INTERVIEWJannine van den Berg

Had de politie door alle liquidaties en boerenprotesten nog wel genoeg aandacht voor haar eigen mensen?

Zelf kwam ze er niet uit, en daarom liet politiechef Jannine van den Berg een extern onderzoek uitvoeren naar de bedrijfscultuur bij haar dienst. Daar bleek van alles mis. En wie erover durfde te klagen lag eruit. Dat moet ze nu zien te veranderen. Het onderzoeksrapport is een ‘steekvlam’, zegt Van den Berg. 

Jannine van den Berg, hoofdcommissaris van de Landelijke Politie Eenheid: ‘Je wilt een veilige omgeving waarin mensen zich durven uit te spreken, zonder dat dit consequenties heeft voor hun gedrag.’Beeld Jiri Büller

Politiechef Jannine van den Berg merkte al direct na haar aanstelling bij de Landelijke Eenheid, vier jaar geleden, een ‘cultuur van vingerwijzen’. Ze zat amper op haar post toen De Telegraaf een groot artikel publiceerde over misstanden bij de DKDB, de Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging.

‘Iemand riep meteen: wie is de verrader, wie heeft er naar de krant gelekt? Waarop ik zei: dat is niet relevant – als ik die klokkenluider ga zoeken, creëer ik een sfeer van angst. Ik zie het als een noodkreet: help, er is iets, maar er wordt intern niet naar geluisterd. Het gaat erom wat er mis is, niet om wie het meldt. Je wilt een veilige omgeving waarin mensen zich durven uit te spreken, zonder dat dit consequenties heeft voor hun gedrag.’

Eind vorig jaar worstelde Van den Berg met aanhoudende geruchten bij de Dienst Landelijke Informatie Organisatie (DLIO), waar bijna duizend mensen werken. Deze dienst, die valt onder de Landelijke Eenheid, staat bekend om zijn heimelijke, internationale informatie-inwinning over de georganiseerde misdaad. Werknemers lekten naar de media dat informanten zijn vermoord door fouten bij de inlichtingendienst. Er kwamen klachten van machtsmisbruik, vriendjespolitiek en discriminatie. 

‘Dat hebben we allemaal onderzocht’, zegt Van den Berg, ‘maar we kregen het niet hard. Dan denk je: waarom heerst er onvrede, een gevoel van onveiligheid? Is dit een patroon? Daarom heb ik een onderzoek naar de bedrijfscultuur gelast.’

Als ergens veel onvrede heerst, heeft dat vaak een dieperliggende oorzaak, zegt de politiechef. Zo was er een anonieme brief over gesjoemel met reizen en declaraties. ‘Dat hebben we onderzocht, maar daar is niks onrechtmatigs uit gekomen. Wel bleek dat de dienstchef zowel moest leidinggeven als een internationaal netwerk onderhouden, en dat is te veel. Werknemers die roepen dat er onrechtmatig wordt gereisd, hebben eigenlijk behoefte aan een baas die er vaker voor ze is.’

Een van de klachten luidt: als je een misstand meldt, hoor je niks terug. Het wordt niet bestraft, dus melden heeft geen zin.

‘En dan ontstaat een sfeer in je team waar je geen vat op krijgt, een wij-tegen-de-leiding-gevoel. In zo’n sfeer klinkt al snel het verwijt van vriendjespolitiek. Ook dat hebben we niet kunnen vaststellen. Dit rapport wijst nu uit: er is een gebrek aan transparantie, mensen weten vaak niet waarom een besluit is genomen. Dat wekt wantrouwen in de hand. Iemand denkt: waarom heb ik die baan niet gekregen?, en gaat speculeren. Dan blijkt dat zijn of haar competenties niet voldoende zijn, maar men verzuimt dat naar die persoon te communiceren en te helpen om dat te verbeteren. Dat doen we dus niet goed.’

