H.J.A. Hofland krijgt prijs uitgevers 'Wij vormen het laatste onafhankelijke bolwerk'

Columnist H. J. A. Hofland heeft de Gouden Ganzeveer gekregen van de Koninklijke Nederlandse Uitgeversbond. Eens werd hij door de toenmalige uitgever van het Algemeen Handelsblad weggepest....

Van onze verslaggever

Fokke Obbema

AMSTERDAM

'Een dagelijks demoraliseringsproces dat ik mijn vijanden van harte toewens'. Zo omschreef columnist H. J. A. Hofland eens wat hij als hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad eind jaren zestig meemaakte. De lezers van de krant haakten massaal af en een faillissement dreigde. In die kritieke fase begon de directie aan de stoelpoten van de hoofdredacteur te zagen. Uitgever W. Pluygers maakte dagelijks duidelijk zijn hoofdredacteur te willen lozen en slaagde uiteindelijk in die opzet. De zwartste bladzijde in de journalistieke carrière van Hofland was geschreven.

Dat het tussen hem en het uitgeversgilde toch nog goed is gekomen, werd afgelopen week bewezen. De auteur van wekelijks drie columns in NRC Handelsblad liet zich in het Stedelijk Museum onderscheiden met de Gouden Ganzeveer, ingesteld door de Koninklijke Nederlandse Uitgevers Bond. Hij krijgt de culturele prijs wegens 'zijn uitzonderlijke bijdrage in de vorm van activiteiten en publikaties op het terrein van het Nederlandse cultuurbezit'.

Zelf ervoer hij het niet als een verzoendag. Gewoontegetrouw wijst Hofland op de nuances. 'De Gouden Ganzeveer, dat is Pluygers niet. Je hebt niet dè uitgevers tegen dè redacties, maar je hebt sommige uitgevers die sommige redacties beter verstaan dan andere uitgevers andere redacties. Smaling (de baas van PCM, het bedrijf waartoe NRC Handelsblad sinds kort behoort) is een andere man dan Pluygers.'

Op de achterste rij in het zaaltje van het Stedelijk Museum bevond zich Parool-hoofdredacteur Sytze van der Zee. Diens applaus voor Hofland was lang en luid. De laureaat had zijn dankwoord dan ook aangegrepen om de Amsterdamse krant een hart onder de riem te steken en zich te keren tegen 'de zure lucht van leedvermaak' die hij elders in de journalistiek rook. Bovendien kennen Hofland en Van der Zee elkaar uit de tijd dat beiden, zij aan zij, streden voor het voortbestaan van het Algemeen Handelsblad. Toen was Van der Zee de nog jeugdige chef nieuwsdienst van de krant en, in de woorden van Hofland, 'Mirabeau, Robespierre en Napoleon tegelijk'. De gewezen AH-hoofdredacteur denkt nog altijd met 'grote dierbaarheid' terug aan de 'vroege edities van het Handelsblad, door Sytze en mij opgezet, bedoeld voor adverteerders die we anders zouden missen'.

In dit opzicht herhaalt de geschiedenis zich, want het eerder op de dag uitbrengen van de krant maakt ook deel uit van de overlevingsplannen voor Het Parool. Van der Zee lijkt zich in een even benarde positie te bevinden als Hofland destijds, maar er zijn verschillen.

'Smaling (de bestuursvoorzitter van PCM, het krantenconcern waartoe Het Parool, NRC Handelsblad en de Volkskrant behoren) is geen Pluygers. De grote bof is dat Smaling niet één redactie verstaat, maar het verschijnsel redactie. Hij heeft gevoel, intuïtie, voor het schrijvende gedeelte van de krant. Dat is een van de grote voltreffers geweest van de koop van ons, Dagbladunie, door PCM.'

- Maar de discussie over Het Parool is door de overname wel verhard. Daarvoor was de balans van PCM nog vrijwel schuldenvrij, nu moet het bedrijf op iedere uitgave letten. Naar de verliezen van Het Parool wordt anders gekeken.

