Helemaal op eigen kracht

Aan de vooravond van het NK en de Tour is Niki Terpstra (24) waar hij zijn wilde. De selfmade man week af van de geijkte paden, maar geloof in eigen kunnen hield hem ook in moeilijke tijden op de been....

Als hij hoort dat Thomas Dekker vanwege vormgebrek niet in de Tourselectie van Rabobank is opgenomen, valt Niki Terpstra (24) een tijd stil. Bedachtzaam zegt hij: ‘Zo slecht vond ik hem ook weer niet in de Ronde van Zwitserland. Alsof ik daar zo super heb gereden.’

Hij vindt het ‘niet netjes’ dat de Raboploeg heeft besloten zijn generatiegenoot thuis te laten. Pas veel later komt Terpstra tot de vaststelling dat Dekker misschien wel het slachtoffer is geworden van zijn ambities. ‘Hij legt de lat vaak te hoog, dat is gewoon zo. Het is dan lastig je doelen waar te maken.’ De renner hoeft zijn woorden niet te wegen. ‘Close zijn we niet met elkaar. We hebben ook nooit hetzelfde programma gereden.’

Hoewel ze jaren deel uit maakten van een groepje Noord-Hollandse renners dat er bij trainingen gezamenlijk op uit trok, lijken hun carrières in weinig opzichten op elkaar. ‘Thomas stond altijd daar, ik hier’, zegt Terpstra, de ene arm hoog, de andere laag. ‘Hij had in no time overwinningen in grote koersen te pakken. Ik ga geleidelijk omhoog.’ Als ze de 40 zijn gepasseerd, moeten ze maar kijken wie de beste was, stelt hij voor. Dan zal ook duidelijk zijn wie de juiste keuzes heeft gemaakt om de top te bereiken.

In elk geval zit Dekker volgende week zaterdag thuis als Terpstra zijn handtekening zet in Brest, de startplaats van de 95ste Ronde van Frankrijk. In de Dortmundse Club Olympia werd hij door de ploegleiding van Milram zelfs met naam genoemd toen de doelstellingen voor de Tour werden genoemd. In de vlakke etappes zal Terpstra zich moeten wegcijferen voor sprinter Erik Zabel in diens 14de optreden in Frankrijk, daarbuiten mag hij doen en laten wat hij wil.

Het is iets waar hij zich om kan verkneukelen. Hij weet ook wel dat het drie weken afzien wordt en dat een renner niet op de Tour kan worden voorbereid. Hij hoopt, met het oog op de Olympische Spelen, niet dat hij versleten is, als hij Parijs al haalt. ‘Maar ik geniet van de lol die ik nu heb. Ik kan de grootste koersen rijden die ik wil.’ Vorig jaar maakte hij in de Vuelta zijn debuut in een grote ronde. Hij voldeed als knecht voor de Italiaan Alessandro Petacchi, die inmiddels is ontslagen vanwege een positieve dopingtest.

Het is geen toeval dat de voorspelling is uitgekomen die hij twee jaar eerder deed, zegt hij. ‘Mensen zagen het als grootspraak dat ik zei in de Tour van 2008 te debuteren. Maar ik roep nooit dingen die ik niet kan waarmaken.’ Hij grijnst om de suggestie dat een valpartij of griepaanval zijn voorspelling had kunnen ruïneren en hij vervolgens als een opschepper was weggezet. ‘Dat is zo. Maar een beetje bravoure is niet erg.

‘Ik wil geen naamloze renner zijn. Ik doe het voor mezelf en ook voor de publiciteit. Waarom zou ik wachten? Ik voel me nu goed, daarvan wil ik profiteren. In landen uit Oost-Europa zie je renners die op hun 23ste top zijn, maar dan ineens niks meer presteren. Ik ga ervan uit dat mij dat niet gebeurt, maar je kunt nooit weten.’

Daarom kon hij in eerste instantie ook niet blij zijn met zijn veertiende plaats in de Ronde van Vlaanderen, dit voorjaar. Want als de neutrale wagens hem wel hadden zien staan met zijn lekke band, had hij niet harder hoeven trappen om terug naar de kop te rijden en was hij misschien hoger geëindigd in zijn eerste Ronde.

Nu hij kort voor het NK (morgen) is waar hij zijn wilde, heeft hij geen tijd meer te verspillen. Geregeld moet de ploegleiding soms ingrijpen in de plannen van de renner. ‘Dan heeft hij net een koers goed gereden en zegt hij: ik wil dit of dat ook rijden. Rustig, zeggen we dan’, aldus Gerry van Gerwen, de manager van de Duitse Milram-ploeg. ‘Hij heeft een gigantisch zelfvertrouwen, dat soms uitmondt in overmoed. Maar door de sprongetjes die hij maakt, laat hij de andere renners wel zien dat je bij ons kansen krijgt.’

Omdat hij standhield in de Vuelta en zijn vrije rol in de voorjaarsklassiekers waarmaakte, was selectie voor de Tour een logisch gevolg, zegt Van Gerwen. ‘Daarom durven we hem in de Tour ook een taak te geven. Het vleit hem, maar hij heeft zo’n doel ook nodig.’

