Interview

Haye van der Heyden: ‘Ik maak lekker wat ik zelf wil, ik ben toch gecanceld’

Zijn verdediging van PVV’ers en Holocaustontkenners kwam Haye van der Heyden op professionele en sociale uitsluiting te staan. Nu publiceert hij een duistere roman over ‘foute mannen’, zoals zijn vader – en hijzelf.

Haye van der Heyden Beeld Eva Roefs
Haye van der HeydenBeeld Eva Roefs

Haye van der Heyden heeft in de loop van zijn leven – hij is 64 – enige ervaring opgedaan als verstotene. En hij beklaagt zich daar niet over. Als zoon van een foute vader die na de oorlog vanwege uiteenlopende diensten aan de vijand tot twaalf jaar gevangenis werd veroordeeld, mocht hij in de Bilthovense buurt waar hij opgroeide niet bij zijn vereerde buurmeisje over de vloer komen. ‘Daar was ik niet boos en zelfs niet verbaasd over: ik wist niet beter dan dat ik tot een minderwaardige soort behoorde. Ik raakte er simpelweg aan gewend. Ik heb er mijn grote belangstelling voor het mechanisme van discriminatie aan overgehouden.’

Van der Heyden heeft in uiteenlopende hoedanigheden in de openbaarheid gefigureerd. Eerst, in de vroege jaren tachtig, als onderdeel van het closeharmony-ensemble Purper – ‘vier mannen die eigenlijk niet zo heel goed konden zingen, zodat ze er wat grappen bij moesten verzinnen’. Vervolgens, vanaf de jaren negentig, als schrijver en uitvoerend producent van comedyseries als In de Vlaamsche pot, Kees & co, Kinderen geen bezwaar, Divorce en Familie Kruys.

Van der Heyden was het factotum van het Nederlandse televisieamusement, met de Vara en – later – John de Mol als voornaamste opdrachtgevers. Tien jaar geleden baarde hij opzien met enkele artikelen waarin hij een lans brak voor de PVV. In 2019 was hij korte tijd betrokken bij de aspirant-omroep Ongehoord Nederland, maar botste met ON-voorman Arnold Karskens over Van der Heydens opvatting dat Holocaustontkenners zich zouden moeten kunnen uitspreken. Vorig jaar stichtte hij met een paar bevriende schrijvers Uitgeverij Vogelvrij. Daar verscheen enkele weken geleden zijn roman Niet de moffen maar de mensen, over de lotgevallen van een SS’er en diens zoon. Twee ‘foute mannen’ van wie alleen de eerste werd gestraft omdat hij in de verkeerde tijd leefde.

Het thema van het boek is het thema van zijn leven. Maar het boek is geen wraakneming op zijn vader, die bij een andere vrouw introk toen Van der Heyden 5 jaar was. ‘Omdat hij bij de Waffen-SS had gediend, en ook nog eens een vrouw met zes kinderen achterliet, was hij voor mij de grootste boef van de wereld. En dat bleef hij tot ik hem omstreeks mijn 30ste weer ontmoette. Maar ik heb nooit gedacht: dat ik niet bij mijn achterbuurmeisje mag spelen, is verdomme de schuld van mijn vader. Dat was simpelweg een onveranderlijk gegeven. Zoiets als zwart zijn in een witte omgeving, vermoed ik. Elk kind ervaart de situatie waarin het opgroeit als de norm. Bij mij was dat niet anders.

Op de uitsluiting als gevolg van de keuze van zijn vader, volgde de uitsluiting als gevolg van zijn eigen stellingnames. In 2011 verdedigde hij in de Volkskrant het recht om met het gedachtengoed van de PVV te sympathiseren. Een recht dat naar zijn mening werd miskend door al diegenen die Geert Wilders en zijn aanhangers routineus tot de paria’s van de parlementaire democratie hadden verklaard. Van der Heyden wekte alom verbazing met dit standpunt, want over politieke thema’s had hij zich nooit publiekelijk uitgelaten. En al helemaal niet ten gunste van een partij als de PVV. Maar Van der Heyden wierp met grote overgave zijn steen in de vijver van politieke correctheid. Daarbij verhulde hij niet dat hij, als stil protest tegen de uitsluiting van die partij, bij de laatste verkiezingen op de PVV had gestemd.

Waar kwam die eruptie ineens vandaan?