Door angst voor uitsluiting durven mensen geen kritiek uit te spreken, concluderen de onderzoekers. ‘We moeten leren elkaar aan te spreken op ongewenst of onprofessioneel gedrag’, zegt Van den Berg. ‘Een simpel voorbeeld: we hadden hier laatst een gast, die iets kwam toelichten. De ene collega zat op z’n telefoon, de ander op z’n iPad. Ik zei jongens, dit kan niet hè. Toen zei iedereen sorry en was het klaar. Maar je moet het dus benoemen. Ander voorbeeld: een chef die meelacht om een foute grap, in plaats van corrigerend op te treden. Aanspreken op gedrag is niet goed ontwikkeld bij de politie. Dus verandering wordt een taai proces.’

Wat trekt u zich, van alle klachten in dit rapport, het meest aan?

‘Wat me enorm raakt zijn de kleine zinnen over groot persoonlijk leed, van niet gehoord worden. Iemand die z’n werkkamerdeur achter zich dichttrekt en het idee heeft: het interesseert niemand wat ik hier doe. Dat mag niet, dat we met z’n allen zo’n collega niet zien en erbij betrekken. Dat is hetzelfde als wanneer je een zieke te lang zonder contact thuis laat zitten. Dat vind ik menselijk gezien niet kunnen.’

Van den Berg vermoedt dat het cultuuraspect veel breder bij de politie speelt. Vaak zijn er aantijgingen die niet bewezen kunnen worden (zoals racisme-klachten bij de eenheid Den Haag), of onterecht lijken (zoals het verwijt van vriendjespolitiek bij het omstreden Limburgse team Horst en Peel). Toch zou het kunnen dat ook achter die verwijten een probleem met omgangsvormen schuilgaat, denkt Van den Berg. ‘Ik denk dat we hier met het hele korps over in debat moeten: hebben we, door de toegenomen werkdruk – de liquidaties, de groeiende vraag om beveiliging, de boerenprotesten, de vele demonstraties die we gehad hebben, onze focus op terrorisme, de drugsproblematiek – wel genoeg aandacht voor onze eigen mensen?’

Van den Berg heeft het rapport met alle vijftien leidinggevenden bij DLIO besproken. Dat was ‘even slikken, dit is niet makkelijk voor ons’. Ze heeft een nieuwe chef aangesteld en werkt aan een plan van aanpak voor meer transparantie, betere communicatie, betere terugkoppeling – alle aanbevelingen van KPMG. Ik heb al transitiecoaches en begeleiders en weet-ik-veel-wat. Maar dit kan ik niet alleen; dat plan moet door alle lagen worden meebesproken en gedragen. Dat gaan we nu eerst doen.’

Wat is er gebeurd met de chefs die u van hun functie heeft gehaald?

‘Dat is verschillend. Een van hen heeft werk buiten de politie gevonden. Twee andere collega’s doen nu ander werk binnen de politie. Met de vierde zijn we nog in gesprek.’

Dat is precies een van de verwijten in het rapport: als personen ongewenst of onprofessioneel gedrag vertonen, worden ze niet bestraft, maar overgeplaatst.

‘Mensen voelen overplaatsing vaak al als straf. Daarbij vind ik dat Barbertje niet altijd moet hangen. Dat zien we al vaak genoeg in onze politieke context. Ik vind: als mensen ervan weten te leren en de situatie verbeteren, hoef je niet per se te straffen. Tenzij iemand concreet, feitelijk, een grens overschrijdt. Maar die harde aanwijzingen heb ik dus niet gekregen.’

Wat rekent u zichzelf aan?

‘Dat ik te veel heb vertrouwd dat de mensen in het hele leidinggevingstreintje continu aandacht hadden voor het cultuuraspect. Ik heb daar dus te weinig op doorgevraagd. Je moet een veenbrand blussen voordat het een steekvlam wordt. Dit rapport is een steekvlam.’

Meer over