'Een andere verhouding tussen kosten en baten is niet iets dat tot mijn overwegingen of verantwoordelijkheden hoort. Ik ga geen commentaar leveren op een boekhouding die ik niet ken. Wat ik voor ons, journalisten, van belang vind, is om als conglomeraat een aantal fatsoenlijke, goed gemaakte kranten te verdedigen. Dan gaat het niet aan onderlinge kinnesinne te stimuleren over een paar centen.

Het debat is verhard en dat is naar mijn oordeel niet goed. Kranten die onder de noemer van één uitgever verschijnen, behoren elkaar niet de voet dwars te zetten. En zeker niet in het openbaar. Dat grenst aan verraad.'

- Doelt u daarmee op het geluid van het AD en uw eigen krant, de NRC, dat de winsten van die kranten niet mochten dienen om de Parool-verliezen te compenseren?

'Ja, ik vind dat jammer. Er is nu eenmaal een bedrijfspolitiek die binnenskamers vorm behoort te krijgen. Pas als die klaar is kun je ermee naar buiten.'

- Maar hoe verdraagt zich dat principe van solidariteit met onafhankelijke journalistiek over Het Parool?

'Als media-journalist heb je een zeker dualisme: je moet een compromis zien te vinden tussen het belang van het concern waar je bijhoort en het unverfroren, zonder enige tactische overweging prijsgeven van de volledige waarheid.

- Dus stel dat er bij u een enveloppe in de bus belandt met stukken die andere oplages van de PCM-kranten aangeven dan de officiële cijfers, dan publiceert u die niet.

'Nee, dan zou ik de directie opbellen met de vraag: proberen jullie ons een oor aan te naaien? En met de opmerking: zo zijn we niet getrouwd. Maar je hoeft dan niet meteen de hulp van de publieke opinie in te roepen. Die hulp is negen van de tien keer oneigenlijk.

'Zou ik dergelijke cijfers over De Telegraaf in handen krijgen, dan is dat een andere zaak. Hoor je iets van buiten je vereniging, dan let niets je om dat ook af te drukken. De solidariteit houdt op buiten het eigen concern. Maar tussen de vijf kranten is een duidelijk gemeenschappelijk belang. Pas in laatste instantie moet je er als journalist toe overgaan het geheel te verzwakken door middel van publikaties. We horen elkaar niet de voet dwars te zetten.'

- Gaat die solidariteit ook zover dat u zich zonder meer achter het plan van Van der Zee schaart om van Het Parool een tabloid te maken.

Sytze van der Zee en ik zijn hele goede vrienden, dus wat dat betreft zal ik proberen hem tot mijn laatste of voorlaatste snik te steunen. Zeker. Maar wat je uit vriendschap doet is iets heel anders dan wat je doet in het belang van het bedrijf. Ik kies nu niet tussen de optie van Van der Zee of die van Smaling (die van Het Parool een regionale krant wil maken, red). Ik moet zo'n krant eerst zien. Als ik zou moeten kiezen tussen regionaal of tabloid, dan zou ik van beide eerst twintig nulnummers maken.'

Over de journalistiek maakt Hofland zich geen zorgen. 'Er is geen enkele reden om somber te zijn.' Het prestige van kranten neemt nog altijd toe. 'Je kunt vaststellen dat je een gebureaucratiseerde academische wereld hebt en een in fractiediscipline ingekapseld parlement. Dan kom je er op uit dat wij, die vier of vijf kranten, en ik reken ook De Telegraaf mee, het laatst overgebleven onafhankelijk bolwerk in de maatschappij zijn. En dat is heel mooi hoor, voor ons.'

In een geruchtmakend Vrij Nederland-interview deed Hofland de jongere generatie schrijvers drie jaar geleden af als 'een beetje prutsers', wat een storm van protest opwekte. Over zijn jongere journalistieke collega's is hij, wijs geworden, lovender. 'In de NRC hebben wij hele goede reportages uit Bosnië gehad van Marjon van Royen. Dat was reportage op de meest directe manier en op een uitstekende manier opgeschreven. En bij de Volkskrant heb je de verhalen van Els de Temmerman over Afrika gehad. Dat zijn uitstekende verslaggevers. Je zou willen dat dat ook eens in het binnenland gebeurde. Het Parool heeft als enige goede reportages gehad over die schandelijke afwerkplaatsen hier in de stad. Maar er is zeker hoop.'

Meer over