‘Toen ik die stukken in de Volkskrant schreef, begon ik een beetje uitgerangeerd te raken. Ik voelde mij genegeerd en wilde, heel kinderachtig misschien, met een provocatie de aandacht op mijzelf vestigen. Maar die provocatie kwam wel voort uit oprechte verontwaardiging over de gemakzucht waarmee democratisch gekozen volksvertegenwoordigers als NSB’ers worden weggezet. Daar deed, en doet, echt iedereen aan mee. Ik heb dat gezegd en ik heb daar geen spijt van, maar daar is het ook bij gebleven. De PVV is te simplistisch om mijn partij te zijn.’

Was Forum voor Democratie een alternatief?

‘Ik heb op uitnodiging van Baudet gesproken op de oprichtingsvergadering van Forum, maar ben daarna niet meer terug geweest. Het sfeertje was mij te hysterisch. Dat eerste partijprogramma van Forum sprak me wel aan, met uitzondering van de McCarthy-achtige eis dat omroepmedewerkers hun politieke voorkeur bekend zouden moeten maken. Absurd.’

Heeft u in professioneel opzicht baat gehad bij uw politieke coming-out?

‘Ik heb er geen nieuwe opdrachtgevers mee binnen geharkt. Integendeel. Ik ben gereduceerd tot één blijkbaar abjecte hoedanigheid: PVV-stemmer. Toen ik jaren later bij Pauw aanschoof om iets over het Wilders-proces te zeggen, verscheen het woord weer in het balkje onderaan het beeld: PVV-stemmer. Anders dan mijn vrouw, ben ik daar tamelijk laconiek onder: dat is het beeld dat ik van mijzelf heb geschapen. Eigen schuld.’

Wat vonden ze bij Talpa van uw publieke profiel?

‘Bij Talpa hebben ze er nooit iets over gezegd. Wel ben ik opgevoed door John de Mol met de strenge raad nooit een politieke mening te uiten, met het oog op de omzetcijfers van het bedrijf.’

Was het dan wel handig om te zeggen dat ook Holocaustontkenners zich zouden moeten kunnen uitspreken?

‘Niet handig, maar wel nodig – naar mijn smaak. En vergeet niet dat Mark Rutte in 2009 een einde wilde maken aan de strafbaarstelling van Holocaustontkenning. Dat heeft hem weliswaar bijna de kop gekost, maar toch: ik vind dat zelfs Holocaustontkenners spreekrecht zouden moeten hebben. Het gaat mij niet alleen om het principe dat de vrijheid van meningsuiting ruim moet worden geïnterpreteerd, maar ik denk ook dat je Holocaustontkenners beter van repliek dient als ze te zien zijn, gesteld dat ze dan niet al in het graf zijn gevallen dat ze zelf hebben gegraven. Maar van welke kanttekeningen je het pleidooi voor hun spreekrecht ook voorziet, en hoe vaak je ook zegt dat de Holocaust boven elke historische twijfel is verheven: toch sta je in een mum van tijd als Holocaustontkenner te boek.’

En u werd dientengevolge gemeden door vroegere collega’s en opdrachtgevers.

‘Dat begon onmiddellijk nadat ik het voor de PVV had opgenomen. En in Duitsland werd ik gecanceld na die gewraakte Holocaustuitspraak. Mijn toneelstuk Irrwege zou worden opgevoerd in het Ernst Deutsch Theater in Hamburg. Halverwege de repetities waren ze, maar alles werd in één keer stilgelegd. Nooit zal ik daar nog gespeeld worden, vrees ik. Maar het positieve van gecanceld worden, is dat je begrip krijgt voor de gecancelden en weet wat ze doormaken.

‘Het is een ongelooflijk interessante ervaring: o, zó werkt dat dus. Een enkele keer zeggen mensen openlijk dat ze niets meer met je te maken willen hebben. Dat stel ik dan op een bepaalde manier wel op prijs, want die mensen zijn tenminste eerlijk. Maar je hebt ook mensen die, bij wijze van spreken, oversteken als ze je zien naderen. En daar word je zelf nogal paranoïde van. Als iemand niet meteen op een mailtje reageert, dan denk je: o, dat is dáárom. Maar voor je mentale groei en je geestelijke weerstand is zoiets fantastisch, afhankelijk van wat het doel in je leven is. Voor mijzelf was dit wel een manier om mij los te maken van de wereld waarvan ik altijd deel had uitgemaakt.’

null Beeld Eva Roefs
Beeld Eva Roefs

U was op het podium en in uw series nooit maatschappelijk geëngageerd. Waarom niet?

