Herscheppen met de precisie van een plastisch chirurg Merijn Bolink keert de materie binnenstebuiten

Op zoek naar geschikte objecten, schuimt beeldend kunstenaar Merijn Bolink rommelmarkten, straten en zelfs de dierenasiels af. Hij ontleedt, kruist en hervormt gebruiksvoorwerpen....

WILMA SUTO

MERIJN BOLINK (1967) is een eigengereide tovenaarsleerling. Alles wat hem onder handbereik komt, keert hij binnenstebuiten. Hij licht zelfs de schedel van de meesterschepper, tilt de hersenen eruit en brengt de inventie der dieren aan de oppervlakte: krioelend in kronkels. Het brein bevat de gestileerde contouren van een pinguïn, een walvis en een worm, zij aan zij met de aanzet tot vele andere beesten.

Dat Bolink er zich als sterveling bij neer moet leggen zelf geen originele dieren te kunnen construeren, verhindert hem niet het opperwezen na te volgen en diens uitvindingen hoogstpersoonlijk over te doen. Zoals de mol over scherpe graafklauwen beschikt en de vogel over vleugels, heeft immers elk wezen specifiek gereedschap om te overleven: hij als mens zijn hersenen, waarmee hij kan nadenken over àl die instrumenten, die perfect genoeg in elkaar blijken te passen om ze stuk voor stuk te kunnen demonteren en namaken.

Het brein van de meesterschepper is in Bolinks versie weliswaar iets omvangrijker dan dat van ons, maar het komt er anatomisch verregaand mee overeen. Voor de bezoeker die in Galerie Fons Welters de schedelinhoud aan de muur ziet hangen, is de herkenning daardoor aanvankelijk groter dan de uitdaging van dit 'biologische supermodel'. De ongeschonden hersenschors onthult niet eens dat een doorsnede van de kleine hersenen, grillig vertakt, de zogenaamde levensboom vormt. Bij nader inzien wordt pas duidelijk dat Bolink zo diep niet hoeft te graven, om toch de creatieve capaciteiten van de grijze massa te veraanschouwelijken.

Wanneer de galeriebezoeker maar een seconde de tijd neemt om met zijn wimpers te knipperen en nòg eens te kijken, valt het compact kronkelende zenuwstelsel onder zijn ogen uiteen in een rijk gedifferentieerde beestenbende. Naast een giraffe, eekhoorn en zeepaard, komt dan opeens ook het gordeldier tevoorschijn. Dank zij het gescharnierde pantser op zijn gebogen ruggetje lijkt dit beest verwarrend veel op de geplooide schors van de kleine hersenen, waar het - wie weet zelfs met medeneming van de levensboom in zijn binnenste - de plaats van inneemt.

Het is karakteristiek voor Bolink dat hij aan elkaar wezensvreemde grootheden - zoals het gordeldier en de kleine hersenen - zo geraffineerd overeen weet te doen stemmen dat zij gaan rijmen en zelfs gedurig met elkaar van gedaante lijken te verwisselen. Het aan de galeriewand gerepresenteerde meesterbrein belichaamt daardoor niet alleen die wonderlijke vindingrijkheid van wat voor het oog slechts biologisch weefsel is, maar ook een fenomeen uit de waarnemingspsychologie.

De kijker ziet afwisselend één van beide: brein of beestenbende. De elk voor zich vertrouwde, maar logischerwijs onverenigbare vormen, frustreren een gelijktijdige herkenning. Alleen ten koste van het geheel kunnen de delen tevoorschijn komen en vice versa. Om van de diversiteit aan dieren weer een samenhangende schedelinhoud te maken, zal de kijker andermaal met zijn ogen moeten knipperen.

De in brons gegoten en groen uitgeslagen hersenschors is als een mythisch overblijfsel uit het begin der tijden: zelf een fossiel dat intussen talloze andere fossielen omvat. Ofschoon het op de expositie van recente sculpturen het enige beeld is dat niet werd samengesteld uit bestaande instrumenten of organismen, maar geheel door de kunstenaar zelf werd vervaardigd, is het exemplarisch voor Bolinks artisticiteit. Terwijl hij zelf het brein van de meesterschepper bestudeert, gunt hij ons een blik in zijn eigen schedel. De hersenschors openbaart behalve Bolinks aandacht voor het onderhuidse tevens zijn inventieve verlangen naar de macht der metamorfose.

Dingen, dieren en, zij het indirect, ook mensen vallen bij hem telkens ten prooi aan een kunstzinnige analyse, die zowel hun materiële samenstelling betreft als de subjectieve som van die delen: hun functie of andersgezegd ziel. Om te beginnen ontleedt Bolink de door hem op rommelmarkten en langs de straten - maar recentelijk ook uit een dierenasiel - verworven objecten. Hij doorgrondt ze tot op het bot. Daarna kruist en herschept hij ze, naar eigen goeddunken, maar altijd met de precisie van een plastisch chirurg.

