Handelsreiziger in goud van oud Chuck Berry moet slim zijn, en hard als het er op aankomt

Voor niemand zal Chuck Berry het hoofd buigen - alleen voor de wet. Voor niemand gaat hij aan de kant, en zeker niet voor een gitarist die bij hem in de smaak wil vallen....

ARIEJAN KORTEWEG

'HET VALT NIET mee om tegelijk te zingen en solo te spelen', zegt de ene gitarist.

'Wil je dat ik de solo speel', vraagt de ander gretig. 'Geen probleem.'

Hij zet Carol in; Te-de-de-da-da-da-da-da. Te-de-de-da-da-da-da-da. Te-de-de-da-da-da-da-da. Wioeioe, wioeioe, wiee.

Fijn loopje. Hij kijkt er verlekkerd bij, mompelt vergenoegd de tekst mee: don't let him steal your heart away. . .

Maar waar blijft de zang? Hij kijkt op, ziet de ander vermanend met z'n wijsvinger zwaaien. De band valt stil. De ander speelt nu ook dat beginloopje, maar net iets anders. 'Hier begint de slur', zegt hij, en doet voor hoe je net iets eerder de snaren moet opdrukken: wioeioe, wioeioe, wieiee, Ooooooh Carol. . .'

Ze zetten opnieuw in, en nog eens, en weer, maar nu zit er zand in de raderen. Steeds is de ander niet tevreden. Dat geeft hij te kennen met een blik die gemakkelijk als arrogant kan worden uitgelegd. 'Listen Jack, wil je 't doen, doe het dan goed', zegt hij. Waarna de ene gitarist voorlopig niet meer bij machte is nog één noot op de juiste plek te krijgen.

Chuck rules, zoveel is duidelijk. En Chuck heeft zo z'n manieren om dat anderen in te peperen. Een heel arsenaal heeft hij daarvoor aangelegd. Het loopt van beminnelijkheid en overtuigingskracht, via Oostindische doofheid en een grote mond, desnoods helemaal door tot aan scheldkanonnades en bruut geweld.

Niemand moet het wagen om aan de knoppen van z'n versterker te komen, niemand hoeft hem te vertellen dat z'n gitaar niet goed gestemd is. Chuck weet hoe Chuck moet klinken, Chuck is in z'n leven genoeg gedold. Eén verwijtende blik met die zwarte ogen en iedereen begrijpt dat het niet zijn gitaar is die vals staat, maar dat de piano er hopeloos naast zit. Vreemd dat dat na al die jaren nog steeds niet vanzelf spreekt.

Chuck, dat is Chuck Berry, The Shakespeare. . ., The Genius. . ., The King of Rock 'n' Roll. Die onhandige gitarist met z'n foute slur in Carol is Keith Richards van de Rolling Stones. Al meer dan dertig jaar troonpretendent. Al zullen velen zeggen dat hij de kroon al lang heeft overgenomen, volgens hemzelf is het nog steeds niet zo ver.

Het tafereel is vastgelegd in de filmdocumentaire Hail! Hail! Rock 'n' Roll, uitgebracht in 1986 bij de zestigste verjaardag van Chuck Berry. Richards vervulde een spilfunctie bij het maken van die film. Hij organiseerde de begeleidingsband, dank zij hem wilden sterren als Eric Clapton, Bruce Springsteen en Linda Ronstadt meewerken. Richards was bereid stof te happen om zo in een keer zijn ereschuld aan Berry te voldoen. Al die riffs, al die nummers die de Stones in hun begintijd op koers hadden geholpen, al die inspiratie - het kon met deze tantaluskwelling worden terugbetaald.

Zangeres Moniek Toebosch zei het vorige week nog in Vervolg: ze had de film gezien en kon die ouwe man wel zoenen. Hail! Hail! Rock 'n' Roll heeft eeuwigheidswaarde, en dankt die aan dat ene tafereel. Weinig is spannender dan het zichtbaar worden van de pikorde. Dat beseffen ook de hoofdrolspelers. 'Ik had een .38 kaliber kogel tussen m'n tanden om op te bijten, dat zie je in de film', doet Richards jaren later stoer in het boek The Biography. 'Geen ander zou me ongestraft zo kunnen kleineren.'

Chuck begrijpt volgens Richards niet dat hij mensen pijn doet. Hij is wereldvreemd, he doesn't deal with people. Die uitleg verraadt een milde kijk op het karakter van Berry. Zeker gezien het verloop van eerdere ontmoetingen. In 1972, toen de Stones-gitarist hem tijdens een concert in Hollywood even terzijde stond, stuurde Berry hem van het podium omdat-ie te hard zou spelen. Sorry, ik had de man niet herkend, was de smoes na afloop.

Een paar jaar later liep Richards zijn buddy Berry na afloop van een optreden in The Ritz in New York onverwacht tegen het lijf en sloeg hem joviaal op de schouder. Berry reageerde met een klap op z'n oog. In 1983 verliet op het vliegveld van Los Angeles een brandende lucifer de vingers van Berry om zo maar in het overhemd van Richards te belanden. Ongelukje.

