Heb het ook over zwarte daders

We moeten de slavernijgeschiedenis ontdoen van het clichébeeld: witte daders en zwarte mensen als louter slachtoffers, schrijft

MARCEL VAN ENGELEN

. Juist ook in Nederland, dat twee eeuwen lang in het hart van de trans-Atlantische slavenhandel opereerde.

het kasteel van elmina

Gelegen aan wat ooit de Goudkust heette, is het kasteel van Elmina de oudste Europese stenen nederzetting in Afrika bezuiden de Sahara. De bouw ervan door de Portugezen, in 1482, was de eerste stap van de Europese kolonisatie van 'Zwart Afrika'. Christoffel Columbus was zeer waarschijnlijk getuige van de uitbouw van het kasteel. Tien jaar later zou hij 'Amerika ontdekken' en de twee bases van de trans-Atlantische slavenhandel met elkaar verbinden.

at de commerciële uitbater van het West-Indisch Huis in Amsterdam de geschiedenis liever verborgen houdt, is misschien nog te begrijpen. Het fraaie herenhuis in het centrum was ooit het hoofdkwartier van de West-Indische Compagnie, het bedrijf dat een eeuw lang zijn Nederlandse alleenrecht op het kopen en verschepen van Afrikaanse slaven overzee beschermde. Maar dat hij die historie kan wegmoffelen zonder dat de meeste bezoekers daar iets van merken, is veelzeggend. Het tekent de onbekendheid van deze geschiedenis.

Terwijl dit verleden zo zichtbaar is: er wonen veel zwarte mensen in Nederland. Welk andere deel van de Nederlandse geschiedenis loopt zo zichtbaar over straat? Welk deel van de vaderlandse historie is zo duidelijk aanwezig als je de tv aanzet en bijvoorbeeld naar het Nederlandse voetbal kijkt of naar een Amerikaanse speelfilm?

Toegegeven, de aandacht voor het Nederlandse slavernijverleden is de laatste jaren behoorlijk opgeleefd. Dat is een wonderlijk proces geweest. Een eeuw oude geschiedenis kwam opeens in de belangstelling te staan.

In 1990 zag de eerste uitgebreide studie naar de Nederlandse slavenhandel het licht (gemaakt door een Friese Amerikaan, geen toeval). En in 2002 verrees in Amsterdam een nationaal slavernijmonument, een kleine anderhalve eeuw nadat de slavernij in Suriname en op de Antillen werd afgeschaft.

Dat monument werkte als een katalysator. Er kwam een nationaal onderzoeksinstituut, tentoonstellingen werden georganiseerd, theatervoorstellingen gemaakt, er verschenen artikelen in de krant, het slavernijverleden werd opgenomen in de historische canon, het Historisch Nieuwsblad organiseerde 'een dag van de slavernij' en in 2011 was er zelfs een tv-serie van de publieke omroep. De Slavernij, gepresenteerd door Daphne Bunskoek en Roué Verveer, was na De Oorlog de tweede grote historische serie van de NTR.

Nakomelingen van slaven joegen de oplevende publieke belangstelling aan. Wat daarbij hun - bewuste of onbewuste - strategie was: de wrede en dramatische kanten van deze geschiedenis benadrukken. Aanzetten. Soms ook overdrijven. In elk geval niet: relativeren. Toen de drijvende kracht achter het monument, Barryl Biekman, een ronde maakte langs Tweede Kamerleden om steun te krijgen voor haar plan vroegen de geschrokken parlementariërs: had het niet wat minder gekund? Nee, want dan hadden ze waarschijnlijk niet geluisterd. Het was nodig om de aandacht te krijgen.

Maar de strategie kon ook groteske vormen aannemen. De Surinaamse econoom Armand Zunder kwam in 2008 naar buiten met de claim dat Nederland 379 miljard euro compensatie moest betalen aan vooral nakomelingen van Afrikaanse slaven in Suriname. Hij baseerde dat bedrag op berekeningen die nogal wankel waren opgebouwd.

Zou het kunnen dat sommige mensen juist door dit soort claims weinig van de slavernijgeschiedenis willen weten? Dat ze juist daardoor deze geschiedenis niet serieus nemen?

Het Nederlandse aandeel in de trans-Atlantische slavenhandel was aanzienlijk. Het door historici becijferde percentage van 5 procent is verraderlijk, omdat dat is gebaseerd op de vlaggen waaronder Europese slavenschepen van Afrika naar de Nieuwe Wereld voeren. In West-Afrika waren de Nederlanders invloedrijker dan de 5 procent suggereert. Vanuit hun handelsposten - met als centrum het kasteel van Elmina aan de kust van huidig Ghana - werden ook Afrikaanse slaven geleverd aan Portugese schepen, soms aan Engelse schepen of aan Amerikaanse.

