 'formeel' zou aankondigen op de Wannsee-conferentie - waren bewijzen van consequente oorlogsmisdadigheid geleverd.

Eén voorbeeld dat Breitman aanhaalt, gold de 'oplossing' van een probleem dat de Duitse troepen in Novgorod tegenkwamen. Men wilde een ziekenhuis vorderen, maar dat lag vol met Russische dysenteriepatiënten. Een legerarts had gehoord dat in soortgelijke gevallen de hulp was ingeroepen van een speciale SS-eenheid die over vrachtwagens beschikte waarin ongewenste zieken konden worden vergast, en één telefoontje (plus het persoonlijke fiat van Himmler) waren voldoende om het ziekenhuis vrij te maken.

De Engelsen waren op de hoogte, ze zetten het stempel Top Secret op het document, en borgen het op.

De vraag waarom de bewijzen vijftig jaar geheim moesten blijven, is er nog maar één. Breitman vermoedt dat we te maken moeten hebben met zoiets als de geïnstitutionaliseerde beroepsargwaan van alle geheime diensten. Met de Russen werden de inlichtingen niet, of alleen maar in schaarse gevallen gedeeld. Het was voor Londen tenslotte nog maar de vraag of de Sovjet-Unie niet zou bezwijken onder de Duitse aanvalskracht, en het eigen talent om codes te breken - inderdaad sterker ontwikkeld dan in Duitsland, Rusland en Amerika - werd gekoesterd als een kroonjuweel. Om precies die reden moesten de kraakmethoden ook na de oorlog (in de jaren van de Koude Oorlog!) beschermd blijven. Ook al werd daarmee historisch onderzoek - plus juridisch bewijsmateriaal tegen oorlogsmisdadigers - welbewust gefrustreerd.

Klemmender is natuurlijk de vraag waarom toen met de beschikbare feiten niet of nauwelijks iets is gedaan. Breitman citeert uit een boodschap van het Amerikaanse Office of War Information aan z'n Londense afdeling - en dan is het intussen al december 1944 geworden. 'Al te veel werk maken van Duitse wreedheden', luidt de waarschuwing, 'zou in Duitsland kunnen leiden tot angst, schuldgevoel, dus sterkere tegenstand. Ons vertoon van morele verontwaardiging weegt tegen dat risico niet op.' De behoefte aan een snelle militaire afwikkeling bleef groter dan al het andere.

Maar Breitman werkt nog een kant van de zaak uit die bij Laqueur enigszins onderbelicht bleef. Zoals nazi-Duitsland in de woorden van Chris Lorenz (in diens reactie op Goldhagen) 'geen monocratische dictatuur was, waar Hitlers bevelen direct door iedereen in daden werden omgezet, maar een polycratie waarin een chaotische competentiestrijd tussen verschillende staatsorganen werd gevoerd', zo waren de geallieerde democratieën nog veel minder organisaties die vanuit één gezagspunt werden gedirigeerd. De Duitse weg naar Auschwitz is niet recht, maar bochtig geweest, maar even kronkelig en haast onachterhaalbaar was de Engels-Amerikaanse route die tot de bijtijdse 'ontdekking' van Auschwitz had moeten en had kunnen leiden.

In de woorden van Breitman: 'Ook de geallieerde reactie op de holocaust moet als het ware gedecodeerd worden. Het imago van figuren als Churchill en Roosevelt is zo imponerend gebleven dat mensen nog altijd geneigd zijn de Engelse en Amerikaanse houding tegenover de jodenvervolging onmiddellijk te verbinden met het beeld van die twee leiders. Maar dat is een misverstand. Het onderzoek naar de politieke geschiedenis van westerse democratieën in de twintigste eeuw moet bovenal een onderzoek zijn naar hun bureaucratische apparaten.'

De werking en vooral de eigenmachtigheid van al die geallieerde (inlichtingen)diensten die er hun eigen pikordes, normen en ponteneuren op na hielden, en voor wie de geheimhouding als een doel op zich ad absurdum werd doorgevoerd - die zijn in het boek van Breitman op een schrijnende manier zichtbaar gemaakt.

Waarbij hij overigens - net als Laqueur twintig jaar geleden - de vraag onbeantwoord laat wat in de toenmalige omstandigheden precies had kunnen worden gedaan als de waarheid eerder was onderkend en begrepen.

Meer over