Heerser in grijze wijsheid

Bij El Greco gaat de aarde bijna altijd over in de hemel, het menselijke in het goddelijke. In de spanning tussen hier en hiernamaals lijkt hij verder te leven....

In Italiwaar hij in 1567 uit Kreta, zijn geboorteiland aankwam, heeft hij de bijnaam gekregen waaronder hij onsterfelijk is geworden: El Greco, de Griek. Wat hem onsterfelijk maakte, zal hij - voor een groot deel - signeren met zijn offici naam Domenikos Theotokopoulos. Hij schreef die in Griekse letters, erachter, eveneens in het Grieks, schreef hij het woord 'epoiei', 'maakte dit'. Hij was de allergrootste vreemdeling in de westerse kunst van de zestiende, begin zeventiende eeuw. Hij begon op Kreta als schilder van ikonen, die kunst van de statische, want liturgische afbeelding van het heilige. Twee ervan zijn bewaard gebleven. Een ervan stelt de heilige Lucas voor, schilderend de Moeder Gods en het kind. De ikoon is zwaar beschadigd, maar leesbaar is de tekst op de banderol die een engel voor Lucas aandraagt: 'hij schiep de goddelijke afbeelding'. En dat is precies wat de ikonenschilder, dus ook El Greco hier, doet. Hij signeerde de ikoon met 'De hand van Domenicos Theotokopoulos'. De schilder is, in de hoge opvattingen van de Byzantijnse traditie, alleen het werktuig. Hij maakt de afbeelding waarin het goddelijke kan doorstralen.

El Greco's eerste verblijfplaats in Italis Venetiniet verwonderlijk want Kreta stond onder de heerschappij van VenetiIn het werk van Titiaan en Bassano was de Venetiaanse school op haar hoogtepunt. De vrijheid en losheid, bij Titiaan in het ouderdomswerk, bij Bassano bijna altijd aanwezig, moeten El Greco bei¿nvloed hebben. Hij werd 'volgeling van Titiaan' genoemd, wat een aanprijzing was.

In 1570 vertrekt hij naar Rome. Zijn heenreis is een kunstreis: hij doet Padua aan, Verona, Florence, Siena. Later zal hij in zijn exemplaar van Vasari's De levens der kunstenaars aantekeningen maken over de kunstwerken die hij heeft gezien (in waardering spreekt hij Vasari soms fel tegen, de hartstocht verdraagt het evenwicht niet). Hij zal zes jaar in Rome blijven; alles wijst erop dat hij er zich blijvend wilde vestigen, maar de bescherming die hij aanvankelijk genoot - van kardinaal Farnese - moet niet blijvend zijn geweest. In 1576 reist hij door naar Spanje, hij verblijft een jaar in Madrid en krijgt er een opdracht van Filips II. Naam moet hij dus al hebben gehad. Hij schildert het grote doek De aanbidding van de naam van Jezus, mede naar aanleiding van de christelijke overwinning op de Turken in de slag bij Lepanto. Het werk was bedoeld voor dat monsterlijk grote monasterium-paleis, het Escorial. Daar hangt het nu nog.

El Greco is nog niet in Spanje of hij heeft er niet alleen de dynamiek van de beweging, maar vooral zijn verticalisme ontdekt: de aarde gaat bijna altijd over in de hemel, het menselijke in het goddelijke. In de spanning tussen die twee uitersten van hier en hiernamaals lijkt hij verder te leven. Hij moet in Spanje thuis zijn gekomen en in Toledo, waar hij zich in 1577 vestigt, als in zijn thuisstad. De keuze was allerminst een toevallige: de stad was de kerkelijke hoofdstad van Spanje. Hij zal er in 1614 sterven. Hij heeft in Spanje in elk geval de volkomen vrijheid en losheid gevonden die zijn werk uniek maken. De binding met de renaissancekunst in Italierd losser, het religieuze element in zijn werk sterker en hartstochtelijker, tot in zijn portretten toe kreeg het werk tegelijk een strengheid die in de Italiaanse kunst nauwelijks aanwezig was.

