ReportageFietstocht naar Rome

Heeft slow tourism de toekomst? Journalist Jeroen van Bergeijk fietst naar Rome en zoekt het uit

Wat heeft corona betekend voor onze manier van reizen? Heeft slow tourism de toekomst? Journalist Jeroen van Bergeijk fietst de komende weken naar Rome om dat uit te zoeken. Eerste bestemming: Maastricht.

Journalist Jeroen van Bergeijk begon zijn fietstocht deze week in Amsterdam. Na vier dagen bereikte hij Maastricht – een treinrit van 2,5 uur.Beeld Jiri Büller

Ik ben een paar uur onderweg als de lucht boven het centrum van Amersfoort pikzwart wordt. Een bliksemflits, een harde donderslag en het komt met bakken uit de hemel. Overvallen door dit plotselinge onweer schuil ik in een portiekje van een pand op de Zuidsingel. Na tien minuten gaat de deur open. Ik wil al aanstalten maken om te vertrekken als de bewoner, Gereon Bargeman, zegt: ‘Nee joh, blijf lekker zitten. Fietsers mogen van mij alles.’ Bargeman (49) werpt een blik op mijn bepakte fiets en vraagt: ‘Waarheen gaat de reis?’

‘Rome’, zeg ik trots en verwacht stiekem eenzelfde bewondering als me de afgelopen weken ten deel viel wanneer ik aan vrienden vertelde dat ik naar Italië ging fietsen.

Bargeman is geen moment onder de indruk. Zelf is hij al jaren een fanatieke langeafstandsfietser. Over zijn laatste tocht naar Zuid-Tirol in Noord-Italië heeft hij zesenhalve dag gedaan. Zesenhalve dag, over een afstand waarvoor ik drie tot vier weken heb uitgetrokken. Al snel doet hij zijn persoonlijke fietsfilosofie uit de doeken. ‘Fietsen is vrijheid’, zegt hij. ‘En vrijheid is voor mij doen en laten wat je wilt, en in rust en stilte kunnen genieten van de omgeving. Als je fietst, hoef je niks. Je hebt alleen wat schone kleren bij je. Misschien een tentje en een slaapzak. Verder heb je niks nodig. En vervolgens kun je gaan en staan waar je wilt.’

Wat mij betreft verwoordt Bargeman hier perfect de reden waarom ik vorige week op mijn 28 jaar oude Giant Touring Line Tourer ben gestapt om van Amsterdam naar Rome te fietsen, namelijk om na maanden van lockdown weer te kunnen genieten van mijn vrijheid. Maar ook om bewust op vakantie te gaan met minimale middelen. De antithese van de all-inclusivevliegvakantie, zeg maar.

Met het wegvallen van het vliegverkeer is er de laatste maanden veel gespeculeerd over het einde van het massatoerisme. Zo verklaarde Tony Wheeler, oprichter van Lonely Planet, en daarmee misschien wel de grootste aanjager van het hedendaagse massatoerisme, in de Financial Times: ‘Ik denk niet dat we zullen teruggaan naar hoe het was. Dat hele ‘waar in Europa zullen we dit weekend weer eens naartoe’ komt nooit meer terug.’

Ik vraag het me af.

Dat massatoerisme blijft bestaan, lijkt me onvermijdelijk. Al was het alleen maar vanwege de enorme economische belangen. Volgens de lobbyclub World Travel and Tourism Council (WTTC) is de reisindustrie met zo’n 10 procent van het wereldwijde bnp een van ’s werelds grootste economische sectoren. De reisindustrie voorziet 330 miljoen mensen van een baan. En praktisch van de ene op de ander dag stortte die industrie dit voorjaar in. Volgens diezelfde WTTC staan zeker 100 miljoen toerismebanen op het spel. Dat is een drama van onvoorstelbare proporties.

Maar toch. De problemen die kleven aan massatoerisme zijn reëel. Er is al jaren een breed gevoelde behoefte aan iets anders. Aan een duurzame, kleinschalige, langzame manier van vakantievieren, bijvoorbeeld. Wellicht – en ik realiseer me dat de wens hier de vader van de gedachte is – is dit het moment dat deze vorm van toerisme eindelijk vaste grond onder de voeten krijgt.

Naar de Eeuwige Stad

Om dat te onderzoeken – of eigenlijk: te ervaren – ben ik deze week op de fiets gestapt naar de Eeuwige Stad. Onderweg ben ik benieuwd hoe het is om nu door Europa te reizen. Heeft corona al dan niet permanente littekens in het toerismelandschap geslagen? Hoe kijken hoteliers, campinghouders en restauranteigenaren naar de toekomst? Maar ook: wie is er nu onderweg? En voelen die reizigers en vakantiegangers behoefte aan iets anders?

