Help ik heb een geweten

Na een periode van stiekeme losbandigheid slaan sommige jongemannen om. Ze worden 'serieus', pakken de Koran en gaan bidden. Dat zou Said el Haji niet overkomen, dacht hij als tiener.

SAID EL HAJI

Op een herfstige namiddag zie ik in de trein een oude bekende, een Turk van halverwege de twintig met wie ik aan de hogeschool in Rotterdam heb gestudeerd maar die ik al een jaar of wat niet meer heb gezien. Hij draagt een baard, een witte djellaba en in zijn handen heeft hij een Koran. Dat maak ik op uit de vergulde tekens op de kaft, die glinsteren in het licht. (Mijn Arabisch is verwaarloosbaar, maar sommige woordbeelden vergeet ik nooit.) Hij is met geloofsgenoten, naar wie hij aandachtig lijkt te luisteren. Hij ziet mij niet. Zijn haren glanzen niet meer zoals vroeger van de wax. Laat ik hem Kemal noemen.

Het verbaast mij dat uitgerekend hij zo kan omslaan. Ik weet van jongemannen die zich na een periode van stiekeme losbandigheid plots bekeren. 'Serieus worden', noemen ze dat. Bijna altijd zijn het verweesde figuren die met zichzelf in de knoop zijn geraakt, omdat ze te lang tegen het eigen geweten in hebben gehandeld. Maar bij Kemal viel dat naar mijn idee wel mee.

Kemal hield van uitgaan, ja hij had het vaak over feesten, clubmuziek en mooie meiden. In het geval dat hij over studie sprak, dan was het dat hij zijn huiswerk niet had gedaan vanwege een of ander feest waar hij was geweest en waar supergoede muziek werd gedraaid. Dat hij de opleiding vroegtijdig moest verlaten door een gebrek aan studiepunten, verbaasde niemand. Drank en drugs nam hij echter nooit, daar ging hij prat op. Losbandig kan zijn leven dus niet echt geweest zijn.

Deze Kemal is nu de vroomheid zelve geworden? Wat is er in hem gevaren?

Een jaar na het vertrek van Kemal zou ik ook stoppen met de studie. Niet door een gebrek aan studiepunten, maar doordat ik op een kritiek moment in mijn leven was aanbeland. Ik had het gevoel dat ik ergens voor wegliep, maar ik wist niet wat. Ik had twijfels over mijn studie, maar ik had geen idee wat ik dan wél wilde. Ik verlangde naar een uitdaging die mijn leven richting gaf, maar ik wist niet waar te zoeken. Onbevredigd zocht ik een uitvlucht in xtc en marihuana, heel veel marihuana. Zolang ik mijn studiepunten haal, is er niks aan de hand, hield ik mijzelf voor.

Ik had niet in de gaten dat mijn crisis verergerde.

Paddestoelen

Op een doordeweekse avond nam ik samen met een huisgenoot hallucinogene paddestoelen. De waarschuwing van deskundigen dat labiele geesten deze dingen beter niet kunnen gebruiken, sloeg ik in de wind. Immers, ik was geen labiele geest. Maar de paddo's confronteerden mij met een andere waarheid. Ze dwongen mij om mijn gebrekkige zelfkennis onder ogen te zien. Voor het eerst, in die trip, ervoer ik de alomtegenwoordigheid van angst in mijn leven.

Overal waar ik keek, zag ik hem, mijn vader.

Ik zag een man op krukken lopen en wist zeker dat hij mijn vader was. Ik zag een volmaakt gezonde vrouw op een fiets en keek snel weg uit vrees dat ze mijn vader was. Ook in bomen en lantaarnpalen meende ik mijn vader te zien. Hij was overal. Mijn huisgenoot had nergens last van. Die liep gefascineerd rond, dartelde van hier naar daar en verwonderde zich over de stompzinnigste dingen als een deurknop of een vingernagel. Ik voelde me eenzaam, raakte in paniek, dacht dat ik gek werd. Ik wist dat mijn perceptie verstoord was door de paddestoelen, maar ik wist ook dat ik niet alleen maar hallucineerde. Wekenlang durfde ik mensen niet aan te kijken.

Egoïstische dwaas

De angst werd nog versterkt door iets dat ik eerder had meegemaakt. Er was nog een andere angst in mijn leven geslopen. Die kwam ook niet uit het niets. Ik had als beginnende puber gezien hoe mijn oudste broer, die ik bewonderde om het feit dat hij altijd stoer gekleed ging en geliefd was bij de vrouwen, zich van de ene op de andere dag heel anders ging gedragen.

Mijn broer transformeerde in een ongrijpbare, egoïstische dwaas met wie absoluut niet te redeneren viel. In een enkele minuut kon hij van manisch en impulsief naar wanhopig en depressief schakelen, zonder te doen alsof. 's Nachts ging hij deuren langs om de mensen te vertellen dat hij een wolf was. Was de duivel in hem gevaren? Vader en moeder dachten van wel. Via koranische formules van de imam hoopten zij de 'duivel' te bezweren. Maar het haalde niets uit. Wat vader tot zo'n wanhoop dreef dat die hem op een dag met een riem probeerde te wurgen.

