Harteloos Nederland

De afsluitende tentoonstelling bij Be(com)ing Dutch, het tweejarig project waarvoor het Van Abbemuseum de omstreden Stimuleringsprijs Culturele Diversiteit van de Mondriaan Stichting ontving, is weinig optimistisch over Nederland als ‘intercultureel’ land....

Domeniek Ruyters

‘Besluit, besluit.’ Als een dominee laat museumdirecteur Charles Esche het van de kansel schallen. Discussie is belangrijk, maar discussie alleen is niet genoeg. ‘Er staat iets op het spel’, zegt hij. ‘Dat wordt nogal eens vergeten in de Nederlandse kunstwereld.’

Het is najaar 2007 en Be(com)ing Dutch beleeft zijn voorlopig hoogtepunt: de Eindhoven Caucus. Ter voorbereiding van de grote afsluitende tentoonstelling van dit tweejarig project, waarvoor het Van Abbemuseum de Stimuleringsprijs Culturele Diversiteit van de Mondriaan Stichting heeft ontvangen (ter grootte van 500 duizend euro), is er een omvangrijk programma van discussies, workshops en lezingen in elkaar gezet, waar in totaal vele honderden mensen bij betrokken zijn. Inclusief een dertigtal ‘wereldsprekers’, zoals het Van Abbe ze noemt, die van over de gehele wereld zijn ingevlogen om met de in Eindhoven verzamelde mensen te spreken over de grote vragen die Be(com)ing Dutch zich gesteld heeft.

Officieel is het doel om ‘een oriënterend debat te openen dat door middel van kunst onze ideeën over nationale identiteit en de huidige processen van in- en uitsluiting in Nederland onderzoekt en kritisch bevraagt’. Maar tijdens deze caucus – een term die verwijst naar traditioneel Indiaanse politieke volksraadplegingen – blijkt het plan verder te reiken.

Directeur Esche wil daadwerkelijk iets veranderen en het Van Abbemuseum ombouwen tot wat hij noemt een arena voor ‘tegenstrijdige democratie’, alwaar politieke kwesties aangekaart worden die elders niet meer aan bod komen. Hij suggereert dat het museum zichzelf moet heruitvinden als de laatste plaats in de moderne maatschappij waar de publieke sfeer vertegenwoordigd is, nu andere instituten als de kerk, de universiteit en het stadhuis het hebben laten afweten.

De caucus, op zichzelf een voorbeeld van die nieuwe functie van het Van Abbe, blijkt het daar niet helemaal mee eens te zijn. Tot ongetwijfeld Esches grote verrassing keren diverse gerenommeerde sprekers zich tegen de maatschappelijke claim van het museum. Ze wijzen erop dat het arrogant is te denken dat een museum de wereld kan verbeteren, elitair en westers als het is, gesteund en gecontroleerd door machtige overheden en het bedrijfsleven (de Stimuleringsprijs van de Mondriaan Stichting is er een voorbeeld van).

Het zou, menen ze, beter zijn als het museum enige bescheidenheid in acht nam, de enorme complexiteit van de sociaal-maatschappelijke kwesties respecteert en zich eerst en vooral concentreert op dat waarvoor het opgericht is, de kunst zelf, of die nu maatschappelijk geëngageerd is of niet.

Het commentaar klonk als een echo van de rel in Nederland bij de toekenning van de prijs, toen de musea protesteerden tegen de politiek-maatschappelijke rol die de Mondriaan Stichting hen opdrong. Op onverwachte plek werden ze gesteund in hun protest, althans de pretentie dat het instellen van zo’n prijs veel aan de wereld zal veranderen, nu de door de het Van Abbe ingehuurde deskundigen er fijntjes op wezen dat er in deze wereld vele honderden miljoenen mensen zijn die geen benul hebben van wat kunst, dat typische westerse begrip, eigenlijk is, laat staan dat ze zich erdoor zullen laten sturen.

De oproep tot bescheidenheid heeft op Esche geen enkele indruk gemaakt, overtuigd als hij is van zijn missie. Met de optocht van Surasi Kusolwong, afgelopen zaterdag tijdens de opening van de tentoonstelling van Be(com)ing Dutch, werd op demonstratieve wijze afstand genomen van de autoritaire, ondemocratische statuur van de white cube.

Onder de snoeiharde begeleiding van een Antilliaanse drumband brak een kleurrijke optocht van mensen, gekleed in eigenzinnige interpretaties van kunstwerken, letterlijk uit de witte burcht aan de Dommel, om zich te begeven op straat, onder de winkelende mensen. In de groep werden borden omhoog gehouden met de vragen die vele ‘gewone mensen’ zich bij de relatie kunst en Eindhoven stellen.

