Grote zaal

Het Haagse Binnenhof was in de zeventiende eeuw behalve het politieke hart van Holland ook een levendige handelsplaats. De Ridderzaal, de 'Grote Zaal', bood niet alleen onderdak aan de Staten-Generaal, maar ook aan tientallen kramen en winkeltjes waar kooplieden hun waar uitventten....

Zo'n markt als op het Binnenhof was geen exclusief Haags verschijnsel, schrijft Marika Keblusek in haar boekhistorische proefschrift Boeken in de hofstad - Haagse boekcultuur in de Gouden Eeuw (Historische Vereniging Holland/Verloren; ¿ 67,50), waarop zij 18 september in Leiden promoveerde. 'Ook in andere Hollandse steden, bijvoorbeeld Haarlem en Amsterdam, huurden kramers en boekverkopers kleine winkeltjes op centraal gelegen plaatsen; bij de Beurs, het stadhuis en de kerk. Maar de ontwikkeling van de Zaal als grote markt voor boeken, met een eigen regelgeving en organisatie, met filialen en veilingen, was uniek in de Republiek.

De Ridderzaal trok 'met haar bonte verzameling kramen en winkeltjes' dagelijks een groot, kooplustig publiek. Rond 1640 zag de Zaal er zo uit: links en rechts van de ingang was de grote boekwinkel van Elsevier gevestigd; aan de linkerzijde waren nog wat kleinere boekwinkels plus de kramen van verkopers van brillen, horloges en linten; tegenover de ingang was aan de andere kant van de Zaal de grote boekhandel van de Amsterdamse boekverkoper Hendrik Laurentsz. gevestigd; de rechterzijde werd geheel in beslag genomen door kraampjes met allerhande waar.

De handel in (ook tweedehands) boeken en prenten vormde de motor van de economische bedrijvigheid op het Binnenhof. Het boekenbedrijf was geen elitaire aangelegenheid voor de Haagse chic, schrijft Keblusek. Vooral op 'quade ende onstuymige' dagen was de Zaal een 'wandelplaets ende wijck voor iedereen'. Geregeld werden er boekenveilingen georganiseerd.

In 1660 bezocht de Engelse dagboekschrijver Samuel Pepys de Zaal. 'A great place', noteerde hij, waar overal vlaggen hangen die ze op hun vijanden hadden buitgemaakt, en waar van alles werd verkocht, 'as in Westminster-hall, (. . .) but much neater'.

In een lofzang op Den Haag dichtte Jacob van der Does over de Zaal:

't Is een gemeene plaets, daer yder vry mach wand'len

Rondom met winckelen, die meest in Boecken hand'len

Want dese waer wert hier tot goe de prijs verkocht,

En daerom na den Haeg van alle kant gebrocht.

Keblusek beschrijft niet alleen uitvoerig het boekenbedrijf op het Binnenhof, maar geeft ook een rijk geschakeerd beeld van de hele boekcultuur in Den Haag tijdens de Gouden Eeuw. Den Haag had zich ontwikkeld tot een levendig politiek centrum, sinds de Staten van Holland in 1585 hun hoofdzetel van Delft hadden verhuisd naar het onversterkte 'vlek' aan de kust. Het Haagse boekenbedrijf kreeg extra prikkels toen aan het eind van de zestiende eeuw boekverkopers en drukkers uit de Zuidelijke Nederlanden in Den Haag neerstreken. Tot hen behoorde de familie Elsevier.

Een centrale rol in de Haagse boekcultuur in de zeventiende eeuw speelde Constantijn Huygens. Huygens was secretaris van de kunstminnende stadhouder Frederik Hendrik en had een grote invloed op diens cultuurpolitiek. Toen Frederik Hendrik in 1624 zijn halfbroer Maurits opvolgde, kreeg hij ook de beschikking over de stadhouderlijke bibliotheek. In 1686 werd zijn boekenbezit met hulp van Huygens gecatalogiseerd. De meeste boeken waren theologische werken, gevolgd door historische en literaire uitgaven. Het waren vooral boeken in het Latijn en Frans. De Nederlandse letterkunde was schraal aanwezig; Jacob Cats was met vier boeken nog het best vertegenwoordigd.

Han van Gessel

Meer over