AnalyseDe kunst van het herdenken

Herdenken in coronatijd: met het virus worden ook veel herinneringen weggevaagd

Dodenherdenking op de Dam in 2019. Beeld Raymond Rutting / de Volkskrant
Dodenherdenking op de Dam in 2019.Beeld Raymond Rutting / de Volkskrant

Herdenken is bijna een opdracht, maar het is ook een weg vol valkuilen. Wie eren we, bij wat staan we stil? Binnenkort leven we zonder ooggetuigen van de Tweede Wereldoorlog. Hoe sterk zijn de herinneringen? Het verleden kan worden uitgewist of vervagen.

Niemand weet hoe het voorjaar van 2020 zonder covid-19 was verlopen – zeker is dat er in de aanloop naar 4 mei zou zijn gediscussieerd over het nut van herdenken. Driekwart eeuw is verstreken sinds de bevrijding. Elk jaar zijn er minder Nederlanders die de Tweede Wereldoorlog hebben meegemaakt. Een wrang feit van het herdenkingsjaar 2020 is dat het coronavirus met veel ouderen óók vele persoonlijke herinneringen aan de periode 1940-1945 wegvaagt.

‘Wie zich het verleden niet herinnert, is gedoemd het opnieuw te beleven’, luidt de wereldberoemde zin van de Spaans-Amerikaanse filosoof George Santayana. Binnen tien, vijftien jaar leven we in een wereld zonder ooggetuigen van de Tweede Wereldoorlog en moet blijken wat overgeleverde herinneringen kunnen uitrichten, en hoe lang die op herdenkingen centraal blijven staan.

Onwelgevallig verleden

George Orwell en Aldous Huxley schreven allebei toekomstromans waarin ze het ergste vreesden voor de herdenking van het verleden. Orwell voorzag in 1984 een wereld waarin machthebbers onwelgevallig verleden zouden uitwissen. Zoiets gebeurde in Rusland, waar de doden van de strijd tegen nazi-Duitsland in de jaren 1941-1945 grootscheeps worden herdacht, maar de slachtoffers van de Grote Terreur van Stalin niet.

In de Volksrepubliek China herinneren veel veertigplusssers zich nog het neerslaan van de Tiananmenopstand, maar het herdenken van de dertigste verjaardag was daar vorig jaar streng verboden. De Chinese machthebbers hebben dat Tiananmenprotest uit de officiële geschiedenis gewist: voor jongeren die de geschiedenis niet clandestien krijgen overgedragen – veel ouderen durven er niet meer over te praten – is er in 1989 simpelweg niets gebeurd.

Uitdoven

Het verleden kan worden uitgewist, maar evengoed vervagen. Huxley vreesde in Brave New World niet een wereld waarin herdenkingen zouden worden verboden, maar een waarin de herinnering aan een specifiek verleden zou uitdoven te midden van vele andere claims op aandacht.

In haar boek Zestig jaar herrie om twee minuten stilte beschrijft historica Maud van de Reijt hoe we in Nederland op 4 mei steeds meer doden zijn gaan herdenken. Er gaan al jaren stemmen op de dodenherdenking helemaal ‘los te maken’ van de Tweede Wereldoorlog en bijvoorbeeld ook stil te staan bij slachtoffers van de slavenhandel. Het verleden kan niet meer veranderen, de manier waarop het wordt herdacht wel. En dat gebeurt overal en altijd.

Driekwart eeuw na 1945 zijn de meeste dodenherdenkingen in Europa nog steeds nationale gebeurtenissen. Hoe makkelijk nationale gebeurtenissen nationalistische gebeurtenissen worden, was de afgelopen jaren te zien in Polen. Het karakter van herdenkingen is veranderd sinds de Recht en Rechtvaardigheidspartij (PiS) regeert. In 2010 kon nog in een officiële context worden gezegd dat de Joodse bevolking van het stadje Jedwabne in 1941 niet door nazi’s maar door Poolse inwoners is omgebracht, tien jaar later is dat net zo taboe als in de communistische decennia voor 1989.

In Nederland werd het verleden van de eigen natie de laatste decennia in toenemende mate kritisch belicht, maar in het kielzog daarvan groeide het aantal Nederlanders dat zich ergert aan ‘te veel kwade woorden over de eigen natie’. Het jaar voor het coronavirus zag de opkomst van een politieke partij die ijvert voor méér trots op ons verleden en bescherming van onze natiestaat.

Verzoening

Als we herdenken om herhaling van het verleden te voorkomen, dan hoort streven naar verzoening daarbij, ‘dan moeten herdenkingen geen verkapte voortzetting zijn van het verleden dat we niet willen herhalen’, zei de Bosnische schrijfster Ferida Durakovic in 2005, aan de vooravond van de tienjarige herdenking van de genocide van Srebrenica.