De zestiende eeuw zal in Spanje later 'de gouden' heten. Politiek was het land oppermachtig, er leefden een aantal van de grootste schrijvers van de Spaanse literatuur. Religieus kende het een bewogenheid, felheid en strengheid die uniek mogen heten. En een zeldzaam hoge bloei van de mystiek, in grote figuren als Theresia van Avila en Johannes van het Kruis (beiden ook de top in de literatuur). Voor kennis van die wereld is nog altijd heel goed het in 1936 verschenen De achtergrond der Spaanse mystiek van Johan Brouwer. De zestiende eeuw is ook die van de reformatie en de reactie daarop, de contra-reformatie. De laatste riep ook in Spanje grote krachten op in een herleving zonder weerga. Die vroeg om nieuwe vormen. (In Italial de barok alles in beweging zetten en de tegenstelling aarde en hemelse glorie opvoeren, in een haast triomfantelijke kunst). Een ongekend religieus elan werd het klimaat waarin El Greco in Spanje kwam te werken.

Zijn werk moge revolutionair heten, modern (voor sommige werken valt, wat gemakkelijk, zelfs de term 'expressionistisch'), het werd erkend, de geest herkend, zoals de vele opdrachten uitwijzen. En 'de geest herkend' staat hier niet toevallig. Om de vergeestelijking - daarom gaat het in het religieuze. In tegenstelling tot die van de barok, is El Greco's kunst allerminst een lichamelijke en zinnelijke. Het lichaam vergeestelijkt voor onze ogen, steeds meer naarmate het verder van de aarde komt. De lengte en smalheid van zijn personages hebben alles met die vergeestelijking te doen. Het verticalisme is ook in de gestalte van de heiligen zichtbaar!

Het verticale manifesteert zich in de compositie van de schilderijen. Heel veel werken van hem 'leest' men van onder naar boven. Een schitterend voorbeeld is een der vroegste werken in Spanje gemaakt: De ontkleding van Christus; het geeft het ogenblik aan dat Christus van zijn opperkleed wordt ontdaan, vlak voor de kruisiging. Daar staat hij in een rood kleed, de kleur van het bloed. Het licht dat erop valt - het goddelijk licht - 'verhevigt', als vaak bij El Greco, de plooival. Christus rijst op, zoals het hele beeld oprijst. Aan zijn voeten wordt het kruis klaar gemaakt. Het schilderij is zeer 'toegespitst', lansen steken boven alles uit. Het was bestemd voor de ruimte in de kathedraal van Toledo waar de priesters zich aankleden voor het misoffer. Zij maken zich gereed, zoals Christus zich gereed maakt voor het kruisoffer!

Het licht komt van alle kanten, maar het duister kan ook heersen. De tegenstelling tussen de twee - en die is ook en misschien vooral een religieuze - is in veel werken aanwezig. In 1580 schildert hij een kruisiging. Een bijna vorstelijkeChristus hangt tegen de achtergrond van een angstaanjanende zwarte lucht. (Het werd duister omstreeks het zesde uur). Dat is het donker van de godverlatenheid, dat de schilder uit het werk van de mystieken kan hebben gekend.

Een gelijke lucht hangt boven zijn Gezicht op Toledo, het enige landschapsschilderij van El Greco. Waarom schilderde hij die stad in dat opkomende of wijkende donker? Delen van de stad zijn ook aanwezig aan de voet van twee grote religieuze doeken: het grandioze, overweldigende en visionaire De onbevlekte ontvangenis van Maria (verbeeld als een ten hemelopneming) en op het schilderij Sint Maarten en de bedelaar. Toledo is vlak bij het heilige; het krijgt, dunkt mij, zeker in het Gezicht op Toledo de gestalte van Jeruzalem, de stad met de dubbelgedaante: aards en hemels.

In het najaar was er in het Metropolitan Museum of Art in New York een omvangrijke tentoonstelling van El Greco's werk.

