Halfdode collecties

Er is gecatalogiseerd, gesaneerd, opgepoetst en in nieuwe dozen gestopt, maar dat is onvoldoende om de 130 wetenschappelijke collecties aan de oudste Nederlandse universiteiten te laten overleven....

MASSIEVE beenderen van zeezoogdieren die dreigen te verpulveren doordat vetzuren uit het beenvet het kalkweefsel oplossen. Roestende stellingen die in wankel evenwicht zeldzame organismen en weefsels in glazen opbergpotten torsen, terwijl de conserveringsvloeistof langzaam verdampt en er geen mankracht is om ze bij te vullen. Een unieke collectie bijzondere gesteenten die in een kelder ligt weggesloten zodat zelfs buitenlandse onderzoekers niet de kans hebben ze te bestuderen.

Wie de nota Universitaire collecties en cultuurschatten leest, houdt de indruk over dat het uiterst somber is gesteld met de ongeveer 130 universitaire verzamelingen van vaak bijzondere voorwerpen uit de wetenschappen. Aanhoudende bezuinigingen op de universiteiten in combinatie met striktere financieringsnormen hebben de universitaire collecties tot de rand van de afgrond gebracht, zo lijkt het.

Toch wil drs S. de Clercq, directeur van het Utrechts Universiteitsmuseum, dat beeld wat nuanceren. 'Het is nergens zo erg dat de brandweer met gillende sirenes moet uitrukken. Door inspanningen van de universiteiten, door de inzet van vrijwilligers en door het Deltaplan voor het Cultuurbehoud van oud-minister van WVC d'Ancona is er de laatste jaren het nodige gebeurd.

'Met name dank zij dat Deltaplan konden de ergste achterstanden een beetje worden weggewerkt. Spullen in oude kartonnen dozen, bijvoorbeeld, konden worden overgepakt in dozen van zuurvrij karton. Daar was het Deltaplan ook voor bedoeld: een soort ehbo-operatie. We moeten ons wel realiseren dat het slachtoffer daarmee weliswaar is gered, maar nog lang niet genezen.'

Daarom presenteren de vier 'klassieke' universiteiten - Leiden, Groningen, Utrecht en Amsterdam, de oudste van het land - woensdag een noodplan voor de universitaire collecties en cultuurschatten aan staatssecretaris A. Nuis van Cultuur.

Voor een fatsoenlijke oplossing van de problemen waar hun collecties mee kampen, is, zo schatten ze, een eenmalige investering van 38 miljoen gulden nodig plus een bedrag van 84 miljoen voor huisvesting van de verzamelingen. Daarnaast zou het jaarbudget voor beheer en exploitatie met 20 miljoen gulden moeten worden verhoogd. Momenteel besteden de vier universiteiten daar 33 miljoen per jaar aan.

De Clercq is niet bang dat deze extra investering er niet komt. 'Het onderwerp staat al zo lang op de politieke agenda dat mensen zich zo langzamerhand gaan schamen dat al het materiaal dat ooit met gemeenschapsgeld bijeen is gebracht, verwaarloosd blijft worden. De universiteiten hebben tot dusver naar vermogen bijgedragen aan het behoud van de collecties. Het verwijt dat ze er te weinig aan doen, is niet terecht. Dan heb je dus een vrij sterk nummer, vind ik.'

De vier oudste universiteiten beheren te zamen zo'n zestig procent van alle belangrijke universitaire collecties, waarvan sommige, aldus De Clercq, makkelijk kunnen wedijveren met verzamelingen in rijksmusea. Leiden neemt als oudste universiteit merkwaardig genoeg een relatief bescheiden plaats in. Volgens De Clercq een gevolg van het feit dat de universitaire collecties voor een belangrijk deel in de Leidse rijksmusea (Volkenkunde, Oudheden, Boerhaave) zijn ondergebracht. De Universiteit Utrecht beheert verreweg het meeste historisch materiaal.