Ongetwijfeld zijn er andere, wellicht minder tijdrovende en comfortabeler manieren om op zoek te gaan naar een antwoord op deze vragen. Maar ik kies bewust voor een fietstocht, omdat het slow tourism bij uitstek is: je hebt alle tijd om op je te laten inwerken wat je onderweg tegenkomt.

En waarom Rome?

Omdat de wegen die naar Rome leiden me door onze favoriete vakantielanden voeren – België, Luxemburg, Duitsland, Frankrijk, Oostenrijk en Italië. Omdat ik op weg naar Rome bovendien door de gebieden kom die bepalend zijn geweest bij het ontstaan van de coronacrisis in Europa – Brabant, de Oostenrijkse skigebieden, Noord-Italië. En omdat Rome al sinds de Middeleeuwen (en tot op de dag van vandaag) een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefent op pelgrims, toeristen avant la lettre.

En passant heb ik dan ook nog iets aan mezelf te bewijzen. Begin maart raakte ik besmet met het coronavirus en werd ik ziek. Pas sinds een paar weken sta ik niet meer te hijgen boven aan de trap. Hoe ga ik het er op die 2.000 kilometer naar Rome vanaf brengen?

Madame Tussauds

Ik begin mijn reis, gekleed in koersbroek en rood wielershirtje, op de Dam in Amsterdam, en wel bij Madame Tussauds. Nooit eerder voelde ik de aandrang het wassenbeeldenmuseum te bezoeken. Sterker, met zijn ellenlange rijen verveeld kijkende toeristen staat Madame Tussauds voor mij symbool voor alles wat er mis is met massatoerisme: een generieke ervaring die, of je nou in Amsterdam of Praag bent, hetzelfde lege gevoel oplevert. Maar nu de rijen zijn verdwenen, ben ik toch wel nieuwsgierig of mijn vooroordeel klopt. Op een zaterdagmorgen blijk ik de enige gast. ‘Anders hadden we rond deze tijd van het jaar zo’n 1.500 bezoekers per dag’, vertelt een suppoost. ‘Nu zitten we nog niet eens op 200.’ Om er hoopvol aan toe te voegen: ‘Maar het trekt weer aan, hoor!’

Je kunt hier liedjes opnemen met Adele, een staredown doen met Rico Verhoeven. Ik bestudeer het kapsel van Donald Trump, maak een selfie met onze koning en koningin en verwonder me over hoe klein Lionel Messi en Epke Zonderland ‘in het echt’ zijn. Tot mijn eigen verbazing vermaak ik me kostelijk. Ontdaan van toeristen is zo’n toeristische attractie hartstikke leuk. Niks leeg gevoel, niks generieke ervaring, gewoon lekker entertainment.

Even later op de fiets mijmer ik over de conclusie die ik daaraan moet verbinden. Dat ik eigenlijk dezelfde dingen leuk vind als alle andere toeristen, of dat ik attracties alleen leuk vind als er geen andere toeristen zijn? Ik denk dat het allebei is. En dat is precies het dilemma van het hedendaagse toerisme: we willen allemaal hetzelfde, en op het moment dat we hetzelfde willen, wordt het een probleem.

De eerste nacht neem ik mijn intrek in Parkhotel Hugo de Vries in Lunteren. De kamers van het hotel zijn alweer redelijk bezet, maar het geld wordt verdiend met huwelijken, en mensen trouwen nog steeds niet. Mazzel voor mij, want ik mag mijn fiets stallen in het zaaltje waar tot voor kort de huwelijksfeesten plaatsvonden. De uitbater hoopt voor de toekomst maar op één ding: zo snel mogelijk terug naar hoe het was voor de coronacrisis uitbrak.

De volgende dag ben ik tegen een uur of twee al moe van het fietsen. Dan rijd ik langs vakantiepark De Groene Heuvels in de oksel van de A50 en A73. Eens kijken of er plek is. De parkeerplaats vol auto’s met Poolse nummerborden en busjes van uitzendbedrijf Otto doen het ergste vermoeden. De hele camping wordt bezet door arbeidsmigranten. Ik spreek een Bulgaar aan die in een DHL-depot werkt. Hij vertelt dat de migranten hier met zijn zessen in een vakantiehuisje wonen. Of hij zich in verband met corona geen zorgen maakt over zulke woonomstandigheden, wil ik weten. Hij haalt zijn schouders op. ‘Wat ik vervelender vind, is dat hier in de omgeving niks te doen is.’ Geen overnachting in De Groene Heuvels dus, maar wel koffie in het nabijgelegen Hill’s American Diner. Daar kun je op het terras – coronaproof – alleen met je telefoon bestellen. Je moet een QR-code scannen en dan je keuze maken. Na vijf minuten komt er een serveerster naar buiten die vraagt wat ik wil drinken.