Een groot deel ervan is nu te zien in de National Gallery in Londen. Men heeft voor de expositie de zes zalen van de ondergrondse afdeling van de nieuwe vleugel gekozen. Die voldoet niet; de zalen zijn te laag, ze zijn ook op een enkele na te klein. De schilderijen krijgen niet de ruimte. Voor de Titiaantentoonstelling van een jaar geleden gold hetzelfde.

Maar de bezoeker krijgt onmiddellijk bij binnenkomst, in de voorhal, een schitterend visioen: in een doorkijk ziet hij in de verte de Onbevlekte ontvangenis van Maria. Voor dat je er bent, moet zij het museum al hemelwaarts verlaten hebben! Maar zij is er nog, in zaal vier, te groot en indrukwekkend voor de afstand die je kunt nemen. In die vierde zaal hangen de topstukken. Een ervan is De verrijzenis. In verticaliteit en vaart, in ontaardsing, zou ik willen zeggen, wordt De onbevlekte ontvangenis genaard door die verrijzenis, die tegelijkertijd een hemelvaart is! En door het werk dat hij voor zijn eigen grafplaats schilderde: De aanbidding van de herders.

Maar het absolute meesterwerk van de zaal is natuurlijk het grote De opening van het vijfde zegel. Het bleef onvoltooid. Hier is de afbeelding rechtstreeks in het visioen overgegaan. Links staat de ziener Johannes uit het boek van de openbaring. Hij is in extase, in een haast hogere hysterie, in lichte ontzetting ook, misschien. Hij ziet de om wraak smekende martelaren,in slanke onbevlekte lichamen; zij worden gekleed en hun wordt om geduld gevraagd. Het schilderij was van 1905 tot 1945 in het bezit van de Spaanse schilder Ignacio Zuolaga. Bij hem zag Picasso het. Het inspireerde hem tot zijn Demoiselles d'Avignon (de religieuze interpretatie van het schilderij was toen nog niet gegeven). Picasso en Zuolaga moeten het werk als dat van een tijdgenoot hebben beschouwd! Over drie eeuwen kregen ze eigen beelden door en nog uit Spanje ook. (Het schilderij staat centraal in Vestdijks historische roman Het vijfde zegel, nog altijd een bijzondere roman over El Greco en diens wereld van godsdienst en inquisitie).

Het meest aandoenlijke meesterwerk van zaal vier is De visitatie, de zwangere Maria bezoekt haar zwangere nicht Elizabeth. Beiden zijn bijna geheel verborgen in hun gelijke gewaden. Ieder legt een arm op de schouder van de ander. Overdaad aan licht valt op hun mantels. De zwijgende lyriek van het goddelijke wordt hier zichtbaar, geschilderd in een uiterste van schijnbare eenvoud.

Van de heiligenportretten is de top dat van de heilige Hinymus. Hij is gekleed in het kardinaalsrood, de slankheid van zijn schitterende, ingevallen kop wordt versterkt door een lange smalle witte baard. Hij kijkt streng en houdt de handen streng op een geopend boek, zonder twijfel zijn Latijnse vertaling van de bijbel, de offici van de katholieke Kerk. Die hoort men te lezen! Ik heb geprobeerd hem lang in de ogen te kijken. Ik moest de mijne snel neerslaan. Hij heerst in grijze wijsheid over eeuwen heen.

El Greco werd in Rome vrij snel bekend als portrettist. Hij is zeker een van de grootste portretschilders van zijn tijd geweest. Een vrij groot aantal is op de Londense expositie aanwezig. Hoogtepunt ervan is het portret van Fray Hortensio Fx Paravicino, een monnik, die een groot theoloog en ook een groot dichter was en zo te zien alle allure van de wereld bezat. Het wordt genaard door dat van een kardinaalinquisiteur, zo'n vlijmscherpe paranoi¿cus in de naam van God. En dan is er natuurlijk het wondermooie bijna klassieke vrouwenportret.

Mijn bewondering wordt eentonig. Maar ik heb in geen tijden een zo indrukwekkende tentoonsteling van oudere kunst gezien, van een zo oorspronkelijke geest ook. Kijken was een artistieke en een zeldzaam heftige religieuze ervaring. Hij is zeer groot.

Meer over