Met medicijnen en ook religie kreeg mijn broer zijn psychosen na jaren en met vallen en opstaan onder controle. Maar de schrik was groot. Ik had niet alleen gezien wat een psychose met een mens kan doen, maar ook hoe de medicijnen, die de chemische huishouding in de hersenen van de patiënt dempen en ongevoelig maken voor impulsen van buitenaf, mijn grote broer veranderden in een meelijwekkende zombie.

Ik wist dat psychosen deels door erfelijke en deels door omgevingsfactoren worden aangewakkerd. Ik wist ook dat mijn broer, zoals zoveel moslimjongeren, een dubbelleven had geleid. Al achtte ik de kans klein dat zo'n aandoening tweemaal in hetzelfde gezin voorkomt, gerust was ik er niet op. Wat als ik er ook aan ten prooi viel?

In mijn angst dacht ik vaak aan de mensen die mij hadden gewaarschuwd dat ook ik, eenmaal ouder en wijzer, naar het pad van islamitische deugdzaamheid zou terugkeren. Dat wie als moslim geboren is als moslim zal sterven. Ik dacht aan de verwaandheid die ik mij als tiener had aangemeten door te beweren dat mij zoiets niet zou overkomen. In de veronderstelling dat mijn crisis het gevolg was van een gebrekkige discipline, besloot ik radicaal te stoppen met hoe ik leefde. Ik was 21 jaar en vond dat het tijd werd om 'serieus' in het leven te staan. Juist op dat moment begon de ramadan.

Ik stortte mij met ongekende ijver in het gebed en het vasten. 's Nachts stond ik op om te bidden en wat te eten, overdag vermeed ik elke verleiding. Ik liet ook een ¿ vlassig ¿ baardje staan.

Maar het hielp niet. Aan discipline geen gebrek, maar de godsdienstige overtuiging ontbrak. Tijdens het gebed hoorde ik de vragen galmen: Waarom bid ik? En tot wie of wat? Al na de eerste week begon ik ouderwets te verzaken. Het vasten staakte ik een paar dagen later.

Ik voelde dat ik afstand moest nemen van mijn leven in Nederland. Dus gaf ik de studie op en plande met twee ongelovige vrienden een wereldreis.

Ik had het moeilijk met mijn reisgenoten. Ik vond het zwaar om dag in dag uit met ze op te trekken. In stilte ergerde ik me aan het gemak waarmee zij openlijk zichzelf konden zijn. In het reisdagboek schreef ik: 'Het is mijn onvermogen om over zaken te praten.' Kleine ergernissen over het hier en nu groeiden niet zelden uit tot een dramatische ontboezeming over mijn vader. Waarop ik dan weer mijn kwetsbaarheid, die mij steeds weer overviel, verachtte.

Alleen verder

Zeshonderd kilometer ten noorden van Sydney, in het plaatsje Coffs Harbour, besloot ik alleen verder te reizen. Eindeloze vluchtige contacten met anderen volgden, die mij verrasten. Intussen las ik in het werk van Hermann Hesse, die ergens schrijft dat de mens van niets ter wereld een grotere afkeer heeft dan van het bewandelen van de weg die hem tot zichzelf leidt.

In Nieuw-Zeeland ging ik werken voor een Nederlander, die een groot stuk land had vol bomen die gesnoeid moesten worden. Tijdens het werk hadden we de grootste lol over mijn gesnoei, want ik was streng en liet veel te weinig takken over, 's avonds voerden we lange gesprekken over opvoeding, wetenschap, religie en literatuur. Hij was de vader die ik toen nodig had en ik was de zoon die hij nooit gekregen heeft.

Terug in Nederland schreef ik mij in voor Nederlandse taal- en letterkunde in Leiden. De angst om psychotisch te worden, daar vertrouwde ik op, zou verdwijnen door erover te lezen en te praten. Wat de andere angst betreft, zat er niets anders op dan de confrontatie aan te gaan met degene die hem gezaaid had.

Heeft de vrijheid Kemal voor een ondraaglijk gewetensconflict gesteld? Was zijn vrijheid hem te groot, had hij te lang tegen zijn eigen geweten gehandeld? Was hij, zoals andere jongemannen, bang zichzelf te verliezen en zocht hij zijn heil in absolute gebondenheid? Het gevoel verloren te zijn geweest en als door een onzichtbare hand gered, moet een intens gevoel van dankbaarheid geven. Of voelt hij slechts de sociale behoefte opgenomen te worden in een groep met wie hij zich identificeert? Niet dat het een helemaal van het ander te scheiden is. Toen ik probeerde 'serieus' te zijn, bleek dat ik geen geloofstekort had maar een geloofsconflict, het gevolg van een geweten dat duidelijkheid wenst. Mijn gevecht was tegen mijn door trots en schaamte ingesleten onvermogen om mensen die me nabij staan deelgenoot te maken van wat er in mij omging.

Na wat navraag kom ik het volgende over Kemal te weten. Tijdens een avondje stappen, zijn beste vriend naast zich in de bijrijderstoel, muziek die uit de versterkte luidsprekers knalt, o lang leve de vrijheid, de lol en de heerlijke onschuld van het hier en nu, botst hij frontaal met een andere auto die als uit het niets is opgedoken. Vriend sterft ter plekke. Kemal overleeft, fysiek ongeschonden.

Said el Haji werkt aan een essaybundel over openheid, patriarchale cultuur en familie die dit najaar zal verschijnen.

undefined

Meer over