De optocht leek te suggereren dat het tijd wordt dat het museum door het volk overgenomen wordt, precies zoals dat in deze stad gebeurt tijdens het Carnaval, als de heersende macht, zijn waarden en normen, een stap opzij doen om plaats te maken voor de grillige wil van de nar en de zot. Die twee mogen dan wel spotziek zijn, maar ze zijn ook gastvrij en ruimhartig. Bovendien hebben ze een patent op de waarheid.

Kusolwongs volksopstand vormde het begin van een nieuwe fase van Be(com)ing Dutch. Bevond het project zich tot zaterdag voornamelijk op theoretische hoogte midden in een lastige academische discussie, sinds zaterdag is het afgedaald naar het niveau van de straat, om zich daar met het algemene publiek te verstaan. In feite is dit de echte lakmoesproef van Be(com)ing Dutch, waarbij het moet laten zien waar het staat na twee jaar van felle strategische disputen.

De tentoonstelling is heel anders dan het voortraject deed verwachten. De dwarse, revolutionaire geest die door de caucus trok en die ook de overtuigingen van het Van Abbemuseum zelf stevig onder vuur nam, blijkt afwezig in de tentoonstelling. Esche en zijn naaste kompaan in Be(com)ing Dutch, Van Abbe-curator Annie Fletcher, hebben gekozen voor kunst die beheerst en ingetogen van karakter is, met een sterke politieke overtuiging. Nuance wint het van artistiek avontuur, in een stijlvolle presentatie die opmerkelijk beslist van toon is.

Be(com)ing Dutch is een harde tentoonstelling. In drie secties (‘imaginair verleden, –heden en –toekomst’) wordt een bitter beeld geschetst van de wijze waarop Nederland zich tot andere culturen verhoudt. Het land wordt voorgesteld als ambtelijk, levend onder een overdaad aan verordeningen en regels, waar het (tot ergernis van menig immigrant) ook op particulier vlak aan vasthoudt (‘op visite kom je na eerst een afspraak te hebben gemaakt’). Tegelijkertijd, tegen al die regelzucht in, blijkt het een verbazingwekkend weinig principieel land, zonder kern, zonder overtuiging, door en door opportunistisch.

Dat blijkt bijvoorbeeld uit het video-vijfluik dat Alite Thijssen maakte over de treinkaping van de Molukkers in de jaren zeventig. De koelheid en afstand van de ooggetuigen, die vanuit hun huizen, vanachter de vensterbank uitkijkend op straat, buiten beeld en dus anoniem hun verhaal doen, is ontluisterend. Hoe vriendelijk en betrokken iedereen ook klinkt, er blijkt weinig tot geen contact met de ander, de Molukker in dit geval, alsof de mensen niet werkelijk in elkaar geïnteresseerd zijn, toen niet en nu niet.

Diezelfde harteloosheid komt terug in False Echoes, een video-installatie van Wendelien van Oldenburg, waarin ze een geschiedenis van censuur koppelt aan een historische analyse van speciale, met behulp van Philips geproduceerde radio-uitzendingen van de staat, ten behoeve van de koloniën. Ze verknoopt dit verhaal van een slimme mediapolitiek, die erop gericht was de mensen als het ware dom te houden, met een venijnige aanklacht tegen de Hollandse bezetter van een Indonesische verzetstrijder.

Biedt dit al geen fris beeld van Nederland, nog erger is de wijze waarop dit land nieuwkomers onderwerpt aan een inburgeringscursus, inclusief belachelijke rollenspellen en een hen badinerend toesprekende burgemeester, bij het uitreiken van het inburgeringdiploma. De Italiaanse kunstenaar Mario Rizzi heeft enkele maanden in Nederland doorgebracht en legt dit door de regering ingestelde ontgroeningsritueel met stijgende verbazing vast, om het in twee ander video’s van cynisch commentaar te voorzien, bij monde van de verbitterde reacties van enkele immigranten.

Er is voor de kunstenaars in deze tentoonstelling geen keuze geweest, zo lijkt wel, en dus, alsof het land er inmiddels niet al gekleurd genoeg op staat, wordt de bezoeker ook nog getrakteerd op zijn principeloosheid, in een videowerk en een foto van Lidwien van de Ven. Geportretteerd is een kwetsbare Ayaan Hirsi Ali, als speelbal van de grote politiek, die weigert nog langer op te draaien voor de bescherming van deze voorvechtster van vrije meningsuiting.

Met haar opdeling in verleden, heden en toekomst volgt de tentoonstelling de lijn die Paul Scheffer, de grote aanjager van het integratiedebat in Nederland en prominent spreker op de Eindhoven Caucus, heeft geschetst in zijn boek Het land van aankomst. Daarin geeft hij aan hoe Nederland zijn moeizame omgang met de snel veranderende samenleving eerst ontkent, vervolgens in een conflictfase belandt om ten slotte, als zijn historische analyse van massale immigratie in andere landen juist is, in de toekomst nieuwe associaties aan te gaan.

