Hermans in snippers

KORT NA zijn dood begon het al. Vele mannen dongen naar de gunst van de weduwe. Onder hen waren vrienden en gewezen vrienden van haar echtgenoot, de in 1995 overleden schrijver Willem Frederik Hermans....

De 'wetenschappelijken' verenigden zich vorig jaar in een Willem Frederik Hermans Instituut, dat zich ten doel stelt het verzameld werk uit te geven, onderzoek te entameren en ten slotte een biografie te produceren; in de adviesraad zitten de bekende Hermans-kenners Ton Anbeek, Frans Janssen en Wilbert Smulders. Het instituut waakt over de nalatenschap; mevrouw Emmy Hermans-Meurs en zoon Ruprecht Hermans zullen beslissen of, en wanneer, materiaal wordt vrijgegeven.

Voorzitter van het bestuur is de 'onderwijsconsultant' Raymond Benders, die op anderen voorheeft dat hij, behalve een kenner van het werk, ook een vriend was van de schrijver. En die zich, toen Hermans overleed, nog altijd een vriend mocht noemen, anders dan de voormalige hof-exegeet Janssen, die in ongenade viel toen hij zich ook voor andere onderwerpen bleek te interesseren.

Een andere gewezen vriend - of op z'n minst kennis - verzocht de weduwe om inzage in ongepubliceerd materiaal: Hans van Straten. Deze oud-journalist, en biograaf van Hendrik Werkman en Multatuli, was wel eens te gast bij het echtpaar Hermans en zat bij alle feestelijkheden en rellen rond de schrijver steevast vooraan - tot ook over hem de banvloek werd uitgesproken.

Aanleiding daartoe vormde vermoedelijk een bundeltje erotische verhalen dat Van Straten samenstelde. In ieder geval werd hij bij Hermans' dood zelfs niet met een rouwkaart bedacht. Die vernedering hield hem niet af van zijn stellige voornemen de eerste biograaf van Hermans te zijn. Dat hij eerder nooit blijk had gegeven van inzicht in het oeuvre van Hermans, vormde evenmin een belemmering.

Van Straten werd, alle gezellige logeerpartijtjes ten spijt, geen blik vergund in de zeven verzegelde hutkoffers met duizenden brieven, waaronder die aan hemzelf, en de originele manuscripten. Maar hij liet zich niet ontmoedigen. 'Ik heb een uitstekend geheugen', tekende de Volkskrant op, 'en er blijven ook nog genoeg openbare stukken over.' En hij schreef de eerste Hermans-biografie, Hermans - zijn werk, zijn tijd, zijn leven, die deze week in de boekhandel ligt.

Hermans zou een vilein plezier hebben gehad in dit gekrakeel rond zijn levensverhaal. Tweespalt, gefnuikte ambitie - het waren de bewijzen van menselijke onvolkomenheid waarover hij vijftig jaar lang schreef. Zijn sardonisch schaterende geest zou iedere biograaf op voorhand de moed kunnen ontnemen.

Hij had niet veel op met het genre van de (auto)biografie. 'We rijden niet in auto's om de autofabrikanten beter te leren kennen', zei hij eens. Het beste leek hem gewoon te wachten tot vijftig jaar na zijn dood, als alle bronnen zouden worden vrijgegeven.

Van Straten begint zijn biografie, geheel in Hermans' stijl, met een waarschuwing: 'Dit boek is niet alleen geschreven voor hartstochtelijke Hermanslezers, die alle werken van de meester uit hun hoofd kennen.' Bij de 'uittreksels' van de werken die hij opnam, dacht Van Straten vooral 'aan de jonge, soms nog schoolgaande lezers, die er een wegwijzer in kunnen vinden naar werken die hun nog onbekend zijn'. De biograaf belooft 'Hermansianen' echter vermeldingen van 'krasse blunders' van de schrijver. We hebben er met deze biografie dus in ieder geval een uittrekselboek en een ongeautoriseerde erratalijst bij.

Van het materiaal dat Van Straten wel ter beschikking stond, maakte hij uitputtend gebruik. Torenhoge stapels recensies en interviews verwerkte hij, duizenden berichten over Hermans' rechtszaken, het weigeren van prijzen, publieke vetes, roofdrukken en ander 'affaires', en notities van gesprekken . De biografie maakt de indruk dat hij geen snipper ongemoeid liet.

De lezer krijgt dit alles breed uitgeserveerd. Na de pagina's lange samenvatting van elk werk volgen pagina's lange citaten uit recensies. Bij werken die geïnspireerd zijn door historische gebeurtenissen, zoals King Kong en De donkere kamer van Damocles, legt Van Straten de protocollen van enquêtecommissies naast de desbetreffende romanpassages. Openbare interviews met de schrijver, zoals die met Jaap Goedegebuure in 1981 en met Adriaan van Dis op de televisie in 1992, zijn vrijwel woordelijk weergegeven.