0K

ERN van het probleem van de universitaire collecties is dat het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen de universiteiten uitsluitend financiert op grond van de 'output' aan onderwijs en onderzoek, analyseert De Clercq. Speciale potjes voor bijvoorbeeld maatschappelijke dienstverlening door de universiteit, zoals die vroeger bestonden, zijn weggesaneerd en geld voor behoud van het cultuurgoed verschaft Zoetermeer niet.

Elementen waardoor de klassieke universiteiten zich onderscheiden van de moderne, zoals een historische botanische tuin (die deel uitmaakt van de Nationale Plantencollectie), een herbarium, oude en zeldzame drukken van boeken of kaarten, oude wetenschappelijke instrumenten of een historische verzameling anatomische preparaten, vallen buiten de reguliere financiering van de universiteit.

'Een probleem als de verzuring van het 19de-eeuwse boekenbezit doet zich bij de moderne universiteiten in veel mindere mate voor dan bij de klassieke, eenvoudig omdat ze minder van zulke boeken in hun bezit hebben', zegt De Clercq. Daarbij komt dat nogal wat collecties zijn gehuisvest in oude, deels historische gebouwen die niet voldoen aan de standaard-huisvestingsnormen die het ministerie van OCW hanteert.

'Maar die muren staan er nou eenmaal, al is het aantal vierkante meters per medewerker dan ook veel te groot. Zulke oude gebouwen vergen meer onderhoud en zorg en zijn daarom gewoon duurder.'

De omstandigheden waarin de universitaire collecties, met kwetsbare materialen en voorwerpen als insekten, opgezette vlinders, textilia, gedroogde planten of een portrettengalarij van professoren, bewaard moeten worden, zijn in de regel verre van optimaal.

Saneren van de collecties of afstoten naar andere musea biedt volgens De Clercq geen oplossing voor het probleem van de cultuurschatten in universitair beheer. 'Dat is een beetje de filosofie achter het begrip ''de Collectie Nederland'', dat door minister d'Ancona is geïntroduceerd. Op zichzelf is het een prima idee om tot een breed, geïntegreerd museumbeleid te komen,

maar we moeten niet vergeten dat een universitaire collectie ook deel is van de geschiedenis van een stad.

'De Utrechtse universiteit stamt uit 1634 en kent sinds 1686 de traditie dat haar professoren werden vereeuwigd. Daarom hebben we nu met vijfhonderd stuks de grootste portrettenverzameling in Nederland. Moet die dan maar naar het Rijksmuseum of naar het Mauritshuis? Voor ons is dit een unieke collectie.'

0S

ANEREN en afstoten gebeurt trouwens al. Utrecht bracht meer dan de helft van zijn taxonomisch-zoölogische collectie ('de derde van het land') over naar Leiden en Amsterdam en een verzameling van dertigduizend individuele botten van Antropobiologie werd aan de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek overgedragen.

De Clercq, van huis uit geoloog, noemt ook het voorbeeld van gesteentencollecties. 'In mijn studietijd heb ik een kleine duizend stenen bijeengebracht. Twintig daarvan heb ik later in een publikatie beschreven. De rest, die nog ergens moet liggen, mogen ze van mij zo weggooien.

'Maar je moet daarbij wel oppassen. Het selecteren en saneren moet worden onttrokken aan de waan van de dag. Pas na een zekere bezinningsperiode kun je goed bepalen wat je wilt bewaren en wat weg kan. Stenen bijvoorbeeld die in de vorige eeuw op grote schaal door studenten uit het Bekken van Parijs werden gehaald, zou je moeten bewaren omdat de vindplaatsen niet langer toegankelijk zijn; het Bekken is intussen geheel volgebouwd.'

Wat volgens De Clercq in ieder geval bewaard moet blijven, zijn instrumenten en voorwerpen waar in het verleden baanbrekend onderzoek mee is gedaan. 'Dat is een goed en helder criterium, dat me ook veel meer aanspreekt dan een criterium dat het Nederlands is.