Chuck Berry weet precies wie hij kan hebben. Voor niemand gaat hij aan de kant, en dus zeker niet voor een gitarist die zo hard kwispelt om in de smaak te vallen. Zelfs niet als die van The Stones is, aan wie hij al die heerlijke royalties te danken heeft. En ergens in zijn achterhoofd zal de gedachte hebben gespeeld: de camera's lopen, wat is er mooier dan nu die wijsneus te leren wie hier de baas is.

Alleen voor de wet buigt Chuck Berry het hoofd. Die deemoed wordt hem al vroeg ingepeperd. Hij is nog minderjarig als hij vanwege een mislukte overval in Kansas City tot drie jaar Reform School wordt veroordeeld.

Het drama waarin hij in 1959 een hoofdrol speelt geldt als een archetypische rock 'n' roll-klassieker. Chuck Berry is dan op het toppunt van zijn roem; twintig hits in amper vier jaar moeten hem het gevoel hebben gegeven dat alles mogelijk is. Hij troont een veertienjarig Mexicaans hoertje, Janice Escalante, mee naar St Louis, en laat haar, gekleed in indianenkostuum, als hostess werken in zijn club.

'Ze helpt me met m'n uitspraak omdat ik in het Spaans wil zingen', probeert hij nog, als Janice opgepakt is. Het mag niet baten. Berry gaat achter de tralies en ontdekt bij zijn vrijlating in 1964 dat de wereld niet meer dezelfde is. De Beatles en de Stones maken nu de dienst uit, en niet zelden met nummers van zijn hand. De royalties maken van Berry een rijk man, maar in artistiek opzicht valt hij bijna droog. De explosie van de rock 'n' roll is voorbij.

Geld en vrouwen, ze sturen keer op keer zijn leven in de war. Eind jaren zeventig verdwijnt hij opnieuw voor een paar maanden achter de tralies, dit keer omdat hij zijn inkomstenbelasting niet heeft betaald. In 1989 eist een keukenhulp in het restaurant van Berry Park, zijn amusementspark in de buurt van St Louis, een schadevergoeding van een miljoen dollar. Berry zou om aan zijn gerief te komen via een valse spiegel video-opnamen van dames op het toilet hebben gemaakt.

De lange reeks aanvaringen heeft Berry kopschuw gemaakt. Iedereen heeft het op hem voorzien, iedereen aast op z'n geld. Er zit maar één ding op: Chuck moet slim zijn, ontzettend slim. En hard als het erop aankomt. Betalen ze hem in verkreukelde biljetten, best, dan speelt hij verkreukelde songs. Hij paart zijn muzikale genialiteit aan een ongekende hoeveelheid boerenslimheid.

Gewapend met die boerenslimheid treedt hij de buitenwereld tegemoet. Als het om optredens gaat, heeft Berry al lang geleden zijn plan getrokken. Hij houdt zich strikt aan de regels, zodat niemand hem wat kan maken. Van ieder ander verwacht hij hetzelfde. En niemand moet denken dat hij met zich laat sollen. Playbacken op tv weigerde hij al in 1958, en zijn duckwalk - de gehurkte stuiterpas met één gestrekt been waarmee hij al decennia de toeschouwers op de banken krijgt - doet hij niet op commando.

Al in de jaren zestig, toen de hits zich niet meer als vanzelfsprekend aaneenregen, bedacht hij wat de meest functionele manier van toeren is: je trekt thuis je showpak aan, stopt kam en tandenborstel in een koffertje en de gitaar in een flightcase - niet bevorderlijk voor het instrument, maar een muzikant kan zijn gitaar aftrekken voor de belasting - en je vliegt naar de concertzaal, waar bij aankomst een contractueel vastgelegd en nooit eerder gezien groepje huurlingen al nerveus staat te trappelen. Handen schudden, gitaar inpluggen en spelen maar. Die huurlingen hobbelen wel achter je aan. Wat we spelen? We're gonna play some Chuck Berry songs. Na een uur, na twintig minuten of wat ook maar in het contract staat, trek je de plug eruit, desnoods midden in Johnny B. Goode.

Niks geen leader of a big ol' band, van romantiek kan de schoorsteen niet roken. Hij is Chuck Berry, handelsreiziger in goud van oud, aangenaam. De man die nog weet dat z'n eerste bandrecorder zeventig dollar kostte, en dat hij in 1952 voor het opschilderen van The Cosmopolitan 450 dollar kreeg.

