Hang naar het goddeloze

Ze heten simpelweg 'hij' of 'zij'. 'Jongen' of 'meisje'. Soms ook 'moeder' of 'zoon' of 'dochter'. De personages in de toneelteksten van Jon Fosse hebben meestal geen naam. Het zijn geen mensen van vlees en bloed. Hun verleden en toekomst lopen door elkaar. Ze zitten gevangen in een zich eindeloos herhalend moment. En ze wachten.


MEISJE


Waar wachten we op


HIJ


We wachten toch niet


MEISJE


Dan gaan we dus naar binnen


HIJ


Wacht even


Zwaarmoedige geesten bevolken de fjorden, kerkhoven en oude, al dan niet behekste, huizen, waar de toneelstukken van Jon Fosse (1959, Haugesund, Noorwegen) zich doorgaans afspelen. De Noorse auteur woont zelf in Bergen en gaat om te schrijven naar een hutje in de ongerepte Noorse natuur, ver weg van de bewoonde wereld. Ook verlegen Noren hebben hun eigen soort humor en die is droog. Vorig jaar werd Fosse vijftig en ontving hij de Internationale Ibsenprijs (300 duizend euro voor een persoon of organisatie die buitengewoon werk heeft verricht 'in de geest van Ibsen'). Op de vraag waarom zijn werk over heel de wereld gespeeld wordt, antwoordde hij toen: 'Omdat ik heel goede stukken schrijf.'


In Nederland zijn de komende tijd twee van die stukken te zien. Vanaf vandaag speelt Toneelgroep Amsterdam Nooit van elkaar, geregisseerd door Ivo van Hove. Chris Nietvelt speelt de hoofdrol, die haar op het lijf geschreven lijkt: een rusteloze vrouw met een verregaande vorm van verlatingsangst. Binnenkort komt ook Rêve d'automne van het Parijse Théâtre de la Ville en theater- en operaregisseur Patrice Chéreau naar Nederland. Dit is een Franstalige enscenering van Droom in de herfst, dat in Nederland in 2003 al een keer is opgevoerd door Toneelgroep Oostpool.


Toen in 1994 Nooit van elkaar - alleen heette het toen Og aldri skal vi skiljast - in première ging bij Den Nationale Scene in Bergen, was dit de allereerste keer dat een toneelstuk van Fosse werd opgevoerd. Zijn naam was toen echter al niet onbekend meer. Sinds 1983 maakte hij in eigen land gestaag carrière als romanschrijver. Inmiddels schrijft hij hoofdzakelijk toneel en is hij na Henrik Ibsen de meest gespeelde Noorse toneelschrijver. Zijn stukken werden in ruim dertig landen opgevoerd. In het programmaboekje bij die allereerste opvoering in 1994 probeerde Fosse te verklaren wat hij met de tekst heeft willen beschrijven: 'Een bepaalde toestand, de bijna tastbare aanwezigheid van een mens. Maar niemand zal uiteindelijk kunnen zeggen wat het precies betekent.'


Dat laatste onderschrijft ook dramaturg Alexander Schreuder, die het stuk nu voor Toneelgroep Amsterdam heeft vertaald. Volgens hem gaat het over een vrouw - consequent aangeduid met 'zij' - die het gevoel heeft te worden verscheurd tussen het nu en het verleden.


'Zij' wacht op de thuiskomst van de man van wie ze houdt en die ooit ook van haar hield, maar nu uit haar leven is verdwenen. Ze probeert in haar eentje haar leven voort te zetten. Maar de herinneringen aan hem blijven door haar hoofd spoken. 'Hij' (Gijs Scholten van Aschat) en zijn nieuwe vriendin (Hélène Devos) lopen ondertussen door haar huis en zitten aan haar tafel, maar zonder dat 'zij' op enige wijze contact met hen kan maken. Verschillende werkelijkheden lopen door elkaar. Heden en verleden vloeien als vanzelfsprekend samen bij Fosse.


Zo ook in Rêve d'automne, een droomvertelling waarin een man zijn ex ontmoet op een kerkhof. Tenminste, in de oorspronkelijke tekst is dat zo; regisseur Patrice Chéreau laat de ontmoeting plaatsvinden in een museum. De twee halen herinneringen op aan vroeger. Doden worden weer levend en levenden blijken al lang dood te zijn. Ze gaan heen en weer in de tijd. 'Fosse raakt ons op een niet-rationeel niveau,' aldus Schreuder.


Dat zit hem vooral in de bedwelmende, poëtische taal die zijn personages spreken. Zijn stukken bestaan uit uiterst simpele, beknopte zinnetjes die vaak onaf zijn. Interpunctie ontbreekt. De eindeloze herhaling van die zinnetjes geeft ze die dromerige, van de realiteit losgezongen kwaliteit.


Voor een vertaler is het lastig om de zeer beperkte woordenschat van de personages precies weer te geven. 'Bovendien gebruikt Fosse soms uitdrukkingen die geen algemeen Noors zijn,' zegt Schreuder. 'In Nooit van elkaar zegt de vrouw herhaaldelijk over haar man: 'Hij is weg als in een dood', dus met het grammaticaal onjuiste lidwoord 'een'. Het mooie is dat het na een aantal keer toch vanzelfsprekend klinkt, ook al weet je nog steeds niet wat het precies betekent.'


Door die herhalingen lijken de stukken van Fosse stil te staan. De personages zijn meestal niet vooruit te branden. Er is ook zelden sprake van een conflict. Bijvoorbeeld in Een zomerdag: een vrouw wacht thuis op haar man die ooit met een bootje de zee opging. Of in Er gaat iemand komen, waarin een koppel een nieuw, volkomen afgelegen huis betrekt en zich niet van het nare gevoel kan ontdoen dat er een verschrikkelijk persoon zal langskomen.


Het werk van de Noor doet hierin denken aan dat van de modernist Samuel Beckett.


Schreuder: 'Wachten is bij Fosse een existentiële toestand, net als bij Beckett. De vrouw in Nooit van elkaar komt uiteindelijk ook zelf tot de constatering dat het leven inderdaad niets meer is dan wachten.'


ZIJ


Maar leven is wachten toch


De mensen zitten in hun kamers


ze zitten in hun huizen


in hun kamers


ze zitten daar en wachten


tussen hun spullen


in de veiligheid die de spullen hun geven


zitten ze te wachten


Fosse doet niet aan psychologisch uitgediepte personages. Het gaat hem puur en alleen om de relaties tussen mensen, tussen man en vrouw, tussen moeder en kind. In zijn werk zijn die relaties altijd gebrekkig. En dus geeft hij ze weer in gebrekkige woorden. Schreuder: 'Fosse schrijft niet in de naturalistische traditie, zoals Ibsen. Hij schrijft over zijn eigen tijd.'


Desondanks wordt hij vaak de nieuwe Ibsen genoemd. Dat gaat in eerste instantie over populariteit. Maar ook over een sombere, wellicht typisch Noorse, inslag die de toneelschrijvers delen, geobsedeerd als ze zijn door levende doden, verstikkende liefde en een goddeloos bestaan.


Zelf wil Fosse weinig weten van de onontkoombare vergelijking. 'Het getuigt van een gebrek aan respect voor Ibsen. Bovendien getuigt het van een gebrek aan respect voor mij.'


Nooit van elkaar


Rêve d'automne


Meer over