‘Eh, ik heb al koffie besteld met mijn telefoon’, zeg ik.

‘O, dat komt bij Hannie terecht. Zal ik daar wel effe vragen.’

Vers in het geheugen

In Oost-Brabant rijd ik door plaatsen als Erp, Gemert en Boekel, gemeenten die de afgelopen maanden hard door het coronavirus zijn geraakt. Het voelt haast voyeuristisch om hier te zijn, een soort ramptoerisme. Maar aan de buitenkant krijg je weinig mee van het drama dat zich hier heeft afgespeeld. Dat gebeurt pas als je stopt en een praatje begint.

‘Op een gegeven moment zei ik in de familie-appgroep: ‘Er is hier geen koffie meer’’, vertelt Mieke van den Bergh (64), eigenaar van minicamping Aachterum in Erp. ‘Iedereen komt hier altijd maar aan, hè. Mijn vriend is 70 en ik vertrouwde het niet, een week voor de lockdown heb ik de boel hier dichtgegooid.’ Nu is ze weer een paar weken open en gaan de zaken goed. Voor het grootste deel van de zomer is ze volgeboekt. Van den Bergh is blij dat de gasten haar niet in de steek hebben gelaten, ze wil graag weer de blik op de toekomst richten, maar je merkt aan alles dat het daar nog te vroeg voor is. 

Vorige maand peilde Volkskrant-verslaggever Rob Gollin de stemming in Erp en concludeerde dat ‘de herinnering aan de eerste bange weken nog lang niet weg was’. En eigenlijk is dat een maand later nog steeds zo. Van den Bergh vertelt over mensen in haar omgeving die zijn overleden of ernstig ziek zijn geworden: de buurvrouw, een zwager. Haar nichtje is verpleegkundige in het plaatselijke verzorgingshuis. ‘Die is er nog lang niet klaar mee.’

Ouderen op e-bikes

Ik fiets verder, langs varkensstallen, door velden aardappels, maïs en uitgelopen asperges, naar het zuiden. Berg aan de Maas hangt vol met reclameborden met de tekst ‘1,5 meter van de afgrond – red de kermis’. Wat zouden ze daar in Erp van vinden? Het waait de hele dag hard en ik heb tegenwind. Halverwege de middag zit ik erdoorheen. Helemaal als ik word ingehaald door een oudere dame op een e-bike. Terwijl ik tegen de wind in stoemp, vertelt ze vrolijk dat ze onlangs een nieuwe Batavus heeft gekocht. ‘Daarvoor had ik een Gazelle. Met 25 duizend kilometer op de teller.’ Ze zit nog elke dag op de fiets, zegt ze. Hoe oud bent u eigenlijk, vraag ik hijgend. ‘Ik? 80!’, roept ze opgewekt terwijl ze haar hand opsteekt, even aanzet en mij voorbijzoeft. De vrouw is lang niet de enige oudere op een e-bike. Sterker, afgezien van fietsend woon-werkverkeer en racefietsers gehuld in de laatste fietskledingmode kom ik vooral bejaarden tegen.

Bij een kopje koffie raak ik aan de praat met drie in motorkledij gehulde zestigers, twee mannen en een vrouw. Ze komen uit Zeeland en doen ‘een rondje Nederland’. Heeft corona hun kijk op vakantie veranderd? De mannen kijken me wat schaapachtig aan, maar de vrouw heeft een mening. ‘Mensen denken dat ze van alles moeten. Het hele jaar hard werken en dan twee weken naar Ibiza om daar op het strand te liggen. Alleen maar omdat je collega’s of je buren dat ook doen. Mijn hoop voor de toekomst? Dat deze crisis heeft opgeleverd dat mensen daarmee stoppen. Denk voor jezelf!’

In Maastricht nemen de terrassen van het Vrijthof twee keer zo veel plek in als voorheen. Desalniettemin staan de tafeltjes dicht op elkaar en is het onmogelijk om anderhalve meter afstand van andere klanten te houden. Hier wordt corona vooral aangegrepen om meer omzet te kunnen draaien. De hotelier die mij een kamer verhuurt vindt het allemaal prima. Terug naar hoe het was, dat is wat hij wil. En daar is hij nog lang niet. ‘Deze dagen zijn altijd de beste van het jaar, want dan geeft André Rieu zijn concerten op het Vrijthof. Nu mag ik blij zijn als ik last minute nog een kamer kwijtraak aan mensen zoals jij.’

Met de trein is het vanuit Amsterdam tweeënhalf uur rijden naar Maastricht. Ik heb er vier dagen over gedaan en 318 kilometer afgelegd. Ik heb zadelpijn en ben doodmoe, terwijl de Ardennen nog moeten komen.

Dit project werd mede mogelijk gemaakt door financiële steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.

Meer over