Ongeveer twee eeuwen lang, van 1637, toen de West-Indische Compagnie het kasteel van Elmina veroverde op de Portugezen, tot het begin van de 19de eeuw, opereerde Nederland in het hart van de overzeese handel in Afrikanen. Er was een periode, vanaf 1689 tot halverwege de volgende eeuw, dat Portugezen een handelspas in Elmina moesten halen om verderop aan de Afrikaanse westkust slaven te mogen kopen - zo hadden de landen het onderling afgesproken.

Hoofdschuldigen

Als je de trans-Atlantische slavenhandel wilt opdelen in schuldige Europese naties, dan waren er twee hoofdschuldigen (Portugal en Groot-Brittannië) en drie meelopers: Spanje, Frankrijk en Nederland. Al kun je misschien zeggen dat een onderscheid naar Europese landsgrenzen misleidend is, omdat de trans-Atlantische slavenhandel van meet af aan een West-Europese business was waarin allerlei belangen en verantwoordelijkheden door elkaar liepen.

De Nederlandse geschiedenis van slavenhandel en slavernij ligt niet alleen in Suriname of op de Antillen, maar ook in bijvoorbeeld Brazilië. De compagnie verscheepte tussen 1636 en 1645 bijna 25.000 Afrikaanse slaven naar toenmalig Nederlands-Brazilië. En in de 18de en 19de eeuw voeren Portugees-Braziliaanse schepen rechtstreeks naar Elmina om daar, en verderop in West-Afrika, slaven te kopen. Weggevoerde Afrikaanse slaven en hun nakomelingen waren tot ver in de 19de eeuw de grootste bevolkingsgroep in de Nieuwe Wereld, bouwden die wereld op - dat is ook Nederlandse geschiedenis.

Hoe die geschiedenis tot op de dag van vandaag doorwerkt, is in Brazilië goed te zien. Het land is niet de vrolijke meltingpot waarvoor het vaak wordt gehouden. In Brazilië hanteren de publieke universiteiten nu raciale quota: ze zijn verplicht een vastgesteld aantal studieplekken te reserveren voor jongeren met een zwarte of gekleurde huid. Het is een erfenis van de (Nederlandse) slavenhandel en slavernij.

Een kleine tweeënhalve eeuw, van 1637 tot 1872, was het kasteel van Elmina in Nederlandse handen en in die tijd groeide het uit tot een van de voornaamste centra van de slavenhandel in West-Afrika. Het kasteel is nu een bezienswaardigheid die bij bezoekers uit de hele wereld hevige emoties losmaakt, niet in de laatste plaats bij Afro-Amerikanen, Jamaicanen of Surinamers op zoek naar hun roots. Het gebouw was een bewaarplaats van hun voorouders die uit het Afrikaanse binnenland werden aangevoerd en als vee werden bewaard in kale stenen holen, alvorens ze naar de Europese schepen werden geleid.

Het kasteel van Elmina was ook het regiecentrum van de Nederlandse slavenhandel die langs de hele West-Afrikaanse kust plaatsvond - vanuit deze plek werd die mensenhandel grotendeels aangestuurd.

Bij de opgeleefde aandacht voor het Nederlandse slavernijverleden begint het verhaal vaak bij de verscheping van de samengepakte en geketende Afrikanen - het gruwelijkste deel van deze trans-Atlantische historie. Verder gaat het vooral over de slavernij in Amerika en het Caribisch gebied, waar de weggevoerde Afrikanen voor 80 procent in suikerrijke gebieden belandden, merendeels om er te werken op de plantages. Het zijn de nakomelingen van de slaven die deze geschiedenis levend houden, en het grootste en meest recente deel ligt daar.

Wat daaraan vooraf is gegaan, hoe het allemaal is begonnen, hoe de slavenhandel in West-Afrika verliep, blijft almaar schimmig. Er wordt weliswaar geregeld gewezen op 'Afrikaanse collaborateurs' die de slaven hebben verkocht aan de Europeanen, maar hoe die contacten verliepen en wat de rol van Afrikanen zelf was, wordt nooit helemaal duidelijk. Er is veel minder over bekend. Afrikaanse volken die in het binnenland oorlog voerden of uit commercieel gewin mensen roofden, lieten geen archieven of handelscorrespondentie na. De Europeanen die dat wel deden, kwamen tot het einde van de 19de eeuw het binnenland niet in.

Er speelt nog iets anders. Bij degenen die aandacht vragen voor deze geschiedenis - in Nederland vooral mensen van Surinaamse en Antilliaanse herkomst - proef je weinig behoefte om naar de Afrikaanse zijde te kijken.

De geschiedenis van slavernij in Amerika en het Caribisch gebied is voor velen zo pijnlijk en heeft zo lang weinig aandacht gekregen, tenminste hier in Nederland, dat eerst en vooral de grote schande ervan wordt belicht - begrijpelijk. Daarbij wordt een overzichtelijke tweedeling gemaakt: mensen van Afrikaanse herkomst zijn eeuwenlang geknecht en vernederd, en mensen van Europese afkomst maakten zich daaraan schuldig.

