Hartstochtelijk voor de publieke zaak en voortdurend verliefd

IN EEN FILMFRAGMENT over het einde van de Eerste Wereldoorlog wordt getoond hoe de Franse president Poincaré ten overstaan van de toegestroomde bevolking van Metz de overwinnaar van Verdun, Pétain, de maarschalkstaf overhandigt en hem omhelst....

Wie de levendige biografie van de Franse publiciste Françoise Giroud, Coeur de tigre, leest, begrijpt waarom. Georges Clemenceau droeg niet voor niets de bijnaam de 'tijger' en maakte met zijn scherpe tong en pen meer vijanden dan vrienden. De kille Poincaré was daar maar één van. Evenals De Gaulle kon Clemenceau moeilijk verhullen dat hij geen hoge dunk had van de meeste mensen.

De Gaulle herkende in hem dan ook een geestverwant, hoewel hij, zoals hij eens schreef, goed besefte dat het leven van deze man met dat van geen ander te vergelijken viel en ook voor Clemenceau zelf elke dag een drama moest zijn geweest. Giroud maakt dat goed duidelijk.

Zij heeft geen minutieuze biografie willen toevoegen aan de studies die er reeds over de Franse staatsman zijn verschenen, maar zij heeft met grote sympathie een portret geschreven van de man die Frankrijk in de laatste oorlogsjaren 1917 en 1918 weer zelfvertrouwen gaf. Met die twee andere onverzettelijke oorlogsleiders van deze eeuw, Churchill en De Gaulle, had Clemenceau een eenzame tocht door de woestijn moeten maken alvorens de macht te verkrijgen, en evenals zij moest hij zich na de overwinning uit het centrum van de macht terugtrekken.

Hij was toen 78 jaar en leed aan veel kwalen. Dat belette hem niet tijdens een van zijn vele wereldreizen twee tijgers tot zijn jachttrofee te maken. Nog op zijn 82ste begon hij aan een filosofisch werk en aan een relatie met een vrouw die veertig jaar jonger was dan hij. Deze idylle duurde de laatste tien jaar van zijn leven en resulteerde in bijna zevenhonderd hartstochtelijke liefdesbrieven, die pas in 1970 werden ontdekt. 'Mijn hele leven', schreef hij, 'ben ik verliefd geweest.'

De jonge arts Clemenceau begon zijn politieke loopbaan als burgemeester van Montmartre tijdens de Parijse Commune-opstand van 1871. Zeven jaar later vestigde hij de aandacht op zich toen hij in het parlement een gloedvol betoog hield voor de amnestie van de Communards. Hij richtte zijn eigen krant op, duelleerde graag en ontmoette zijn

maîtresses in zijn loge in de opera - gebruikelijke praktijken voor wie in die tijd een politieke carrière ambieerde.

Hij was vooral berucht om het ten val brengen van kabinetten. De Franse republiek was nog jong en kwetsbaar. De sociale onrust was groot en hevige polemieken over de scheiding van kerk en staat en over de affaire-Dreyfus verscheurden het land. Clemenceau was fel anticlericaal en had, na aanvankelijke twijfels, zijn welsprekendheid in 665 artikelen ten dienste gesteld van het eerherstel van de joodse kapitein Dreyfus.

Ook was hij antikolonialistisch en tegen een te grote staatsmacht. Maar zijn politieke opvattingen interesseren Giroud minder. Vooral de hartstocht voor de publieke zaak van deze vurige republikein en patriot spreekt uit elke pagina. Giroud laat daarbij overigens zijn onmogelijke karaktertrekken niet ongenoemd: zijn onredelijke haat jegens sommige personen en zijn blinde vertrouwen in anderen, zijn wreedheid, zijn onbeschoftheid en vooral zijn ijdele hoogmoed.

Pas op 65-jarige leeftijd kreeg hij zelf de leiding over een kabinet, dat het voor die tijd lang uithield: van 1906 tot 1909. Maar net zoals in het geval van Churchill en De Gaulle gaf de oorlog hem vleugels. In het najaar van 1917 riep Poincaré eindelijk de tijger te hulp. Giroud beschrijft wat een echo de strijdlustige woorden van Clemenceau opeens vonden in het oorlogsmoede Frankrijk, dat op de rand van de nederlaag stond.

Clemenceau had een magische uitwerking op de soldaten aan het front, maar evenals Churchill en De Gaulle stond hij op gespannen voet met zijn generaals: 'De oorlog is een te serieuze zaak om aan generaals te worden overgelaten.' Voor zijn rol bij de vredesonderhandelingen van Versailles heeft Giroud minder waardering. Hij was het die aandrong op de deling van de Habsburgse dubbelmonarchie, met de desastreuze gevolgen die we kennen. In 1920 werd 'Père Victoire' door de kiezers weggestemd.

Aan het begin van de eeuw bestonden er nauwe banden tussen kunstenaars, schrijvers en politici. Bevriend waren bijvoorbeeld de schilder Paul Cézanne en de schrijver Emile Zola, bondgenoot van Clemenceau in de strijd voor Dreyfus. En Clemenceau, zelf een groot kunstminnaar (hij behield Manets fameuze Olympia voor de Franse staat), bleef de paus van het impressionisme, Claude Monet, tot aan diens dood met raad en daad ter zijde staan.

Schitterend is de foto van de twee temperamentvolle vrienden in Monets tuin van Giverney. Kunst en tuinieren waren enkele van de hartstochten die Clemenceau na zijn gedwongen afscheid van de politiek hebben behoed voor het zwarte gat van verbittering waarin zoveel politici van minder formaat zijn gevallen.

Dick van Galen Last

Françoise Giroud: Coeur de tigre.

Plon/Fayard, import Nilsson & Lamm; ¿ 39,20.

ISBN 2 259 18067 1.

Meer over