'Ik hou niet zo van verzamelingen die op nationalistische criteria zijn bijeengebracht. Dat zie je nogal eens bij buitenlandse wetenschappelijke collecties, het Palais de la Découverte in Parijs of het Deutsches Museum in München. In de Verenigde Staten is die neiging zelfs bijzonder sterk, daar doen ze of Amerika het centrum van de wereld is.'

Een historische wetenschappelijke collectie heeft een belangrijke culturele waarde, vindt De Clercq. Een tentoonstelling van historisch materiaal is volgens hem voor het publiek veel interessanter dan tentoonstellingen zoals in de Amerikaanse Science Centers, die wetenschap op een hinderlijke manier als een one-way-success-story afschilderen.

'Historisch materiaal laat zien dat er een zekere continuïteit is, dat we voortbouwen op het werk van vorige generaties. Dat inzicht betekent een geestelijke verrijking, het relativeert ook het denken over ons hedendaagse kunnen. En het laat zien dat wetenschap niet een proces is van zomaar-iets-ontdekken, maar vaak een moeizaam zwoegen en ploeteren om de waarheid te achterhalen.'

0D

E UNIVERSITAIRE collecties staan niet stil. Regelmatig duikt er nieuw materiaal op, als instituten moeten verhuizen of als (onderdelen van) faculteiten worden gesloten wegens reorganisatie of door taakverdeling tussen de universiteiten. Materiaal dat voor een groot deel nog beschreven of opnieuw beschreven moet worden.

De Clercq: 'De opheffing van de faculteit Tandheelkunde in Utrecht wierp ons 45 duizend voorwerpen, hoofdzakelijk handgereedschap, in de schoot. Of je krijgt een collectie stenen van Geologie, veertigduizend voorwerpen, in kleine doosjes met een nummer erop en een half kaartsysteem erbij. Kan je gaan controleren of een steen wel in het juiste doosje zit. De basisregistratie van zulke collecties is vaak te primitief om mee te kunnen werken.'

Een van de belangrijkste problemen voor de universitaire verzamelingen vindt De Clercq de sluipende teloorgang van kennis van de collectie. 'Veel drijft op liefde voor het vak. Op zich is daar niets op tegen, het is een prima drijfveer. Maar als iemand die een collectie samenstelt en beheert met pensioen gaat of wegens reorganisatie wordt ontslagen, verdwijnt niet alleen mankracht maar ook specialistische kennis. Dan ontstaan er dode collecties, keurig opgepoetst, maar geen mens weet nog wat het voorstelt. '

Hij geeft het voorbeeld van een naturalia-kabinetje dat het Centraal Museum in Utrecht bewaart. 'Het lijkt een kastje dat een apotheker had om allerlei spullen te toetsen die hem door kooplieden werden aangeboden. Maar niemand wist hoe oud het kabinetje was. Een farmacognost van de Utrechtse universiteit is daar toen eindeloos mee bezig geweest. Uiteindelijk kon hij het verlossende wooord spreken. Omdat schimmel X er niet in zit, moet het kastje van vóór zo-en-zo-veel zijn, want anders had die schimmel er wel ingezeten. Zulke specialistische kennis dreigt langzaam uit te sterven.'

Om het gevaar van dode collecties te ontlopen, pleit De Clercq voor een extra investering in de universitaire collecties en cultuurschatten. 'Ondanks het Deltaplan voor het Cultuurbehoud, waar wij geweldig van hebben geprofiteerd, merk ik toch dat we langzaam achteruit fietsen. Het Deltaplan heeft ons er ook van bewust gemaakt hoeveel werk er nog ligt te wachten. Het was een eenmalige operatie.

'Wat nu nodig is, is een structurele investering in kennis over de universitaire collecties. Ik zie eerlijk gezegd geen enkel fatsoenlijk argument om de universitaire collecties anders te behandelen dan de andere collecties in 's rijks beheer.'

Gerbrand Feenstra

Meer over