Die kritische reacties op het vroege werk, zoals Conserve, De tranen der Acacia's, Ik heb altijd gelijk en De donkere kamer van Damocles, zijn interessant. Zij laten zien dat er maar een enkeling was die er meer in zag dan 'schunnigheden' en belediging van het gelovige volksdeel, en die hem niet gemakzuchtig, op de hoop van 'door de oorlog ontgoochelde jongeren' veegde. Zulke critici waren zijn generatiegenoten Adriaan Morriën, Paul Rodenko en Adriaan van der Veen, die al vroeg geloofden in het grote talent van de jongen die vergeefs met manuscripten leurde. En Vestdijk, die als een van de weinige ouderen een oorspronkelijk schrijver herkende, die chaos en vergeefsheid met zijn eigen mythen wilde bezweren.

Maar het merendeel van de ellenlange citaten en uittreksels is niet interessant. Waar het aan ontbreekt is selectie, ordening en synthese door iemand die een ontwikkeling schetst, van een oeuvre, van een karakter. Zulke beschouwende passages ontbreken in deze vuistdikke biografie; de grote lijn is aan het oog onttrokken door de details. Je komt er niet achter welke plaats Hermans innam in de naoorlogse literatuur.

Was hij een vernieuwer, stond hij alleen, maakte hij school, werd hij begrepen? We krijgen precies te horen wanneer hij schrijft voor welk tijdschrift - Criterium, Podium, Libertinage en later vrijwel alle dag- en weekbladen - en na welke ruzie de schrijver vertoornd zijn medewerking staakte. Morriën, Rodenko, J.B. Charles, Gerard van het Reve en al die andere vrienden werden op een kwade dag allemaal zijn vijanden.

Hermans' schrijversleven is in deze biografie een eindeloos repeterende breuk van herrie, hetze en wraak. Van het verbod op De tranen der acacia's door het katholieke censuurbureau Idil gaan we naar het proces over de voor katholieken kwetsende passages in Ik heb altijd gelijk; dan is het tijd voor de processen tegen zijn uitgever Van Oorschot, de herrie rond het weigeren van de P.C. Hooftprijs in 1972, de jarenlange polemiek over Weinreb met Renate Rubinstein en Aad Nuis - en vele ruzies verder zijn we bij het verbod van zijn fototentoonstelling, wegens gastcolleges in Zuid-Afrika, in het Stedelijk Museum in 1986.

Hoe Hermans zelf deze tragische reeks van misverstanden onderging, en wat zijn op den duur volstrekt geïsoleerde positie betekende voor zijn werk - daarover geen woord. Het oeuvre zelf bungelt er een beetje bij; het is in de samenvattingen ondergebracht. Hermans was nu eenmaal een figuur die overal deining veroorzaakte, dat lijkt zijn evidente historisch-journalistieke belang.

De 'kwesties' worden aaneengebabbeld door een biograaf die als ik-figuur in zijn verhaal rondloopt, een steeds verbitterder, want afgewezen vriend. Ook zijn zoon Erik deelt in de verbittering, want diens schilderij van Hermans, door de schrijver ooit 'een meesterwerk' bevonden, mocht niet meer in Emmy's huiskamer staan. De biografie daalt hier tot het niveau van onmin tussen twee gezinnen.

Van Stratens stijl is die van een gemoedelijke oom op z'n praatstoel: 'Goed, Van Vriesland en Hermans wandelden in het holst van de nacht naar Apie Prins.' Als de lezer trouwens 'een paar tientjes te missen heeft', moet hij onverwijld het miskende levensverhaal van deze Apie aanschaffen. . ., maar dit terzijde, zoals zoveel onnodige terzijdes deze biografie ophouden. De held van het verhaal wordt meestal huiselijk aangeduid met 'Wim', ook wel 'onze gelijkhebber'. Maar niettemin 'een zoon uit duizenden', onze Wim, want hij bezocht wekelijks zijn gehate ouders.

A LS HET werkelijk aankomt op een typering van Hermans' karakter, neemt van Straten zijn toevlucht tot goedkope psychologisering. Voor wie het gemeen loerende teddybeertje ziet dat Wims enige kameraadje was, 'is het geen raadsel meer waar zijn sadistische fantasieën vandaan komen'. Ook voor zijn afkeer van prijzen is een ijzersterke verklaring te vinden in de jeugd: Wim, ocharme, kreeg nooit de medaille die hij won voor een voordrachtswedstrijd op het Barlaeus Gymnasium. Ook betrapt Van Straten Hermans op gefnuikte schrijversambities. Hij bewonderde het werk van Henry Miller, dus 'wekte hij de indruk dat hij zelf een schrijver zou willen zijn van zulke boeken'. Maar helaas: 'Dat is hem nooit gelukt.'