‘Vaak wordt gezegd: in het theater moet het schuren. Maar dat is zo’n open deur. Maak maar eens iets dat middle-of-the-road is, maar toch goed. Dat vind ik het hoogste, juist vanwege zijn beperkingen. Ik begon met zwarte dingen, omdat die nu eenmaal van een hoger niveau zouden zijn. Mijn allereerste toneelstuk werd gespeeld in de bovenzaal van de Amsterdamse Stadsschouwburg. Iets duisters over een man die zijn vrouw gek maakte door woorden expres verkeerd uit te spreken. Toen daar in de zaal niet op werd gereageerd, dacht ik: laat ik dan maar komedie gaan maken.’

Schuurde uw hang naar vertier niet met de verschilligheid van de Vara?

‘Geen kwaad woord over de Vara. Ik heb er acht heerlijke jaren voor gewerkt. Maar ‘Wees verschillig’ (een Vara-slogan, red.) is gelul. Want je moest het wel met hen eens zijn. In de amusementssfeer had ik daar weliswaar betrekkelijk weinig last van, maar ik liep wel tegen de grenzen van mijn expressievrijheid op toen ik in een van die comedy’s een onsympathieke zwarte man wilde opvoeren. Dat kon dus écht niet. Ik zei: jongens, dat is discriminatie. ‘Nee, wat jíj doet is discriminatie.’ Jullie snappen er niets van: als ik geen onsympathieke zwarte man mag opvoeren, discrimineer ik pas echt. Daar kwamen we dus niet helemaal uit. Ik deed het er maar mee, maar een beetje gek vond ik het wel.’

Hoe kwam u bij Ongehoord Nederland terecht?

‘Niet uit verbittering, en niet omdat ik de NPO zo verschrikkelijk vind. We mogen zelfs best trots zijn op de NPO. Maar bij talkshows mis ik vaak mensen die iets anders vinden. Er zitten overwegend mensen om tafel die het roerend met elkaar eens zijn, daar is geen lol aan te beleven. En als er eens iemand uit de Wilders-hoek aan tafel zit, is dat iemand die nauwelijks uit zijn woorden kan komen. Je kunt ook een Trump-liefhebber uitnodigen die gestudeerd heeft. Ik wilde dus weleens iets anders horen, vandaar mijn aanvankelijke sympathie voor Ongehoord Nederland. Maar die Arnold Karskens is een verschrikkelijke man, stelde ik al snel vast. Het gaat hem helemaal niet om het vrije woord, maar om een baantje en het bijbehorende inkomen.’

Nadat ON en hij met elkaar hadden gebroken, stichtte Van der Heyden vorig jaar met een aantal lettervrienden Uitgeverij Vogelvrij. Die legt zich toe op de uitgave van boeken – met een frequentie van twee per maand – waarvan de leestijd en de amusementswaarde ongeveer overeenkomen met die van een speelfilm. ‘Ik hoop dat mijn uitgeverijtje uitgroeit tot een literaire variant op Netflix, met boeken waarmee het bingewatchen kan worden afgewisseld. Ik dacht: als ik toch ben gecanceld, ga ik lekker maken wat ik zelf wil. We zijn vrij, we kunnen dat doen.’

Bij Vogelvrij verschenen in de genres komedie en satire, thriller en misdaad, literatuur en romantiek en non-fictie en overig tot dusverre dertien boeken, met titels als Penthouse Zuidas (van Sjoerd Zuidzee), Vrij vrij, een huwelijk zonder absolute monogamie (van Erna en Frits Turing), Liever een hond (van Gijs Muller) en Seks met Stanley (eveneens van Gijs Muller). Van der Heyden zelf schreef Melaats, een politieke satire, André Hazes, vanuit de hemel en – het meest recent – Niet de moffen maar de mensen. Deze titel is tevens de meest bondige samenvatting van het boek: niets menselijks was de uitvoerders van de Holocaust vreemd. De nu levende mensen zijn moreel dus niet verheven boven de toen levende Duitsers. Niet hun morele besef maakt hen verschillend, maar hoofdzakelijk de tijd en de situatie waarin zij leefden.

