Herfst

Ik ga niet vaak op bezoek bij vreemden. Ik hou daar niet zo van. Maar onlangs was ik dan bij iemand op bezoek....

Ik ging mee. Ik had toch niks anders te doen. Het was avond. Het was herfst. Wij kenden niet eens elkaars namen. Ik was niet in een vrolijke stemming. Vroeger vond ik de herfst helemaal niet erg. Ik hield wel van de storm en de regen en het vallen van de bladeren. Ik deed mijn regenlaarzen aan en sprong in een plas of in de modder. Ik deed mijn jas wijd open en leunde voorover tegen de storm. Ik plukte vallende blaadjes uit de lucht en legde ze te drogen in een boek. Maar nu is dat voorbij. Door de herfst ga ik denken aan de dood van alles en iedereen en mijzelf, aan de vergankelijkheid van alles. Hu.

Was ik maar nooit meegegaan met die vrouw! Ik was nog niet in haar huis of ik dacht: ik wil weg. Maar dat kan niet bij een vreemde. Je kunt niet met een vreemde mee naar huis gaan en een minuut later weer weggaan. Dat kan alleen bij hele goede vrienden en familie. Er stond een enorme grote zwarte bank van leer. Daar gingen we op zitten. De vreemdeling liep naar de koelkast en haalde er een fles witte wijn uit. Ze trok de kurk uit de fles en schonk de wijn in twee glazen die al klaar stonden, net alsof ze op mij gerekend had. Het waren geen wijnglazen, maar sherryglazen. Zij dronk het glas in een teug leeg en schonk zichzelf een nieuw glas in. Ook dat glas dronk ze in een teug leeg. Dat vond ik verdacht. Mensen die dat doen, daar is iets mee.

Wij praatten, ik dronk snel mijn glas leeg en ik zei: ik ga er vandoor, het is al laat. Toen begon die vrouw zich uit te kleden, zomaar voor mijn ogen.

Dat was helemaal niet de bedoeling! Weggaan bij een geklede vrouw is moeilijk, maar weggaan bij een naakte vrouw, dat is onmogelijk. Kleed je alsjeblieft weer aan, zei ik tegen haar. Wat jij van plan bent, daarvoor ben ik helemaal niet in de stemming. Maar ze ging door met zich uitkleden. Op het laatst had ze geen enkel kledingstuk meer aan. Ze had een mooi lichaam. Zo echt prachtig.

Het was herfst. De regen sloeg tegen de ramen, takken van bomen sloegen tegen de ramen. Dat maakte de stemming er niet vrolijker op. Daar zaten wij dan op de leren bank, een man in een pak en een vrouw. Toen zei ze: ik wil dood.

Heb je het ooit zo zout gegeten? Een vrouw kleedt zich uit voor een vreemde en zegt: ik wil dood. En daarbij begon zij zo hartverscheurend te snikken en te schokschouderen, dat ik vol van medelijden werd en een arm om haar heen sloeg. Ik dacht terwijl mijn arm om haar schouder was: Waar heb ik het toch aan verdiend dat zoiets uitgerekend mij moet overkomen? Is er soms iets met mij? Wat is dit voor een toestand?

En toen begon zij hartstochtelijk te zoenen. Ik dacht: deze vrouw, die moet eerst zeggen: ik wil dood (en dan vreselijk huilen), en pas daarna kan zij zoenen. Wat een vreemde vrouw. De herfst maakt de mensen gek. De regen en de takken van de bomen sloegen tegen de ramen.

Peter Bekkers

Meer over