Graag las hij het tijdschrift Les Temps Modernes, dus: 'Je proeft zijn verlangen: redacteur zijn van zo'n tijdschrift!' Vermanend spreekt de biograaf zijn onderwerp postuum toe: 'Hij vergat dat het redacteurschap van Les Temps Modernes aanzienlijke verplichtingen met zich meebracht.' Nee, daar zou 'Wim' niet van terug hebben gehad.

Van Straten tekent wel interessante typeringen op van anderen, die weliswaar gekleurd zijn door wrok, maar die meer zeggen dan pagina's opgelepelde documentatie. Reve noemt hem ruiterlijk 'de grootste levende schrijver in Nederland', die jammer genoeg 'door zijn karakterbouw een gevecht tegen de windmolens begon', waardoor zijn 'gekanker en gescheld' in de loop der jaren aan belang inboetten.

Treffend is de typering van Adriaan Morriën, die bij de ouders van Hermans over de vloer kwam: 'Die moeder vond ik een huissloof en die vader een soort tiran, hij (Hermans) heeft trekjes van allebei.' En Paul Rodenko leerde hem kennen als 'een echte rotvent': 'Ik ben blij dat hij mijn apotheker niet is, want hij zou me zeker vergiftigen.' De meest bondige schets van Hermans' karakter is te vinden in de bijgevoegde geboortehoroscoop, die natuurlijk klopt als een bus. De exacte wetenschapper Hermans zou zich een ongeluk hebben gelachen.

Als het gaat om een literaire typering van het werk, om de thematiek, dan sluit Van Straten zich dociel aan bij uitspraken van kenners. 'Het thema van de roman De donkere kamer van Damocles, aldus nog steeds Frans A. Janssen, kan nu omschreven worden als dat van de onkenbaarheid.'

Zelf waagt Van Straten zich niet aan interpretatie en duiding. Liever pluist hij ijverig de romans uit op hun autobiografische gehalte. 'Heeft Hermans echt zo gevochten met het meisje uit de fotobiografie?' Dit vriendinnetje heeft immers 'model gestaan voor Carola, de halfzuster van Arthur Muttah in De tranen der acacia's', en Arthur vocht met Carola, en had ook nog 'hetzelfde baantje als Hermans in oorlogstijd'. Enzovoort. Dit ondanks Hermans' kribbige verzekering dat de roman 'voor 99 procent gefantaseerd' is.

Details zijn Van Stratens fort. De auteur glundert bijna door de pagina's heen als hij zijn onderwerp kan betrappen op een foutje. De door hem genoemde Fanny Hurst uit een roman van John Cleland heet Fanny Hill. In Herinneringen van een engelbewaarder gooit iemand een stuiver in de gleuf van een telefoon, 'maar die apparaten werkten alleen op dubbeltjes'. Waarvan akte.

Zelfs als aan het einde van de biografie de hamvraag aan de orde is 'of Hermans de grootste of belangrijkste schrijver van zijn tijd is geweest', waagt de biograaf zich niet aan een ferme uitspraak. Van Straten las een artikel van Wilbert Smulders in NRC Handelsblad bij de dood van de schrijver, 'waarin een definitie wordt gegeven van het soort schrijver dat Hermans was'. 'Als je dat leest', mijmert de biograaf (maar wát? Nu het nodig is, verzuimt hij te citeren), 'ga je wel denken: Hermans is inderdaad de belangrijkste schrijver geweest van zijn tijd.'

Dat ging hij wel denken, maar ja, succes in het buitenland had Hermans niet, zoals Wolkers met Turks fruit, en dat geeft natuurlijk ook weer te denken: 'Niet alleen de Dell-pocket van dit boek heeft een fantastische verkoop gehad, maar door de verfilming werd het succes nog veel groter.' Dus tja, baas boven baas. En met deze volstrekt uit de lucht gegrepen vergelijking eindigt de biografie van een schrijver. Groot of niet, maar in ieder geval een heerlijk onderwerp voor een dikke sigarendoos vol smeuïge feitjes en sappige roddels.

Als Van Straten wel de hand had weten te leggen op de zeven kisten Hermans-documenten, waren er nog wat ruzies en kwestietjes in de doos terechtgekomen; de biografie had er geen ander karakter door gekregen. De in de publieke figuur Hermans geïnteresseerde lezers, onder wie god weet de nieuwsgierige scholieren, kunnen met dit ijverig bijeengeveegde materiaal hun voordeel doen.

Voor wie belang stelt in de schrijver - gelukkig is er het verkrijgbare werk - zal ooit hopelijk een echte literaire biografie worden geschreven.

Meer over