Enkele jaren geleden vielen onder zijn aanraking al een piano en een kinderwagen uiteen in een veelvoud van zichzelf, alsof die dode dingen zich in een onbewaakt ogenblik hadden voortgeplant. Eén kinderwagen werd veertien kinderwagentjes. Stuk voor stuk in elkaar geknutseld uit de verschillende materialen van het origineel beschikken ze alle veertien over een eigen identiteit, ofschoon het moedermodel hun overeenkomstige uiterlijk bepaalt. In een mooi klein boekje dat bij Bolinks huidige tentoonstelling verscheen, noemt Dominic van den Boogerd dit treffend 'een soort genetica der gebruiksvoorwerpen'.

Maar de kunstenaar heeft inmiddels zijn werkterrein verruimd en zijn uitzonderlijke erfelijkheidsleer in praktijk gebracht op een levend organisme. Na het schillen van de piano en het fileren van de kinderwagen, waagde hij zich aan het villen van een hond. Bolink vermenigvuldigde een labrador. Na bestudering van de ingewanden, voegde hij aan het opgezette dier zeventien replica's van polyester toe. De kleine labradortjes zijn elk beschilderd als een orgaan, zodat nu een roedel van achttien honden de galerieruimte beheerst. De volgroeide labrador wordt gevolgd door onder meer een bloedhondje, een darmhondje en een harthondje.

Hoe intrigerend, griezelig en aantrekkelijk dit idee van organische transformatie en verzelfstandiging ook is, en hoe aandoenlijk die identieke en terzelfdertijd individuele diertjes ook zijn: de hondesculptuur ontbeert de bezieling van de in een hele familie veranderde kinderwagen. Dit kan ermee te maken hebben dat Bolink ervoor terugdeinsde de kleine labradors uit het echte honde-innerlijk te snijden, waardoor hij zijn publiek een confronterende, zij het misschien ook magische ontmoeting bespaart. Dat de tovenaarsleerling zich niet tot duivelskunstenaar ontpopt valt hem echter amper aan te wrijven.

Het probleem is veeleer dat waar Bolink er wel in slaagt van zichzelf levenloze instrumenten of gebruiksvoorwerpen te begeesteren, hij onmogelijk kan voorkomen te falen bij zijn pogingen organische wezens als wezens te reproduceren. In de wereld van de kunst dreigen natuurlijke schepsels vanzelfsprekend te verworden tot dingen. Een opgezette hond is onvermijdelijk een dode hond, daar verandert geen polyester puppy-schare iets aan. Veel mysterieuzer - onwaarschijnlijk en tegelijk volkomen vanzelfsprekend - zijn die beelden waarin Bolink gebruiksvoorwerpen met elkaar kruist of laat reïncarneren in hun eigen bestemming.

De ene wanmolen, een ouderwetse machine om het kaf mee van het koren te scheiden, vermaalt bij hem de andere: het hout van het mechanische instrument verging tot gruis en dat gruis veranderde, korreltje verlijmd aan korreltje, weer in grote goudgele granen, een enorme berg aan de voorkant van het apparaat, dat aan de achterkant zijn eigen ijzerwaren afscheidde als waren het de vliesjes van het graan. Met een vergelijkbare poëtische logica laat Bolink een antieke brandweerslang een van water doordrenkte zinken emmer verslinden. Beide dingen verduidelijken zo hun doel maar heffen elkaar ook op. Hun mysterieuze samengaan herinnert aan de voor volwassenen onbegrijpelijke tekening van de boaconstrictor die een olifant verteert, in De Saint-Exupéry's vertelling De Kleine Prins.

Heel mooi is ook de ziels- en materiaalverhuizing die Bolink uitvoerde op een bij de luchtvaartmaatschappij Japanese Airlines bij het vuilnis op de stoep gevonden film, getiteld The Early Birds. Uit het filmblik haalde hij een kleine vogel tevoorschijn, met een verenpak van zilverzwart celluloid. In zijn transparante staart suizen de vliegtuigen door de lucht. Wie de filmdoos opent, ontdekt bovendien het fraaie geheim dat daarin schuilt: het moiré-effect van het overgebleven en opgerolde celluloid oogt als gladgestreken vogelveren. Een dergelijk toeval, te wonderbaarlijk om in te geloven, bevestigt de hoop dat Bolink op een goede dag daadwerkelijk slaagt in zijn verlangen zelfs de vier elementen te slim af te zijn: vuur van water te maken en aarde van lucht.

Sculpturen van Merijn Bolink. Tot en met 29 april in Galerie Fons Welters, Bloemstraat 140, Amsterdam, open: woensdag t/m zaterdag 13-18 uur en op zondag 2 april.

Meer over