De toenmalige Servische president was daar niet welkom. Een opvolger die de twintigste herdenking bijwoonde, werd bekogeld met flessen. In Nederland ontstond een paar jaar terug nog beroering toen de toenmalige Duitse ambassadeur suggereerde dat het wellicht tijd was dat ook hij op 4 mei tijdens de Nationale Dodenherdenking een krans op de Dam kwam leggen.

Vanwege de coronacrisis zal de 25ste herdenking van de val van Srebrenica in juli aanstaande kleinschalig zijn, maar een verzoening is even ver weg als in 2005. Je kunt betogen dat als Duitse aanwezigheid in Nederland 75 jaar na de bevrijding nog gevoelig ligt, het niet verwonderlijk is dat Servische aanwezigheid na 25 jaar nog ongewenst is op de Srebenica-herdenking, zeker zolang Servische nationalisten ontkennen dat er een genocide plaatsvond.

De Bosnische filosoof Ugo Vlaisavljevic zei: ‘Srebrenica is een gevaarlijk begrip als het wordt gebruikt door politici.’ Exact hetzelfde kun je zeggen over ander traumatisch verleden waar politici en activisten mee aan de haal gaan. In het ergste geval kunnen herdenkingen de opmaat worden van nieuwe oorlogen: de gewelddadige desintegratie van Joegoslavië begon in 1989 met de Servische herdenking van de Slag op Merelveld in Kosovo uit 1389.

Wie zich het verleden niet herinnert, is gedoemd het opnieuw te beleven, zei Santayana, maar als verleden wordt gereduceerd tot heroïsch slachtofferschap van één natie of vergaand wordt aangelengd met ander leed uit de geschiedenis, gebeurt het tegenovergestelde. Aan ‘exclusief’ herdenken kleven risico’s, aan ‘inclusief’ herdenken ook. In het eerste geval worden herdenkingen nationalistische bijeenkomsten, in het tweede geval ontstaan herdenkingen ‘à la carte’, waarin eindeloos veel groepen hun eigen stokpaardjes berijden.

Inclusiever

Van de Reijt beschrijft hoe de Nederlandse dodenherdenking door de jaren heen een inclusiever karakter kreeg. In de beginjaren werd alleen stilgestaan bij geëxecuteerde verzetsleden, vanaf de jaren zestig ook bij de vermoorde Joodse Nederlanders, weer later ook bij, onder meer, omgebrachte Sinti, Roma en homoseksuelen.

Al deze groepen waren slachtoffers van één en dezelfde oorlog. We zouden op 4 mei ook stil kunnen staan bij slachtoffers van slavernij, kolonialisme of de politionele acties. Probleem is dat een veralgemenisering doorgaans het begin is van de vergetelheid: ‘alles herdenken’ draait uit op ‘niets herdenken’.

Durakovic stelde dat het omgekeerde ook waar is: iets herdenken is alles herdenken, mits een herdenking vrij is van eisen, aanspraken en vorderingen. Zij ergerde zich aan vele groepen die het leed van Srebrenica voor zichzelf opeisten. Een typische overeenkomst tussen nationalisme en identiteitsdenken is dat één bepaalde groep heroïek en slachtofferschap – van een andere natie, van een ander geslacht, van een ander ras, van een ander geloof – voor zichzelf claimt.

In het verlengde daarvan worden leden van het volk, het geslacht of het ras dat het leed veroorzaakte collectief geëtiketteerd als vijanden. Zo wordt groepsgevoel versterkt en leed dat ontstond door uitsluiting gebruikt voor uitsluiting. Durakovic zei over Srebrenica: ‘Het is niet van de Bosniakken, de natie van de slachtoffers. Het is niet van de Serviërs, de natie van de daders. En het is ook niet van de Nederlanders, de natie van de soldaten die faalden het te voorkomen. Het is van iederéén. Het vertelt ons waartoe mensen in staat zijn als bepaalde dingen op ongunstige wijze samenkomen.’

Luister naar persoonlijke herinneringen, niet naar als herdenkingsredes vermomde politieke agenda’s, luidde haar advies. De Tweede Wereldoorlog is op precies dezelfde manier van iedereen. Als de mensen met herinneringen opraken, moeten we maar voorlezen wat ze ons nalieten.

Lees ook

Gerdi Verbeet: ‘De oorlog is een beeldhouwwerk met wisselende perspectieven’
In elke levensfase had de Duitse bezetting een andere betekenis voor Gerdi Verbeet, voorzitter van het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Maar wat altijd bleef: ‘Het gevoel dat je bij de Dodenherdenking onderdeel bent van iets groters.’

Meer over