Ook in de Verenigde Staten wordt de Afrikaanse rol in deze geschiedenis vaak genegeerd, schreef Henry Louis Gates in 2010 in The New York Times. De geromantiseerde geschiedversie die volgens hem sterk leeft: voorouders van zwarte Amerikanen werden uit Afrika weggeroofd door evil white men.

Als je je verdiept in hoe leven en (slaven)handel in en rond het kasteel van Elmina zijn verlopen, ontdek je echter dat de Nederlanders, de Europeanen, tot aan het einde van de 19de eeuw weinig tot niets hadden te vertellen in West-Afrika. Ze verbleven in hun forten en handelsposten aan de kust, met enkele tientallen mannen, of hooguit een paar honderd. Ze kwamen het moeilijk doordringbare en levensbedreigende binnenland niet in. Dat hoefde ook niet, want de (slaven)handel kwam naar hen toe. Afrikanen hadden de slavenhandel volledig in handen tot het moment dat de slaven aan de Europeanen werden overgedragen.

Slavernij en slavenhandel waren al alom aanwezig op het continent voordat de Europese zeevaarders subsaharaans Afrika bereikten. Afrikanen vielen in slavernij door oorlog (gevangenen), door een veroordeling van een lokale leider of door een schuld. Het land gold als gemeenschappelijk bezit; slaven daarentegen waren een vorm van privébezit. Voor West-Afrikaanse volken was het niet vreemd om slaven te ruilen tegen spullen. Zo kon de trans-Atlantische slavenhandel beginnen en grootschalig en langdurig doorgaan.

Afrikaans systeem

De Amerikaanse afrikanist John Thornton gaat zelfs zo ver de trans-Atlantische slavenhandel door westerlingen 'de uitgroei' van een Afrikaans systeem te noemen. Hij draait het om. Hij bekijkt deze geschiedenis vanuit Afrika, in plaats van vanuit Europa of Amerika. Hij zegt in wezen: neem de Afrikaanse rol in deze trans-Atlantische geschiedenis eens serieus. Pas dan begrijp je hoe deze verstrekkende mensenhandel zich heeft kunnen voltrekken, zonder dat de Europeanen de mankracht en de militaire middelen hadden om Afrikaanse leiders en koopmannen hun wil op te leggen.

Historici in Ghana zeggen min of meer hetzelfde: de trans-Atlantische slavenhandel is niet los te zien van het inheemse, Afrikaanse systeem van slavernij. Ze waren met elkaar vervlochten. Toen vanuit Europa de trans-Atlantische slavenhandel werd beëindigd (formeel aan het begin van de 19de eeuw; in werkelijkheid staken slavenschepen zeker tot 1866 de oceaan over) bleef het inheemse systeem bestaan. Tot 1900 bestonden in het binnenland van de Goudkust nog markten waar mensen als vee werden verhandeld.

Uit oude ooggetuigenverslagen blijkt nog iets sterkers: de voornaamste leveranciers van slaven vanuit het achterland van de Goudkust, de Ashanti, waren verbolgen dat de Europeanen aan het begin van de 19de eeuw wilden stoppen met de slavenhandel. De koning van de Ashanti wilde graag doorgaan. Het was lucratieve business. En waar moest hij anders heen met zijn oorlogsgevangenen en de mannen en vrouwen die in het noorden werden geroofd en die hij als centrale macht ontving? Ashanti-koning Osei Bonsu vroeg zich in 1820 tegenover de Britse gezant Joseph Dupuis ook af: waarom vinden de Britten de handel in mensen opeens slecht terwijl ze die eerst goed vonden?

De Afrikaanse betrokkenheid, voor alle duidelijkheid, doet niets af aan de Europese of Nederlandse rol. De West-Europeanen die in Afrika mensen opkochten en verscheepten, cultiveerden een dubbele moraal: wat thuis niet mocht, mocht ver van huis wel. Ze zetten hun eigen ethiek aan de kant, uit economisch gewin. En ze ontwikkelden een racistische ideologie om de mensenhandel en slavernij goed te praten.

De Afrikaanse betrokkenheid maakt deze geschiedenis voor de slachtoffers en hun nakomelingen ook niet minder pijnlijk - eerder pijnlijker. Maar een serieuze geschiedenis verdient serieuze aandacht. Dat betekent ook het loslaten van verhullende stereotypen over witte daders en zwarte mensen die louter slachtoffer waren. Ook de geschiedenis van de trans-Atlantische slavenhandel is grijs.

Marcel van Engelen (1971) is journalist en schrijver, onder meer van Het kasteel van Elmina dat vrijdag uitkwam bij uitgeverij De Bezige Bij.

undefined

Meer over