Daders als slachtoffers van hun tijd: dat klinkt ook als een verzachtende omstandigheid voor mensen die verkeerde keuzes hebben gemaakt.

‘De teneur van boeken over foute vaders is toch: hij was zó fout en ik schaam mij zó diep, maar ja: hij was wél mijn vader. Zo’n boek heb ik dus niet willen schrijven. Ik dacht: als we nou iets willen met dit onderwerp, moet dat gebeuren vanuit het cliché ‘verbeter de wereld, maar begin bij jezelf’. De Holocaust heeft laten zien waartoe mensen in staat zijn. Ik moest het dus niet alleen over mijn vader en zijn slechtheid hebben, maar ook over mijn eigen slechtheid. Ik dacht: laat ik al mijn slechte eigenschappen nou eens overdrijven om te inventariseren hoe gevaarlijk ik zelf ben. Ik schrijf het in al mijn zwartheid op. Ik wilde laten zien: deze klootzak heeft een veilig leven gehad en is alleen maar gecanceld, maar de fouten van zijn vader hadden veel ernstiger gevolgen – ook voor hemzelf – vanwege de tijd waarin hij leefde.’

Uw alter ego lijkt gevangen in de erfzonde. Met enige wellust noemt hij zichzelf bij herhaling ‘moffenjong’ of ‘NSB’er’ of iets soortgelijks. Wil hij daarmee voorkomen dat anderen hem zo noemen?

‘Dat speelt wel een rol. Je bent je criticasters voor als je jezelf alvast gaat geselen. De ik-figuur worstelt met zijn rol als dader, maar ook met die van willoze toeschouwer. Als puber deed hij niets om zijn vriend Erwin van de verdrinkingsdood te redden, een fictieve gebeurtenis. Hij meende hem zelfs een zetje te hebben gegeven. Hij was dus niet minder fout dan zijn vader, die de vijand heeft geholpen bij de uitvoering van zijn gruwelijke werk, maar zijn houding lijkt ook op die van het Nederlandse volk tijdens de Duitse bezetting: we stonden erbij, keken ernaar en staken zelfs geen hand uit, lovenswaardige uitzonderingen daargelaten.’

Vanwaar die wedijver in slechtheid tussen u en uw vader?

‘Om over de slechtheid van een ander te kunnen oordelen, moet je ook je eigen slechtheid kennen. Natuurlijk heeft het verleden van mijn vader een rol gespeeld in mijn leven, vanwege mijn fascinatie met ‘fout’ en alle gevolgen die dat heeft gehad. Belangrijker is natuurlijk, voor mij persoonlijk, dat ik op hem lijk, zowel innerlijk als uiterlijk. Het dwarse, eigenwijze, botte, onverzettelijke, dat heb ik allemaal van hem. Daarom kan ik ook beter dan wie dan ook inschatten hoe fout hij is geweest. Je moet je lower self leren kennen om je higher self te kunnen laten stralen, of zoiets. Dat was een dingetje uit de tijd van Bhagwan. Daar had ik verder niet zoveel mee, maar ik begrijp wat ermee werd bedoeld.’

Zijn nogal duistere boek heeft weinig gemeen met de lichtvoetigheid van Purper, om nog maar te zwijgen over de montere sitcoms waarmee hij zijn reputatie vestigde. Toch ziet Van der Heyden zichzelf zoals Nederlanders van middelbare leeftijd hem vermoedelijk nog steeds zien: als een man van het amusement. ‘Daartoe heb ik mij altijd aangetrokken gevoeld, hoewel ik besef dat amusement een lagere status heeft dan literatuur. Maar voor mij is amusement de eredivisie. Omdat het écht is. Ik haal graag Shakespeare aan, die na de pauze altijd een komische scène in het stuk schreef, omdat het publiek dan dronken was en minder ontvankelijk voor de hogere cultuur. Goede komedie knabbelt een beetje aan de moraal en aan de grote thema’s van de dag, maar niet in die mate dat ze de lust tot lachen wegneemt. Ik heb het altijd heerlijk gevonden om daar mijn weg in te vinden. Mensen zeggen vaak – ik heb het meerdere malen meegemaakt: ja, maar als het zou kúnnen, zou je professioneel toch liever je naamgenoot Adri van der Heijden willen zijn? Nee, helemaal niet. Echt niet.’