Tegen Scheffers optimisme in, toont Be(com)ing Dutch zich minder positief over wat ons te wachten staat. Weliswaar is het toekomstige deel in de tentoonstelling iets optimistischer ingevuld dan het historische en actuele deel, maar het steekt toch wat bleekjes af bij alle daar geuite harde kritiek. Bovendien beperkt de toekomst zich grotendeels tot het Van Abbe zelf.

Zo speelt Surasi Kusolwong na de optocht verder met wat Van Abbe-klassiekers, en vermengt Hadassah Emmerich haar eigen geschilderde interpretaties van werken uit het museum met wat citaten uit de wereldliteratuur, in een installatie die ertoe dient het museum te openen voor andere geluiden, andere interpretaties dan de canon dicteert.

In feite is alleen BikvanderPol ronduit optimistisch, met hun voorstel op de laatste dag van de tentoonstelling bijeen te komen om de schotel van het Evoluon te tillen, niet met de hand, maar met vereende geestkracht in wat ze noemen een magisch-tactische act. Ook als het mislukt, wat – vergeef me mijn Hollandse nuchterheid – vermoedelijk het geval zal zijn, zal er onder de aanwezigen een gevoel van nieuwe gemeenschapszin ontstaan, zo suggereren ze.

De bescheiden rol voor een meer optimistische stem maakt dat in Eindhoven de negatieve teneur domineert, op een manier die enigszins doorslaat en het genuanceerde, ‘niet-simplistische’ (Esche) beeld van dit land in de diverse kunstwerken op zichzelf, langzaam doet veranderen in een cynische karikatuur. De uitgekozen kunstenaars bevestigen elkaar en de momenteel alom heersende communis opinio, die zich heeft afgekeerd van het traditionele beeld van Nederland als een internationaal georiënteerd tolerant land dat open staat voor andere religies en culturen. In plaats daarvan wordt voortaan de nadruk gelegd op zijn schaduwkant, zijn historische onbenul, zijn naar egocentrisme neigende individualisme en latente nationalisme.

Die mening is uiteraard toegestaan, zeker als je als buitenlandse kunstenaar al getrakteerd bent op de nieuwerwetse staaltjes van typisch Hollandse ongastvrijheid. Maar op ‘een podium voor meningsverschillen’, zoals Esche zijn museum graag ziet, zou je graag iets meer tegenspraak aantreffen. Zeker als de tentoonstelling ook een pleidooi zegt te voeren voor het hanteren van een meer vloeibare identiteit waar het het denken over land en natie betreft.

Gelukkig zijn er in Eindhoven ook nog ontsnappingsroutes uit de programmatische val waar de tentoonstelling in verstrikt raakt. Gayatri Chakravotra Spivak, universiteitsprofessor aan de Columbia University in New York, gaf tijdens haar bijdrage aan de caucus aan hoe dat werkt.

Aan de hand van de openingsscène van de Malinese film Bamako, waarin een dode hond wordt getoond, beschreef ze hoe beelden die zich onttrekken aan het dominante verhaal, verbindingen kunnen leggen met andere geschiedenissen uit andere tijden en andere plekken. Bamako wordt via het beeld van de dode hond, dat op zichzelf geen enkele functie in het filmverhaal heeft, verweven met een netwerk dat reikt van Shakespeare, Kafka tot aan Coetzee.

Dat geeft te denken, ook in het geval van Be(com)ing Dutch en de beoogde stimulering van culturele diversiteit. Niet het dominante betoog is belangrijk voor culturele uitwisseling, maar veel meer de buitenbeentjes in het verhaal. In Be(com)ing Dutch heeft bijvoorbeeld Daan van Golden zo’n rol, met een video van een verklede Dante en Leonardo die passerend publiek via een schilderij van Mona Lisa met een gat op de plaats van haar gezicht de gelegenheid geven even de grote ster van dit doek en de gehele kunstgeschiedenis te worden.

Uiteraard is ook dit werk gekozen in lijn met het dominante betoog, om iets te vertellen over maskerades en meervoudige identiteiten, maar tegelijkertijd draagt de vreemde ritualistische scène zoveel mysterie in zich, dat die zich niet zomaar in het tentoonstellingsconcept laat opsluiten. Het fungeert perfect als ‘hond van Bamako’ en kadert een inzicht in kunst en identiteit dat veel verder strekt dan Italië waar het beeld vandaan komt en Nederland waar het nu getoond wordt.

Spivaks les is het beste wat Be(com)ing Dutch heeft voortgebracht. Massaal en overal moeten we op zoek naar ‘de hond van Bamako’. Ook de Mondriaan Stichting moet eraan geloven en bij een eventuele toekomstige toekenning van de Stimuleringsprijs Culturele Diversiteit niet zozeer letten op de politiek-correcte signatuur van de plannen, maar vooral kijken of er nog ‘honden van Bamako’ inzitten. Zo ja, dan komt het wel goed met de interculturele dialoog.

Meer over