Iedereen tevreden houden, dat is het doel. Want tevredenheid is een voorwaarde om goed zaken te kunnen doen. Volgens dat principe schreef hij ook z'n nummers. De muziek die Chuck Berry maakte en die al ras rock 'n' roll ging heten, was geen daad van verzet. Er werd geen generatieconflict uitgevochten, er werd geen aanval op de rassenscheiding ingezet. Al heeft hij met nummers als Sweet Little Sixteen en School Day als geen ander stem gegeven aan wat de jonge Amerikanen bezighield. En al zijn nummers als Browneyed Handsome Man en Too Much Monkey Business gemakkelijk uit te leggen als een hart onder de riem van alle niet-blanken.

Maar Berry zou daar zelf niet heroïsch over doen. Zijn liedjes gaan niet over hemzelf, maar over wat anderen willen horen. Zijn kunst is de kunst van het geld verdienen met muziek. Rijk worden met wat je leuk vindt; wie dat wil moet niet te beroerd zijn de tering naar de nering te zetten. Toen de 28-jarige bluesman Berry op 21 mei 1955 bij Chess in Chicago binnenliep voor zijn eerste plaatopname, had hij twee songs die het volgens de gebroeders Chess als single goed zouden kunnen doen. De ene was Wee Wee Hours, een trage, gladde bluesballad. De andere was Maybellene, een hillbilly-rocker.

Al snel werd duidelijk dat Maybellene een peper-en-zout-publiek binnen bereik bracht, terwijl voor zo'n bluessong alleen de 'zwarte' markt ontvankelijk was. De keuze was snel gemaakt. De blanke, draagkrachtige luisteraars wachtten op hem, dus Berry zou een rocker worden. Beter dat ze hun geld aan hem uitgaven dan aan zo'n witte slijmbal als Pat Boone, die niks anders maakte dan slappe aftreksels van zwarte muziek.

Berry bediende zijn publiek op hun wenken, met de mooiste rocksongs die je je kunt wensen: Roll over Beethoven, Carol, Johnny B. Goode, Rock and Roll Music, Almost Grown, Back in the U.S.A., Little Queenie, Nadine, No Particular Place to Go. Hij voorzag ze van virtuoze, op maat gemaakte teksten, waarin schoolboeken worden dichtgeklapt, jongensdromen in vervulling gaan, begerenswaardige vrouwen rondstappen en waarin vooral veel gecruised of geracet wordt, in Cadillacs, Thunderbirds en Mustangs.

Die songs, bijna altijd kleine verhalen, werden gezongen met zijn temerige, uitdagende, een tikje slepende stem en opgetuigd met steeds weer net andere variaties op een arsenaal van razendknappe gitaar-riffs. Berry was een van de eersten die de rol van songschrijver, sologitarist en zanger in één persoon verenigden. Met de bundeling van die kwaliteiten kon hij in een tijdsbestek van twee minuten en 38 seconden ongekend veel aanrichten.

De blues verliest hij nooit helemaal uit het oog. En vanaf de jaren zestig, als zijn publiek net als hij wat ouder wordt en ook bij hen de sores van alledag zwaarder gaan wegen, krijgt de blues op het podium een grotere rol. Lekker slome gitaarblues, of een oude Elmore James of Jimmy Reed, toch nog eens z'n eigen Wee Wee Hours, of Have Mercy Judge.

In het begin van de jaren zeventig lijkt het wel zo'n beetje gedaan met Berry. Hij plugt zijn gitaar in waar er om zijn diensten wordt gevraagd, hij speelt de blues, hopt een duckwalk en pakt weer in. Nieuwe nummers die hij schrijft zijn nooit meer dan een zwakke afspiegeling van zijn vroegere kracht.

Er zal nog één oprisping komen, als in 1972 ineens My Ding-A-Ling voorbijkomt. Een lullig liedje, ooit al als My Tambourine in gekuiste versie opgenomen. Maar kennelijk heeft de seksuele revolutie het publiek rijp gemaakt voor een meezinger waarin de heren worden uitgenodigd in koor de dames te vragen of die eens met hun hoe-heet-het willen spelen. Vooral dank zij zijn mimiek is het nummer bij concerten een groot succes. My Ding-A-Ling bezorgt hem de eerste nummer 1 hit in zijn loopbaan.

De inmiddels bijna zeventigjarige veteraan pakt nog met enige regelmaat zijn flightcase. Op plekken als het North Sea Jazz Festival, waar mensen graag willen geloven dat hij echt de beste is van allemaal.

Ooit moest hij die plek bevechten. Zo was het in 1958, toen Jerry Lee Lewis uit woede dat hij niet de slotact van het concert was, tijdens Great Balls of Fire de toetsen met benzine besprenkelde en de vlam zette in zijn piano. Follow that, nigger, zei the killer, alvorens het podium aan Berry te laten.

Inmiddels is ook Lewis, diep in de zestig, bereid om het toe te geven: He's the king.

The King of Rock 'n' Roll. Chuck Berry, wereldkampioen op een afstand die niet meer wordt gelopen, en intelligent genoeg om dat al lang te beseffen.

Chuck Berry speelt vanavond op het North Sea Jazz Festival.

Meer over