Iedere atleet heeft doelen nodig om zichzelf te blijven opladen voor zijn sport. Terpstra lijkt ze bewust zo scherp te stellen dat de kans op succes, maar ook op mislukking, het grootst is.

Hij lacht. ‘De winter duurde lang. Dus wilde ik een heel goed voorjaar rijden, ook omdat dat nodig zou zijn om voor de Tour te worden geselecteerd. Eerst dacht ik: ik moet me in het voorjaar juist niet laten zien, dat vergroot mijn kansen misschien. Maar toen ging ik erop letten en bleken de grote renners zich in Parijs-Nice ook niet te verstoppen. Die reden gewoon voor het klassement.’

Nu al is hij ervan overtuigd dat de Tour niet zijn favoriete koers wordt. ‘Ik zal altijd meer een renner blijven voor het voorjaar, al wil ik grote rondes rijden om mezelf te blijven ontwikkelen. Als buitenlander moet ik me heel erg profileren in deze ploeg. Ik weet dat er een hoop Duitse ploegmaats jaloers op me zijn.

‘Dat ik naar de Tour ga, betekent dat ik beter ben dan zij. Bij Rabobank nemen ze ook een Nederlander mee als die gelijkwaardig is aan een buitenlander. Het is geweldig. Je hebt nog niks gedaan in de Tour, maar ze doen wel alsof je ertoe in staat bent.’

Bij de eerste ontmoeting werd hij vreemd aangekeken door zijn ploegmaats. Duits en Italiaans sprak hij niet en zijn zonderlinge eetgewoonten – hij schepte borden vol, maar niet met datgene wat de anderen aten – kwamen de kennismaking evenmin ten goede. Inmiddels is de band hechter geworden en zegt hij zich meer thuis te voelen als hij op trainingskamp is.

‘Maar leuk is het niet. Ik ben erheen gegaan voor het fietsen, meer niet. De begintijd is niet gemakkelijk geweest. Maar omdat ik in mezelf ben blijven geloven, heb ik het volgehouden.’ Terpstra is gaan beseffen dat hij prof is geworden. Hij rekende er niet op dat het kon gebeuren toen hij zijn hobby uitoefende. Fietsen deed hij omdat hij het leuk vond. Hij wist dat heel weinig jonge renners prof worden. Pas veel later kwam hij erachter dat die kans zich voor hem juist aandiende. ‘Toen dacht ik: nu ga ik er ook voor.’

Jelle Nijdam en Michel Cornelisse, twee van zijn voormalige ploegleiders, wezen Terpstra erop dat hij zijn sport serieuzer moest nemen. Pas bij Milram, dat hem vastlegde na een ritzege in de Ronde van België in 2006, ontdekte hij wat de oud-profs bedoelden.

Als hij zichzelf nu vergelijkt met de Niki Terpstra van jaren geleden, concludeert hij dat hij saai is geworden. ‘Ik was baldadig, wilde vooral dingen doen die niet mochten en andersom. Nu let ik op mijn eten, ga ik op tijd naar bed, ook al heb ik af en toe ontspanning nodig. Maar dat heb ik thuis genoeg.’ Dan laat hij de hond uit met zijn vriendin of luistert hij muziek.

Terpstra raakte kilo’s kwijt, verbeterde zijn conditie en is er harder door gaan fietsen. De weg der geleidelijkheid heeft hem vooruit geholpen, stelt hij in retrospectief. ‘Het gaat nog steeds elke keer een stuk beter, dus geloof je dat je meer aankunt en ga je beter fietsen. Op een gegeven moment heb je dan een hele stapel van die stukkies.’ Dan ben je een grote renner, bedoelt hij te zeggen.

Misschien metselt hij de volgende rij stenen bij Rabobank, de ploeg die hem al eens benaderde voor een overstap, maar het voordien nooit in hem zag zitten. Hij is er niet gepikeerd door. ‘Ze vinden me niet goed genoeg. Vonden, misschien. Misschien vonden ze ook dat ik een te grote mond heb. Maar uiteindelijk heeft die mond wel voordelig voor me gewerkt.’

Door de manier waarop hij zich heeft ontwikkeld, maakte Terpstra een einde aan de illusie dat renners de grootste Nederlandse ploeg nodig hebben om de top te halen. Bij Ubbink-Syntec leerde de selfmade man met de rol van kopman om te gaan. Juist omdat hij niet bij Rabobank onder contract stond, viel zijn ritzege in de Ronde van Normandië op. ‘Dan zeggen ze: hé, een Nederlander van een andere ploeg wint. Dat is interessant.’

Misschien is Terpstra wel de duidelijkste vertegenwoordiger van de nieuwe generatie renners, die niet is belast met de romantiek van het verleden en kansen ziet nu het peloton grotendeels lijkt schoongeveegd. Hij respecteert de oudere coureurs, maar heeft geen ontzag voor ze.

Voor Terpstra, ‘absoluut ijdel’, is fietsen zo hard mogelijk trappen en er een beetje mooi bijzitten. Aan voorbeelden doet hij niet, maar hij herkent zich misschien nog het meest in de Duitser Jens Voigt. ‘Altijd aanvallen, dat probeer ik ook. Een beetje van Voigt, een beetje van Museeuw, dat lijkt me wel een mooie combinatie.’

Meer over